Tagarchief: zaden

De 2de negentien van Bachbloesem : Pine

Standaard

categorie : Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

grove_den__pinus_sylvestris__scots_pineimg_6610bloemflowermale

 

 

Pine (Grove Den)

Pinus sylvestris

Een van Bach’s tweede 19 remedies.
Bereid volgens de koken-methode.

 

 

bach-flower-remedie-24-pine-grove-den-20ml-1

 

 

Indicatie

 

Voor degenen die zichzelf de schuld geven. Zelfs als ze slagen denken ze dat ze het beter hadden gekund, en ze zijn nooit tevreden met hun inspanning of met het resultaat. Ze werken hard en hebben veel te lijden onder de fouten die ze zichzelf toedichten.

 

 

 

Affirmatie

 

Gezondheid is dus de werkelijke weerslag van wat we zijn. We zijn perfect want we zijn kinderen van God. Het bestaat niet dat we onze best moeten doen om iets te verdienen wat we al gekregen hebben. We zijn hier alleen maar om in stoffelijke vorm de perfectie te laten zien waarmee we vanaf het begin der tijden al begiftigd zijn.

 

 

 

Habitat

 

De Schotse den is een inheemse soort in bossen op zure grond in de Schotse Hooglanden. Ook elders is ze wijdverbreid geplant, de den plant zich voort via de zaden die ze zelf verspreiden.

 

 

 

Emotionele toestand

 

Voor zelf-verwijt, schuldgevoel, voor hen die zichzelf de schuld geven, zelf-veroordeling, die vaak de verantwoordelijkheid nemen voor een situatie die niet hun schuld is. Ze zijn ontevreden en kritisch tegenover zichzelf, te nauwgezet, verontschuldigend en te nederig. De voortdurende moeite die ze doen om zichzelf alsmaar te verbeteren kan leiden tot vermoeidheid en neerslachtigheid. Helpt om schuldgevoelens te verlichten.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria

Gewone raket: Sisymbrium officinale

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

.

.

.

.

Gewone raket: Sisymbrium officinale

De gewone raket (Sisymbrium officinale) is een plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae) die voorkomt op braakliggend terrein, langs wegen en dijken. De wetenschappelijke naam Sisymbrium komt uit het Latijn en betekent ‘waterkers’. Dit omdat tijdens de periode dat Linnaeus het plantenrijk indeelde, deze soort samen met de witte waterkers (Sisymbrium) werd ondergebracht. Later is bij een herverdeling deze soort alleen overgebleven maar heette nog steeds Sisymbrium. Dit is nooit veranderd.

.
De soortaanduiding officinalis geeft aan dat aan de plant geneeskundige werking werd toegeschreven. De Nederlandse naam zou afgeleid zijn van het Franse Roquette, een wilde koolsoort. Het is een 30-60 cm hoge, kruidachtige plant. Door de vertakkingen doet de raket aan een kandelaar denken. Het onderste gedeelte van het blad heeft een spiesvormige eindslip. De bovenste bladeren zijn ongedeeld.
.
De plant bloeit met dichte trossen die later langer worden, van mei tot september. De bloem is bleekgeel en klein (2 – 4 mm). De gewone raket draagt kortgesteelde, priemvormige, 8 – 20 mm lange hauwen die tegen de stengel zijn gedrukt. De bruine tot donkerbruine zaden zijn 1 – 1,3 lang en 0,5 – 0,6 mm breed. De soortaanduiding officinalis duidt erop dat aan de plant geneeskundige werking werd toegeschreven.
.
Zij wordt nog wel in anti-hoestmiddelen en keelpastilles verwerkt en staat vermeld in de Franse farmacopee. Verder vindt het geneeskundig gebruik geen toepassing meer. Als slijmoplossend middel kan men een aftreksel van twee theelepels per kop water gebruiken tegen hoest en slijm. De gewone raket wordt ook wel heeskruid genoemd, wegens zijn smerende werking op de stembanden.
.
.
.
.
.

Standplaats

.

Matig vochtige tot droge, voedselrijke bodem in halfschaduw of zon. Gedijt op alle grondsoorten. Plant van ruigten.

.

.

.

.

Eigenschappen

.

2-slachtig

tredplant

medicinaal

ingeburgerd

.

.

.

.

.

Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: ‘nieuwe’ Tweezaadlobbigen
Clade: Malviden
Orde: Brassicales
Familie: Brassicaceae (Kruisbloemen)
Geslacht: Sisymbrium (Raket)

 

.

.

.

.

.

.

.

Luzerne : Medicago sativa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
aan de eivormige tot langwerpige, rijkbloemige, lang gesteelde trossen paarse (soms witte), kortgesteelde vlinderbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Luzerne is een overblijvende, 30 tot 80 cm hoge plant. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen. Ze groeit op min of meer vochtige plaatsen in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Luzerne bloeit vanaf juni tot en met september. De bloeiwijze is een rijkbloemige, eivormige tot langwerpige tros vlinderbloemen. Ze zijn kort gesteeld, doorgaans paars, soms zijn ze wit. De trossen zijn lang gesteeld en staan in de bladoksels. Bij kruisingen van luzerne met sikkelklaver zijn de bloemen groen of geel-paars gevlekt. Sikkelklaver heeft gele bloemen.

De meeldraden en stijl liggen onder spanning in de kiel van de bloem verborgen. Zowel bijen als vlinders kunnen de bloem laten “ontploffen”. Zij drukken, op hun zoektocht naar nectar, de zwaarden en kiel naar beneden, waardoor het mechanisme dat stijl en meeldraden onder spanning houdt, wordt open gedrukt en stijl en meeldraden omhoog klappen tegen de buik van het insect.

De stijl is langer dan de meeldraden en ontvangt stuifmeel van een andere bloem, voordat de kortere meeldraden hun stuifmeel aan het insect afgeven. Bij een ontplofte bloem blijven na vertrek van het insect de meeldraden en stijl zichtbaar. Die bloemen worden bezocht door andere insecten vanwege het nu makkelijk bereikbare stuifmeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kortgesteelde bladeren bestaan uit 3 langwerpige deelblaadjes, die elk 2 à 3 cm lang zijn, het breedst boven het midden en waarvan de onderste helft van de rand gaaf is en de bovenste helft getand. De top heeft een stekelpuntje. De stengels zijn sterk vertakt en los bebladerd.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden van luzerne kunnen het hele jaar ontkiemen en worden verkocht als spruitgroente met de naam alfalfa; op dezelfde manier in de keuken te gebruiken als taugé. Ze wordt ook gekweekt als voederplant en vanwege haar stikstofbindende eigenschap gebruikt als groenbemester voor verbetering van schrale gronden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Andere planten met paarse trossen vlinderbloemen zijn vogelwikke, stijve wikke en bonte wikke. Hoewel het ook vlinderbloemen zijn, zijn de bloemen van de wikke-soorten anders van vorm en smaller dan de bloemen van luzerne. Verder staan ze binnen 1 tros nagenoeg allemaal dezelfde kant op. Dat is bij luzerne niet het geval. De bladeren van luzerne bestaan uit 3 deelblaadjes, die van de wikke-soorten bestaan uit meer dan 3 deelblaadjes en de bladspil eindigt in een vertakte rank.

 

 

vogelwikke

 

 

stijve wikke

 

 

bonte wikke

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook gekweekt als voederplant
– 30 tot 80 cm

Bloem
– paars (soms wit)
– vanaf juni t/m september
– tros
– 8 tot 12 mm
– vlinderbloem
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 behaarde kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– top spits met stekelpuntje
– rand bovenste helft getand
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard
– gewimperd

Stengel
– rechtop
– weinig behaar

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

De mier in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

De mier

 

 

Spreuken 30:24-25

 

“Vier dieren zijn de kleinste op aarde, maar zij zijn buitengewoon wijs; de mieren – sterk zijn ze niet, maar al in de zomer leggen ze een voorraad aan.” 

 

Wij weten niet wie Agur was – de schrijver van deze woorden – maar hij had wel ogen om op te merken en ver-stand om de lessen te trekken uit wat hij waargenomen had. In het land Israël wemelt het van allerlei soorten mieren, van zeer klein tot zo groot als een bij. Het soort waarover Agur het had, was waarschijnlijk de oogstmier, die in de kustgebieden veel voorkomt. Deze mier verzamelt in de zomer een voorraad zaden en slaat ze op in ondergrondse galerijen. Zaden die zouden kunnen ontkiemen, worden verwijderd en buiten het nest gedepo-neerd, om later als voedselbron te dienen. Al eerder in het boek Spreuken vestigt Salomo de aandacht op deze ijverige insekten:

 

Spreuken 6:6-8

 

“Ga naar de mieren, luiaard, kijk hoe ze werken en word wijs. Hoewel er onder hen geen leider is, geen aanvoerder, geen koning, halen ze in de zomer voedsel binnen, leggen ze in de oogsttijd een voorraad aan.” 

 

 

Iedere mier kent zijn of haar plaats in de mierenstaat; zij werken allemaal op efficiënte wijze samen, om voor de koningin en haar larven te zorgen. Sommige miersoorten zijn gevaarlijk en trekken samen uit op rooftocht, maar de oogstmier is vegetarisch en vormt geen bedreiging voor andere dieren. In tropische landen komt men de be-faamde bladmier tegen, wiens voorraad uit vers afgebeten bladgedeelten bestaat, en wiens heen en weer gaan tussen boom en nest op een protestmars lijkt. Mieren weten instinctief dat hun leven afhangt van het tijdig inza-melen. Wij mensen hebben de neiging om dingen uit te stellen en gaan liever luieren in de zon. Maar, zegt Salo-mo, die weg leidt tot armoede en gebrek.

 

Spreuken 6:6-11

 

6 Kijk naar de mieren, luiwammes, kijk hoe ze leven, en leer daar iets van.
7 Want ook al hebben ze geen aanvoerder, geen leider en geen koning,
8 toch verzamelen ze in de zomer alvast hun eten voor de winter. In de oogsttijd verzamelen ze voedsel.
9 Maar jij, luiwammes, hoelang blijf je nog liggen? Wanneer sta je eindelijk eens op?
10 ‘Nog even slapen, nog even soezen, nog even lekker liggen met de handen achter mijn hoofd’ –
11 Maar daar komt de armoede al op je af, zo snel als een hardloper. Gebrek overvalt je als een rover.

 

 

Mieren zijn niet alleen voorbeeldig in hun ijver, maar ook in de manier waarop zij samenwerken; alle energie wordt in dienst van de kolonie of staat gestopt. Van gelovigen wordt dat ook gevraagd.

 

 

Filippenzen 2:2

 

“maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest.”

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Kleine ratelaar : Rhinanthus minor

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de gele lipbloemen met witte, soms paarsblauwe, korte tanden

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kleine ratelaar is een eenjarige plant, vrij algemeen voorkomend in de Lage Landen, maar de plant staat wel op de rode lijst als sterk afgenomen. Ratelaars zijn halfparasieten. Ze zijn voor water en mineralen afhankelijk van andere planten, met name grassoorten. Zodra de zaden ontkiemen gaan de wortels op zoek naar wortels van andere planten. Andere bouwstoffen die ze nodig hebben, kunnen ze zelf vormen. De gastplant gaat niet dood, maar zal niet zo groot worden als zijn soortgenoten.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine ratelaar bloeit vanaf mei tot en met september met gele lipbloemen, die witte, soms paarsblauwe tanden hebben, die hooguit 1 mm lang zijn. Na de bloei belanden de zaadjes, die onderin de bloem gevormd zijn, in de kelk. De kelk verdroogt en wordt hard. Als de planten bewogen worden hoor je de zaden rammelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Grote en kleine ratelaar lijken veel op elkaar, maar als je ze beiden gezien hebt, kun je ze makkelijk uit elkaar houden. Vooral de grootte van de tanden is een goed kenmerk. En ook de schutbladen zijn heel verschillend. Die van grote ratelaar zijn aan de onderkant van het blad breder en lichter van kleur dan die van kleine ratelaar.

 

 

grote ratelaar : heeft bredere, bleekgroene schutbladen met langere tanden, dan kleine ratelaar.

harige ratelaar : stengel en kelkbladen zijn lang behaard.

 

 

grote ratelaar

 

 

harige ratelaar

 

 

Algemeen

 

bremraapfamilie (Orobanchaseae)
– eenjarig
– vrij algemeen op de Waddeneilanden
– elders vrij tot zeer zeldzaam
– 10 tot 50 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m september
– eindelingse tros
– lipbloem
– 10 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig
– zittend, iets stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– scherp vierkant
– vaak met kleine donkere streepjes

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein springzaad : Impatiens parviflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, lichtgele bloemen met nagenoeg recht spoor aan rechtopstaande stelen en
– de in verhouding tot de bloemen grote, donkergroene bladeren met fijn gezaagde rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein springzaad is eenjarige, kale plant, die groeit op vochtige, matig voedselrijke (omgewerkte) grond in loofbossen, parken en ook tussen riet. Ze wordt 20 tot 60 cm hoog. Oorspronkelijk is ze afkomstig uit Midden- en Zuid-Azië en heeft zich inmiddels verspreid over grote delen van Europa.

 

 

Klein springzaad

 

 

 

Bloem

 

Klein springzaad bloeit vanaf juni tot en met oktober met lichtgele bloemen, die met 4 tot 10 bij elkaar op rechte stelen in okselstandige trossen staan. De bloemen hebben een kort, nagenoeg recht spoor, dat aan het onderste kelkblad zit. Dat kelkblad heeft dezelfde kleur als de bloem. De overige 2 kelkbladen zijn kleiner en groen en zitten aan de zijkant van de bloem. Het bovenste kroonblad heeft een groene kiel. Op de twee onderste kroonbladen en wat dieper in de bloem (aan het begin van de spoor) zitten donkergele vlekken met rode streepjes of stippen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan verspreid aan de stengel. De bovenste zijn groter dan de onderste.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Het verzamelen van zaad is echter lastig, omdat rijpe vruchten bij aanraking openspringen en het zaad wegschieten.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

klein springzaad : lichtgele kleine bloemen, nagenoeg recht spoor (niet teruggekromd), rechtopstaande bloemstelen.

groot springzaad : gele bloemen, krom spoor, hangende bloemstelen.

oranje springzaad : oranje bloemen met roodachtige vlekken, krom spoor, hangende bloemstelen.

reuzenbalsemien : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, krom spoor.

tweekleurig springzaad : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, nagenoeg recht spoor, recent ingeburgerd in stedelijke gebieden.

 

 

groot springzaad

 

 

 

oranje springzaad

 

 

 

reuzenbalsemien

 

 

 

tweekleurig springzaad

 

 

 

Algemeen

 

balsemienfamilie (Balsaminaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 60 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m oktober
– tros, 4 tot 10 bloemen
– gespoord
– incl. spoor tot 1,5 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top toegespits
– rand fijn gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig
– donkergroen
– iets glanzend

Stengel
– rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

 

De winterpostelein of kleine winterpostelein (Claytonia perfoliatasynoniemMontia perfoliata) is een eenjarige plant uit de familie Montiaceae. Vroeger was de soort opgenomen in de posteleinfamilie (Portulacaceae). De soort groeit in Noord-Amerika. Via Cuba is de plant naar West-Europa gekomen. De soort wordt in Engeland, Frankrijk BelgiëNederland en Duitsland verbouwd als winterharde postelein, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd.

 

 

Winterpostelein
Winterpostelein - overzicht
Winterpostelein – overzicht
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: ‘nieuwe’ Tweezaadlobbigen
Clade: Geavanceerde tweezaadlobbigen
Orde: Caryophyllales
Familie: Montiaceae
Geslacht: Claytonia (Winterpostelein)
Soort
Claytonia perfoliata
Donn ex Willd. (1798)
Blad en bloem
Blad en bloem

 

Kenmerken

 

De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Dit zijn geen  kelkbladeren, maar naar de bloem opgerukte gewone bladeren. De gewone blaadjes hieronder hebben een schop-vorm.

De gewone bladeren zijn 2-3 cm groot. De twee om de bloemstengel vergroeide bladeren zijn groter. De witte bloemen zijn klein met 2-3 mm lange kroonbladen. Deze meerjarige plant bloeit van april tot juni. In maart gezaaid bloeit de plant van juni tot in de herfst. De 1 – 1,5 mm grote zaden hebben een mierenbroodje.

 

 

 

 

 

Naamgeving

 

De naam Claytonia komt van John Clayton, een botanicus uit de 17e eeuw. De naam perfoliata (Latijn: per door +folium blad) is gebaseerd op het feit dat de stengel door 2 tot een schotel aaneengegroeide bladeren groeit.

 

 

Teelt

 

planten half oktober

 

 

Wie de plant wil telen kan in juni en juli zaaien, waarbij de zaadhoeveelheid 10 g/m² bedraagt. Een onderlinge afstand van 10 cm tussen de rijen is gewenst. Voor de teelt onder glas moet in de tweede helft van augustus gezaaid worden, waarbij de eerste oogst in november en de tweede in maart valt.

Reeds jonge planten kunnen in de herfst geoogst worden. Wanneer men het hart laat staan, maakt de plant weer nieuwe bladeren. De oogst dient in maart afgesloten te worden voordat de plant gaat bloeien.

Het plantje heeft een sterke voorkeur voor zandige gronden, en zal dus in tuinen met goede grond niet snel als onkruid woekeren. Wel stelt het eisen aan de vochtigheid: het heeft behoefte aan constant vochtige grond. De plant verwacht een zuurgraad tussen 6,1 en 7,8.

 

 

Zaadteelt

 

Zaden

 

 

Voor de teelt van zaad moet er half maart gezaaid worden. De bloei begint in juni tot in de herfst. De zaaddozen moeten voordat ze op de grond vallen geplukt en gedroogd worden.

 

 

 

Gebruik

 

De plant is tegen vorst bestand en daardoor in het vroege voorjaar een belangrijke bron van vitamine C en mineralen als calciummagnesium, en ijzer. In Amerika werd de plant door zowel Indianen als de goudzoekers in Californië gewaardeerd. Voor deze laatsten was het een belangrijk bestrijdingsmiddel van scheurbuik in het vroege voorjaar, wanneer zij gebrek aan vitamine C hadden. Diverse stammen waaronder de Zwartvoetindianen waardeerden overigens niet alleen de zachte blaadjes, maar ook de knollen, die ook eetbaar zijn evenals de wortels.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter T en V

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Tandzaad (Compositae)

 

Het geslacht Tandzaad telt ongeveer 200 soorten, de meeste in Amerika. Zij behoren tot de grootste familie der bloeiende planten, de Compositae of Samengesteldbloemigen. Zoals de naam al aangeeft is datgene wat men voor een bloem aanziet bij deze familie in feite een verzameling heel kleine bloemetjes. Deze zijn gezamenlijk op een bloembodem ingeplant en zien er samen vaak als een ‘gewone’ bloem uit. Wat op het eerste gezicht een normale bloem lijkt is dus in feite een complete bloeiwijze. Deze wordt bij de Samengesteldbloemigen een bloemhoofdje genoemd.

Soms zijn de bloemhoofdjes bolrond, zoals we dat van Distels kennen. Ook bij het geslacht Tandzaad komt dit voor. In ons land zijn vier soorten van dit geslacht in de loop der jaren plaatselijk algemeen geworden, vrijwel altijd op voedselrijke plaatsen langs waterkanten.

De meest algemene soort in ons land is DRIEDELIG TANDZAAD (Bidens tripartitus), een van 3-90 cm hoge, eenjarige plant met rechtopstaande bloemhoofdjes. De vruchtjes hebben 2-4 naalden die met weerhaakjes zijn bezet, waardoor de vruchtjes gemakkelijk door mens en dier verspreid kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor de volgende soort, ZWART TANDZAAD (Bidens frondosus), een eveneens eenjarige plant met oranje-gele bloemhoofdjes. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De samengestelde bladeren bestaan uit 3-5 delen. Komt vooral voor langs rivieren en kanalen.

 

 

 

 

 

 

 

De andere twee soorten, Knikkend tandzaad (B. cernuus) en Vergroeidbladig tandzaad (B. connatus) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van de twee reeds genoemde soorten.

 

 

Vergeet-mij-nietje (Boraginaceae)

 

Het VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis arvensis) is geen erg lastig onkruid, ook al heeft het de neiging zich ongemerkt in de tuin te vestigen. De plant kan zich nogal snel verbreiden, doordat ieder exemplaar ongeveer 700 zaden produceert. De planten zijn echter gemakkelijk door wieden in bedwang te houden. De helderblauwe bloemen van 5 mm doorsnee met vijf bloemblaadjes en een geel oog maken de plant gemakkelijk te herkennen. Ze staan afwisselend, op korte steeltjes, aan het bovenste deel van de lang behaarde stengels.

Vóór de bloei zijn de stengels aan het eind naar binnen opgerold. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De onderste bladeren zijn gesteeld en rondachtig-ovaal: ze vormen een rozet aan de basis; de stengel-bladeren groeien afwisselend en zijn lancetvormig en stengelomvattend. Alle bladeren zijn aan weerszijden behaard. Het vergeet-mij-nietje is een eenjarige plant van 120 tot 60 cm hoogte. Algemeen voorkomend in praktisch geheel Europa, Noord- en Midden-Azië en Noord-Amerika. In ons land vooral op bebouwde zandgrond die rijk is aan humus in lichte bossen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vetmuur (Caryophyllaceae)

 

LIGGENDE VETMUUR (Sagina procumbens) vormt een dichte rozet van lijnvormige blaadjes die 5-12 mm lang zijn en zich aan de top tot een stekelpuntje vernauwen. Uit de rozet komen liggende stengeltjes tevoorschijn met nog kleinere blaadjes, die in groepjes tegenover elkaar staan. Uit iedere groep blaadjes ontspringt een naar verhouding lange bloemsteel met een heel klein wit bloempje, dat vier bloemblaadjes bezig. Soms zijn de bloemblaadjes afwezig en zijn er alleen de vier grotere, groene kelkblaadjes. Dit onkruid komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen op zandgrond, tussen straatstenen, op muren en dergelijke. De bloemen verschijnen van mei tot september en bestuiven zichzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vroegeling (Cruciferae)

 

Vroegeling (Erophila verna) is een heel klein rozetplantje dat zijn witte bloemetjes al vroeg in het jaar laat zien (februari-mei). De grootste hoogte die het plantje bereikt is 15 cm; soms is het niet hoger dan 3 cm. De bloemblaadjes zijn, zoals altijd bij de Kruisbloemenfamilie, vier in getal, maar ze zijn zo diep ingesneden dat het lijkt alsof het er acht zijn. De bladeren zijn spatelvormig tot lancetvormig, behaard en met of zonder getande randen. Uit het centrum van de rozet ontstaan verscheidene stengeltjes, die ieder een bloeiwijze dragen. Zoals de naam al zegt is Vroegeling een van de vroegst bloeiende wilde plantjes; het is een vormenrijke soort die voorkomt in geheel Europa, in Noord-Amerika, Noord-Afrika en Noord-Azië. Bij ons algemeen (en soms massaal voorkomend) op open, zandige terreinen, langs wegen, in parken en in de duinen. Ook op veengrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter S

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

 

De Schermbloemigen met fijn verdeelde bladeren (Umbelliferae)

 

Deze schermbloemigen vormen een charmante groep planten, die op hun mooist uitkomen wanneer ze in de wegberm of op een dijk groeien waar ze uitsteken boven de andere begroeiing. Fluitenkruid heeft niet voor niets de bijnaam ‘Hollands kant’. Zelfs wanneer deze planten de tuin binnendringen hoeft men dat niet te betreuren. Hun diep uit de grond voedsel halende penwortels brengen namelijk waardevolle mineralen naar boven waardoor die ook voor ondiep wortelende planten ter beschikking komen. Zorg er echter wel voor dat deze onkruiden niet tot zaadvorming komen: Wilde peen bijvoorbeeld brengt per plant ongeveer 4000 zaden voort en 4000 penen is wel wat veel van het goede.

 

 

Fluitekruid

 

FLUITEKRUID (Anthriscus sylvestris) is een overblijvende plant van 0,60 tot 1,50 meter hoog, met wijd vertakte ondergrondse stengels, die binnen korte tijd een flink stuk grond in beslag kunnen nemen. De zachte, heldergroene bladeren staan afwisselend, zijn tot 30 cm lang en 2-3 maal geveerd met ruw gezaagde randen. Ze komen tevoorschijn uit gegroefde scheden op de holle, eveneens van groeven voorziene stengels, die aan de onderkant donzig behaard zijn en aan de bovenkant kaal. De bloeiwijze is een eindstandig, samengesteld scherm met kleine witte bloemen die vijf bloemblaadjes hebben. De vruchtjes zijn langwerpig, kaal en zwart, met twee snavels aan de top.

Fluitekruid is inheems in Europa, Noord-Azië en Noord-Afrika. In ons land een zeer algemene verschijning op grazige, vochtige plaatsen, langs wegen en dijken en in vochtige loofbossen. De bloeitijd is mei-juni.

 

 

 

fluitekruid

 

 

 

 

 

Hondspeterselie

 

HONDSPETERSELIE (Aethusa cynapium) is een vertakte, eenjarige plant, die een grote variatie in afmetingen vertoont: gewoonlijk is hij tussen 30 en 90 cm hoog, maar er zijn ook exemplaren bekend van 3 cm hoog en andere die wel 2 meter bereiken! De holle stengels zijn blauwachtig van kleur en voorzien van fijne ribbels; de bladeren staan afwisselend en hebben een donkergroene kleur; ze zijn niet zo fijn verdeeld als bij de voorgaande soort. Ook hier staan de bloemen in samengestelde schermen, maar deze zijn minder dicht; aan de onderkant zitten omwindseltjes met drie tot vier bladeren.

De bloemen verschijnen van juni tot in de herfst. Wanneer de vruchtjes rijp worden buigen de steeltjes zich naar beneden terwijl de vruchtjes zelf rechtop staan. Ze zijn eivormig en geribbeld, zonder snavels. Alle delen van de plant zijn giftig. Er zijn vergiftigingen bekend in gevallen dat de bladeren waren aangezien voor die van gewone peterselie en de wortels voor jonge raapjes of radijzen. Hoewel dieren de planten weigeren te eten vanwege de onaangename geur, eten zij ze wèl wanneer de planten in hooi verwerkt zijn. Door het drogen zijn de giftige eigenschappen dan verdwenen. Hondspeterselie komt voor in de meeste delen van Europa en is in ons land algemeen langs wegen, op bouwland, in moestuinen en dergelijke.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Peen

 

PEEN (Daucus carota) is een tweejarige plant die 30 tot 90 cm hoog wordt. De slanke stengels staan rechtop en zijn vertakt; ze zijn hol, geribbeld, en borstelig behaard. De fijne verdeling van de afwisselend staande bladeren doet de plant eruit zien alsof hij gemaakt is van kant. De kleine witte bloempjes zitten in dichte, samengestelde schermen, die aan de voet een groot aantal schutblaadjes bezitten. Het middelste bloemetjes in het scherm is vaak rood of paars.

Na de bloei krommen de stelen van het scherm zich naar boven, waardoor als het ware een vogelnestje ontstaat. De vruchtjes zijn langwerpig, met en afgeplatte en een geribbelde, borstelige zijde. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst en het verspreidingsgebied omvat geheel Europa en een groot deel van Noord-Amerika. In ons land algemeen op grazige plaatsen, langs dijken en wegen. Dit is de stamvorm van de gekweekte peen.

 

 

 

 

 

 

 

Spurrie (Caryophyllaceae)

 

GEWONE SPURRIE (Spergula arvensis) lijkt wel wat op Kleefkruid. Hij heeft dezelfde manier van groeien en dezelfde kleverige stengels met de bladeren in kransen. Maar terwijl bij Kleefkruid de bladeren lancetvormig zijn, zijn die van Gewone spurrie lijnvormig. De rangschikking van de bloemen is ook anders, ze staan eindstandig in open groepjes; de vijf bloemblaadje zijn wit. De bloeiperiode loopt van april tot in de herfst. Deze eenjarige plant wordt 15 tot 30 cm hoog. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa. In ons land algemeen op zandgrond; wordt ook gekweekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter M,O en P

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Madeliefje (Compositae)

 

Een van de meest algemene en bekende planten in ons land is het Madeliefje (Bellis perennis). De bladeren liggen in een rozet op de grond; ze zijn glanzend en ovaal tot spatelvormig. Aan de top zijn ze breed en rond, aan de basis lopen ze uit in een korte, brede bladsteel. De behaarde bloeistengel is bladerloos en eindigt in een enkele, rood aangelopen knop die uitgroeit tot een bloemhoofdje met talrijke witte straalbloempjes rond een kussentje heldergele buisbloempjes. Het wit is van onderen rood (soms ook aan de bovenkant enigszins rood).

Madeliefje bloeit vaak het hele jaar door, tot zelfs onder de sneeuw! Kinderen vlechten graag slingers van de bloemen. De kruisvaarders gebruikten de plant om wonden te genezen. Veel legenden zijn verbonden met het Madeliefje en het is een van de voorboden van de lente. In Engeland zegt men dat het geen lente is zolang je niet op twaalf madeliefjes tegelijk kan staan! Dat laatste geeft dan tevens aan in welke aantallen dit plantje kan voorkomen. Door de grondrozetten verstikt het het gras in het gazon en hoe lieflijk het plantje ook is, je kunt ook te veel van het goed hebben!

 

 

 

 

 

 

 

De Ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)

 

De inheemse leden van deze familie behoren tot de geslachten Reigersbek en Ooievaarsbek, die beide hun naam te danken hebben aan de lange snavel waarvan de vruchtjes zijn voorzien. Reigersbekken (Erodium) zijn te onderscheiden van Ooievaarsbekken (Geranium) doordat ze veervormig ingesneden of geveerde bladeren hebben, schermvormige bloeiwijzen met meestal drie tot negen bloemen en veel langere snavels. De wilde Geraniums moeten niet verward worden met de sierplanten uit het geslacht Pelargonium, die gewoonlijk – foutief – eveneens Geraniums worden genoemd.

 

 

Gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

 

gewone reigersbek

 

 

 

Gewone ooievaarsbek

 

gewone ooievaarsbek

 

 

 

 

 

 

Slipbladige Ooievaarsbek

 

De onderste bladeren van de SLIPBLADIGE OOIEVAARSBEK (Geranium dissectum) staan twee aan twee op lange bladstelen en zijn diep ingesneden tot 5-9 slippen. Deze slippen zijn op hun beurt ook nog weer ingesneden. De vijf purperkleurige (soms roze) bloemblaadjes zijn gekerfd, zodat het lijkt alsof er tien zijn. Het is een een- of tweejarige plant, met dichtbehaarde stengels die vertakt zijn, waardoor het uiterlijk vaak nogal onregelmatig is. De bloeitijd is van mei tot en met september. Deze soort komt voor in Europa en West-Azië en verwilderd in Amerika. In ons land plaatselijk vrij algemeen op kleigrond, aan wegen en dijken. De aanwezigheid van deze plant wijst op een voedselrijke grond.

Alle Ooievaarsbekken zijn betrekkelijk goed bestand tegen selectieve onkruidbestrijdingsmiddelen. Zo nodig kan het best gespoten worden als de kiemplantjes nog klein zijn. Overigens zijn ze gemakkelijk voor wieden onder de duim houden.

 

 

 

slipbladige ooievaarsbek

 

 

 

 

Robertskruid

 

ROBERTSKRUID (Geranium robertianum) is een plant met een aantrekkelijk uiterlijk. Gemakkelijk te herkennen door de ronde stengels, die sappig en behaard zijn, door de sterk verdeelde bladeren, die in de herfst eveneens rood kleuren en door de roze bloemen met vijf niet-ingesneden bloemblaadjes. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De hele plant heeft een sterke geur. Het is een een- of tweejarige plant met aan de basis vertakte stengels die 10 tot 50 cm lang worden. De tegenoverstaande bladeren hebben 3-5 slippen die aan de rand zijn ingesneden. Robertskruid komt voor in geheel Europa, in Noord- en Midden-Azië en in Noord-Amerika; verwilderd in Zuid-Amerika. In een groot deel van ons land algemeen op vochtige beschaduwde plaatsen, soms tegen muren.

 

robertskruid

 

klein robertskruid

 

robertskruid

 

 

 

 

Gewone Reigersbek

 

De GEWONE REIGERSBEK (Erodium cicutarium) is een slordig groeiende plant met liggende, behaarde stengels. De violet-roze (soms witte) bloemen zijn naar verhouding groot en staan met meestal 5-7 bijeen in een schermpje. Van de bloembladeren hebben er gewoonlijk twee een donkere vlek aan de basis. De snavels van de vruchtjes hebben een lengte van 25-35 mm. De plant kan zowel een- als tweejarig zijn en wordt 8 tot 60 cm hoog. De geveerde bladeren variëren in lengte van 2 tot 20 cm. Ze zijn tegenoverstaand en de blaadjes waaruit het blad is opgebouwd staan afwisselend en zijn ook weer ingesneden. De bloeitijd strekt zich uit van april tot in de herfst. Inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land algemeen op zandgronden, vooral wanneer die rijk aan stikstof is.

 

 

gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

 

gewone reigersbek

 

 

 

Paardenbloem (Compositae)

 

De PAARDENBLOEM (Taraxacum officinale) is ongeveer net zo algemeen als het Madeliefje maar heel wat lastiger. Aan de andere kant echter is de plant uitstekend te gebruiken in de keuken: hij bevat meer vitaminen A en C dan bijna elke andere groente of vrucht en de enigszins bittere bladeren verrijken iedere salade. Paardenbloem is verder ook een zeer heilzame plant: hij stimuleert de bloedsomloop, de lever, de spijsverteringsorganen en speciaal de nieren en de blaas.

Als tuinonkruid moet men er echter mee oppassen, want de plant neemt ongeveer driemaal zoveel ijzer uit de grond op als andere planten en ook koper en andere voedingsstoffen. Vandaar zijn waarde in een salade! Het is ook een slechte buur voor andere planten, doordat hij ethyleengas uitscheidt dat deze in hun groei belemmert. We kunnen de stoffen die hij uit de grond haalt ten nutte maken door de plant te composteren. Op die manier komen de ‘gestolen zaken’ weer in de grond terug, waar ondieper wortelende planten ze kunnen opnemen. Men kan van de plant ook een vloeibare meststof maken die op de bladeren van tuinplanten wordt gespoten en tegelijkertijd dient als afweermiddel tegen insecten.

De bladeren van de Paardenbloem met hun tandvormige slippen zitten in een grondrozet die groeit uit een al dan niet vertakte penwortel. De bloemen kunnen onder gunstige omstandigheden het hele jaar door verschijnen, maar de hoofdbloei valt in mei. De gele bloemhoofdjes staan afzonderlijk op een holle, onbebladerde, soms rode stengel, die een wit melksap bevat. Ze worden bezocht door een grote verscheidenheid aan insecten. Na de bloei ontstaan de bekende pluizenbollen, waaruit als men er tegen blaast de parachuutjes met daaraan de zaden tevoorschijn komen. De bloemhoofdjes openen zich ’s morgens tussen zes en zeven. Het verspreidingsgebied omvat het gehele gematigde en koude deel van het noordelijk halfrond. In ons land algemeen op allerlei plaatsen en alle grondsoorten.

 

paardenbloem

 

paardenbloem

 

 

 

 

 

Papegaaiekruid (Amaranthaceae)

 

PAPEGAAIEKRUID (Amaranthus retroflexus) is oorspronkelijk afkomstig uit Amerika, maar is tegenwoordig verspreid over bijna de gehele wereld. De stevige stengel, grijsgroen en dicht kortbehaard, is meestal vertakt, vooral aan de top. De voet van de stengels is vaak roodachtig. De hoogte van de plant varieert van 15 cm tot 1 m. De enigszins hangende bladeren staan afwisselend en zijn langgesteeld; ze zijn ruitvormig-eirond en naar de top en de voet enigszins versmald. De bladeren zijn behaard en hebben opvallende nerven, vooral aan de onderkant. Onder de kleine groene bloempjes zitten stijve, scherp gepunte schutblaadjes.

De bloemen vormen dichte aren in de bladoksels van 1-5 cm lang. De bloeistengel wordt bekroond door een dicht groepje van deze aren ter lengte van 5-20 cm. De bloeitijd is juli tot en met oktober. Papegaaiekruid bevat soms buitengewoon veel stikstofverbindingen, waardoor hij giftig is voor het vee. Varkens eten deze plant echter graag (vandaar de Engelse naam Pigweed ofwel Varkenskruid). In ons land is deze plant thans vrij algemeen, behalve in het noorden en in Zuid-Limburg.