categorie : religie
Pasteltekening van John Astria
|
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
Pasteltekening van John Astria
|
Helend bloed voor de eeuwigheid
Pasteltekening van John Astria
|
Pasteltekening van John Astria
.
“Niet bang voor de dood”, wat is toch wel het geheim dat achter deze woorden schuilt? Is het misschien de terugblik op een “goed” leven, die iemand de moed geeft om niet bang te zijn voor de dood? Of misschien de gedachte, dat met de dood alle leven voorbij is? Zo min het een als het ander.
Waarom strijdt het redeloze dier, dat geen eeuwigheidsbesef heeft zijn doodstrijd dan? Waarom wordt de dood als een vijand der mensen gezien? Omdat de dood onnatuurlijk is en het leven natuurlijk. Het was Gods bedoeling niet, dat de mens sterven zou. Maar door de zonde is de dood. Adam zondigde, en door zijn zonde is de dood in de wereld gekomen. De dood gaat door tot alle mensen.
Daar is doodsvrees in het menselijk hart. De dood wordt beschouwd als een vijand, die een prooi grijpt om hem niet weer los te laten. Er bestaat echter een mogelijkheid om uit de klauwen van de dood te worden gered, omdat er één geweest is, die aan de dood zijn macht ontnomen heeft. Jezus Christus, de Zoon van God, ging vrijwillig in de dood, Hij stierf voor zondaars aan een kruishout, maar Hij stond op en voer ten hemel. Hij kan zeggen:
“Ik ben de eerste en de laatste, en de levende,
en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend
tot in alle eeuwigheid en ik heb de sleutels
van de dood en van de hades” Openb. 1 : 18.
Op een andere plaats zegt Hij:
“Ik leef, daarom zult ook Gij leven”.
Zie, dat is het geheim, dat achter de hierboven aangehaalde woorden ligt. Jezus Christus heeft de sleutels! Als u Hem kent als uw verlosser en Heiland, dan hoeft u ook niet bang voor de dood te zijn. Omdat Hij leeft zult ook u leven.
Indien u Hem niet kent, dan zult u toch ook niet in de dood blijven. Christus heeft de sleutels van de dood en zal ze gebruiken. De dood is het eindstadium niet. Eenmaal zal de dood zijn prooi wedergeven. Niet alleen zij, die in Christus geloven, zullen opstaan en het leven ingaan. Neen ook zij, die Hem niet wilden aannemen, zullen uit het graf verrijzen, echter niet om het leven te ontvangen:
“En de dood en de hades gaven de doden, die in
hen waren. En indien iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des
evens, die werd geworpen in de poel des vuurs” Op. 20:15
Hun laatste plaats zal zijn in de poel des vuurs, ook genoemd de tweede dood. Wie Jezus Christus niet kent als redder en zaligmaker, mag vrezen voor de dood. Zo iemand werd eenmaal geboren, maar zal dan tweemaal sterven.
De eerste maal gaat een ongelovige naar het dodenrijk, de tweede maal naar de poel des vuurs.
Aanvaard Jezus Christus als het zoenoffer voor uw zonden. Dan wordt u twee maal geboren: eenmaal natuurlijk, de tweede maal geestelijk, maar u sterft dan slechts eenmaal, om daarna opgewekt te worden en de heerlijkheid n te gaan.
” Wel gelukzalig en heilig, die aan de eerste opstanding deel heeft; over deze heeft de tweede dood geen macht”. Openb. 20: 6.
.
.
.
.
Doe de/een voor jou vertrouwde ontspanningsoefening totdat je volledig ontspannen bent. Totdat je je kalm en vredig voelt. Je lichaam en geest zijn nu ontspannen. Je bent daardoor ontvankelijk om je van de informatie bewust te worden, tegelijkertijd te verwerken en om tenslotte het geschenk van genade in ontvangst te nemen. Onze broeders en zusters aan de andere kant van de sluiers hebben ons verlangen en onze bereidheid om genade te ontvangen gehoord en zijn aanwezig om ons die te schenken.
Bij ons is op dit moment onze vaste begeleider Aartsengel Michaël aanwezig en staat te popelen om zijn boodschap door te geven. Naast hem zie ik Meester St. Germain die tijdens alle bijenkomsten die over de karmische patronen gaan aanwezig is om met zijn violette vlam het desbetreffende patroon iedere keer te zuiveren bij degenen die toestemming hebben verleent.
Dus bij deze vraag ik jullie om nu wel of geen toestemming te verlenen aan meester St. Germain om je te bevrijden van het karmische patroon van vooroordelen dat we vandaag gaan behandelen. Als je het nu één keer doet hoef je het daarna niet meer te herhalen. Ik zie ook moeder Maria en lady Faith, het vrouwelijke aspect van Aartsengel Michaël en zoals altijd is ook Meester Sananda aanwezig.
Ieder van hen heeft een schare engelen meegenomen om ons vandaag te beschermen en onze energie op peil te houden zodat wij de kracht en de moed zullen hebben om alle aspecten van dat karmische patroon te onderkennen, te accepteren en het vervolgens voorgoed los te laten.
Lieve vrienden, children of love, ik ben Michael. Zoals ik al eerder aangekondigd heb, zullen we het vandaag over het karmische patroon van voor-oordelen hebben. Het koesteren van oordelen is inherent aan het dualistische bewustzijn, aan de afgescheidenheid van de bron. Oordelen en vooroordelen hebben een belangrijke functie gehad, namelijk de dualiteit te dienen. Op deze wijze konden jullie begrijpen wat goed en wat slecht is, wat moet en wat niet mag doorzien en wat wel of niet gevaarlijk is onderscheiden.
Oordelen en vooroordelen hebben jullie nodig gehad om tussen goed en kwaad te kunnen kiezen. Deze functie was noodzakelijk anders zou jullie bewustzijn niet hebben kunnen groeien. Het huidige bewustzijn is eigenlijk aan de dualiteit te danken. Aan het kunnen onderscheiden van wat wenselijk of pijnlijk is. Op alles wat jullie bewustzijn binnenkomt, hebben jullie etiketten geplakt.
Alle handelingen, ideeën, eigenschappen, verschijnselen en alles wat in het dualistische bewustzijn bestaat, is voorzien van een etiket met de waardering goed of slecht, mooi of lelijk, groot of klein, van moet en van mag, van gevaarlijk, aangenaam of pijnlijk.
Niets in het dualistisch bewustzijn is vrij van een oordeel. Alles wordt beoordeeld op het moment dat het de hersenen bereikt. Oordelen liggen aan de basis van het ontstaan van vooroordelen. Vooroordelen zijn afkomstig uit angst. Angst om fouten te maken, angst voor je leven, je eigenwaarde, je bestaansrecht, angst voor armoede, pijn, afwijzing, straf of mislukking.
Vooroordelen beperken jullie vrijheid, lieve vrienden. Vooroordelen staan de onvoorwaardelijke liefde in de weg. Onvoorwaardelijkheid staat tegenover vooroordelen. Door vooroordelen ben je geneigd om voorwaardelijk van iemand te houden, om alles te doen onder voorwaarden, ik doe dit als jij dat voor me doet. Dat is niet verkeerd, lieve vrienden. Begrijp me goed, wij oordelen niet, laat staan dat we jullie veroordelen. Maar de tijd van de vooroordelen, de tijd van voorwaardelijkheid loopt ten einde.
De tijd van onvoorwaardelijkheid is aangebroken. Laten we een van de vaak voorkomende vooroordelen aansnijden zodat jullie beter kunnen begrijpen wat de gevolgen van een aantal vooroordelen kunnen zijn. Een van de oudste vooroordelen, reeds ontstaan bij het begin van jullie komst in de dualiteit is het vooroordeel dat mensen die anders zijn dan jezelf, gevaar betekenen.
Dat is een basis oordeel dat nog steeds jullie culturen, op enkelen na, blijft beïnvloeden. Nazisme, nationalisme en racisme – met alle gevolgen van dien -blijven jullie planeet verontreinigen. Maar ook ruimer bekeken, alle ideeën omtrent het anders zijn leiden tot afgescheidenheid, vooroordelen, haat en geweld. We zien hoe jullie nog steeds mensen die er anders uitzien of een andere levensstijl hebben, vermijden, vervolgen, vernederen of zelfs met geweld uitroeien.
Dat vooroordeel (het onbekende is bedreigend) staat eenheid en liefde in de weg. Vanuit dat vooroordeel zijn talrijke oorlogen ontketend en is zoveel lijden voortgekomen dat leven na leven telkens groter en sterker werd. De angst voor het onbekende heeft ook veroorzaakt dat andersdenkenden, mensen met een andere culturele achtergrond als bedreiging werden gezien.
De mildste reactie op die broeders en zusters was hen uitsluiten, buiten de gemeenschap. Maar er zijn periodes in jullie geschiedenis dat mensen die anders waren, gestenigd, verbrand of op een andere manier gemarteld werden. Denk aan onze zusters die heks, kruidenvrouwtje of genezeres waren.
Denk aan de bloedige vervolgingen gedurende de Middeleeuwen. Denk ook aan de heilige oorlogen van de Westerlingen die in Naam van God alle niet Christenen de dood injoegen mits zij zich tot het Christendom bekeerden. Dat vooroordeel kende verschillende uitingsvormen: De personen die anders waren vermijden, straffen, doden, uit de gemeenschap verwijderen of bekeren.
Bekeren in de zin dat de persoon net zo moest worden als de rest. En zie, dan komt arrogantie weer kijken. Ik ben beter, ik weet meer dan de ander. Zoals jullie inmiddels begrijpen zijn alle karmische patronen met elkaar verweven. Het een versterkt het ander.
.
.
.
.
We zien dat een groot deel van de mensheid nu verdraagzaam is en open staat voor verscheidenheid en voor multiculturele samenlevingen. Toch vernemen we ook dat diep in jullie zelf, in ieder van jullie, het karmische patroon van vooroordelen nog steeds leeft. Ook in de multiculturele samenlevingen is er nog steeds discriminatie, weliswaar in een milde vorm.
Vrouwen worden nog steeds licht gediscrimineerd in de meest vooruitstrevende samenlevingen. De vooroordelen over vrouwen zitten diep in het onderbewuste verscholen en komen regelmatig aan de oppervlakte bij spontane acties. Neem bijvoorbeeld het vooroordeel dat “Vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen in het maatschappelijk verkeer”. Het is een feit dat over het algemeen vrouwen meer vrouwelijke eigenschappen hebben dan mannen en andersom. Bepaalde beroepen zijn geschikter voor mannen en andere meer voor vrouwen. Dat is een feit.
Maar het koppelen van waardeoordelen aan de mannelijke en de vrouwelijke eigenschappen komt rechtstreeks voort uit oude vooroordelen, die ooit ontstaan zijn om de evolutie van het soort te waarborgen. Deze oude veronderstellingen, deze oude overtuigingen zorgen nu dat vrouwen in de westerse samenlevingen zich gediscrimineerd voelen in het economisch en maatschappelijk leven.
We voelen de pijn van miljoenen vrouwen omdat ze moeizaam aan leidinggevende posities kunnen komen, omdat ze veel meer moeten presteren om dezelfde erkenning en beloning te krijgen als mannen. Op mentaal niveau is een groot deel van de westerse samenleving het erover eens dat er geen waardeoordeel valt te geven over het mannelijke en het vrouwelijke omdat ze niet met elkaar te vergelijken zijn.
Ze zijn verschillend en complementair aan elkaar. Op emotioneel niveau speelt de oude pijn uit vorige levens nog steeds een rol en belemmert de evolutie naar de Eenheid. Een ander gebied waar nog steeds vooroordelen leven die voor pijn, verdriet en afgescheidenheid zorgen is het gebied omtrent seksualiteit. Seksualiteit heeft in de loop van jullie geschiedenis een ontwikkeling ondergaan, van middel om het soort in stand te houden tot de integratie op het hoogste niveau van jullie wezen.
Seksualiteit is niet alleen een fysieke, maar ook een spirituele emotie. Een manier om onvoorwaardelijke liefde tot expressie te brengen. We zien dat er nog steeds vele taboes op seksualiteit rusten. Veel oordelen en vooroordelen. Het meest pijnlijke zien we op kleine schaal in sommige culturen waar vrouwen besneden moeten worden omdat ze geen seksueel genot mogen ervaren. Dat vooroordeel is geworteld in het voorafgaande vooroordeel omtrent de rol van mannen en vrouwen en de mate van waardering daarvoor.
Een ander vooroordeel dat op grote schaal aanwezig is, is discriminatie van homoseksualiteit. Verstandelijk begrijpen jullie wel dat het oordelen en discrimineren van homoseksualiteit onzinnig is en dat het getuigt van gebrek aan liefde. Jullie hebben zelfs het huwelijk tussen dezelfde sekse gelegaliseerd. Toch leeft in ieder van jullie, ja in ieder van jullie, nog steeds – in een subtiele vorm weliswaar – het vooroordeel dat homoseksualiteit iets verkeerds is, iets onnatuurlijks en daarom boezemt het jullie angst in. Kijk eerlijk naar je zelf lieve vrienden, we willen jullie daarmee niet kwetsen.
We houden onvoorwaardelijk van jullie. We willen jullie absoluut niet beoordelen of veroordelen. Wij vragen alleen: Aanvaardt de sporen van dat oude karmische patroon. Het is ooit ontstaan om jullie soort te beschermen. En als je dat aanvaardt, ben je pas in staat om er afstand ervan te nemen. Begrijp dat je dat vooroordeel niet meer nodig hebt. Jullie zijn in staat om zonder vooroordelen jullie koers in het leven uit te zetten.
Jullie zijn in staat om met onvoorwaardelijkheid en verscheidenheid om te gaan. Dat verzekeren wij jullie. Daarom bieden we jullie de gelegenheid NU om jezelf te bevrijden van dit karmische patroon dat de onvoorwaardelijke liefde en Eenheid in de weg staat.
Laten we nog meer aspecten van oordelen en vooroordelen belichten zodat jullie bewustzijn geprikkeld wordt om je eigen persoonlijke vormen van vooroordelen te ontdekken.Vooroordelen hebben altijd een functie gehad, met name om als kompas te fungeren bij het creëren van je leven, ook al waren jullie je niet eens bewust dat je zelf je eigen leven creëerde. De vooroordelen waren de bakens waarbinnen jullie konden handelen. Die werden klakkeloos aangenomen.
Zelfs de religies die allemaal aan jullie geschonken zijn door onze broeders en zusters, die op aarde te incarneerden om jullie de waarheid te laten zien, zijn door vooroordelen bezoedeld. Religieuze leiders hebben uit onwetendheid en uit de behoefte aan macht velerlei vooroordelen en mythen gecreëerd omtrent de essentie.
Ze hebben de heilige boodschappen zodanig geïnterpreteerd en vervormd dat ze aan de bestaande vooroordelen konden voldoen. Laten we het Christendom eens onder de loep nemen en een aantal leugens en onwaarheden bekijken: God zetelt op zijn troon en beloont of straft, de vromen komen in het paradijs, de zondaren in de hel, homoseksualiteit is een zonde, geboortebeperking is een zonde, ieder mens is in de kern een zondaar, door gebeden en biechten worden je zonden vergeven, op zondag mag niet worden gewerkt, en nog veel meer.
Ooit hadden deze leugens een functie. Met name om bepaalde grenzen aan het gedrag van mensen te stellen om geweld en chaos zouden beperken. Tot op heden hebben nog steeds vele van jullie deze functie niet begrepen en neemt men nog steeds klakkeloos alle regels van de Kerken aan zonder naar het eigen hart te luisteren. Lieve broeders en zusters, de tijden dat jullie grenzen nodig hadden om geweld en chaos te beperken zijn Nu voorbij.
De meerderheid van jullie, onze menselijke broeders en zusters, is reeds in staat om zelf grenzen te stellen en om de eigen waarheid over God, Liefde en het Leven te scheppen. Een andere leugen, die nog steeds diep in jullie beleving gegrift is, is de overtuiging, de veronderstelling, het vooroordeel, dat de dood het einde van alles betekent. Dat is een misvatting, lieverds. Dat is geboren uit onwetendheid, het gevolg van de afgescheidenheid waardoor jullie het contact met jullie ziel kwijt zijn geraakt.
Het is onmogelijk om het leven te beëindigen. Het leven is oneindig, het is eeuwig. Alleen de vorm verandert voortdurend. Wat vinden jullie van de misvatting dat het lot, of het toeval, bepaalt wat er in je leven gebeurt? Wat vinden jullie van de misvatting dat karma een kwestie van schuld is, die afbetaald moet worden? Dat zijn allemaal leugens en vooroordelen die gezorgd hebben dat jullie steeds verder van jullie kern afdreven en je onmachtig zijn gaan voelen.
Ze hebben de mythe in jullie collectief onbewuste geschapen dat jullie slachtoffers van het lot zijn of dat jullie overgeleverd zijn aan een strenge machtige God die vanaf zijn troon oordeelt. Ze staan daarom jullie creativiteit, het goddelijk geschenk om te mogen scheppen, in de weg. Ze bedekken jullie vermogen om onvoorwaardelijk lief te hebben, om vreugde en overvloed te ervaren, met een dikke ondoorzichtige sluier. Hoe kun je vreugdevol en spontaan zijn als je altijd angstig, onmachtig en inferieur voelt?
Hoe kun je krachtig, liefdevol en tevreden leven als je er van overtuigd bent dat niemand te vertrouwen is, dat je waardeloos, slecht en altijd op je hoede moet zijn? Zien jullie nu in lieve vrienden, hoe deze leugens en vooroordelen jullie visie op jezelf beïnvloeden? Hoe denk je over jezelf, broeder en zuster? Wat zijn je eigen oordelen over jezelf? Ben je de moeite waard om vreugde, liefde en overvloed te ervaren?
Ben je goed genoeg? Hou je eigenlijk wel onvoorwaardelijk van jezelf? Aan welke eisen moet je voldoen om de moeite waard te zijn? Om succes te hebben? Hoe moet je bewijzen dat je goed en waardevol bent? Moet je beter dan je vrienden zijn? Beter dan je ouders? Beter dan je baas? Wat moet je doen om aanzien te krijgen of om bewonderd en gerespecteerd te worden?
Lieve vrienden, waardeoordelen en vooroordelen over jezelf en de ander staan jullie vrijheid, jullie vrije expressie in de weg. Deze zijn niet je eigen waarheid. Het is de collectieve waarheid van de mensheid gevormd door de zeven karmische patronen gedurende jullie evolutie op aarde. Jullie hebben deze verhalen, deze leugens, deze waardeoordelen geërfd bij de geboorte en ze zijn versterkt door de opvoeding en het leven zelf.
Ze zitten nog steeds in jullie onbewuste, ook bij jullie broeders en zusters die in de vierde dimensie verkeren. Ze vervormen en belemmeren jullie groei, jullie kracht. Ze beïnvloeden nog steeds jullie leven en creëren nog steeds karma. We vragen jullie om NU diep in jezelf te kijken en je eigen waardeoordelen, overtuigingen en vooroordelen over jezelf en anderen op te sporen, deze te accepteren te begrijpen, jezelf te vergeven en ze los te laten.
Meester St. Germain staat klaar om met zijn violette vlam het karmische patroon van vooroordelen te transformeren. Dit leven, dit huidige leven, lieve vrienden, is voor jullie allemaal het laatste leven in de derde dimensie en dus om de kans om bevrijd te worden van het karma die de karmische patronen hebben opgebouwd van het begin van hun ontstaan tot nu.
Jullie bevrijden jezelf van het karma dat jullie gecreëerd hebben leven na leven aan de hand van vooroordelen en de schade die jullie daarmee aangericht hebben. Maak gebruik van deze gelegenheid en bevrijdt jezelf van de ketens van de dualiteit. Weet dat de volgende stap, de stap naar de Eenheid is. De stap naar de onvoorwaardelijke liefde. Dat is je toekomst. De toekomst hoeft niet ver weg te liggen, vrienden. De toekomst kan er NU voor jou zijn.
Gebruik deze kans, lieve vrienden. Iedere keer dat je vanaf morgen jezelf er op betrapt dat je aan de hand van een vooroordeel handelt, wees er dan van verzekerd dat je dat onmiddellijk zult ontdekken, je ervan bewust zal worden en dat onmiddellijk zult veranderen. Dat is de weg die jullie gaan volgen totdat het karmische patroon of beter gezegd de gewoonte om te handelen vanuit oordelen en vooroordelen, is afgebouwd en tenslotte verdwenen.
Vandaag hebben jullie de kans om bevrijd te worden van het karma als gevolg van dit opgebouwde karmische patroon. Helaas het is onmogelijk om een karmische patroon direct door dispensatie los te laten. Het karma van dat karmische patroon zal kwijt worden gescholden, maar de gewoonte om vanuit dat karmische patroon te denken, voelen en handelen is een proces dat geleidelijk aan zal plaatsvinden, door bewustwording, keer op keer, dat je vanuit oordelen denkt, voelt of handelt.
Lieve vrienden, children of love, we houden onvoorwaardelijk van jullie en we voelen de behoefte om ons nu met jullie te verbinden. Laten we het volgende doen: Stel je ongeveer 60 centimeter boven je kruin een stralende gouden bol voor. Deze bol symboliseert jullie hogere Zelf. Hij zit nog steeds boven jullie hoofd. De komende tijd – dagen, maanden of jaren – zal jullie hogere Zelf in jullie lichaam indalen. Voorlopig moeten jullie genoegen nemen met het feit dat je je op elk moment met je hogere Zelf kan verbinden.
Ga met je aandacht naar je hogere Zelf en vraag of hij bereid is bezit te nemen van je mind, je denken en voelen. Vraag of hij bereid is om voortaan je leven te besturen. We verzekeren jullie dat het antwoord altijd JA zal zijn. Je hogere Zelf is jouw essentie, het is onmogelijk dat het niet verlangt om zich met je huidige persoonlijkheid te verenigen. Leven na leven heeft jullie hogere Zelf je bijgestaan en jullie hebben het opgemerkt als je intuïtie of als je beschermengel in moeilijke tijden. Bij sommigen van jullie neemt het hogere Zelf regelmatig bezit van de mind en verlicht je pad, maar het is onmogelijk om permanent te blijven.
Ga nu met je aandacht naar je kruin en laat symbolisch een energielijn naar je hogere zelf lopen. Dat staat op energetisch niveau symbool voor een verzoek om verbinding. Je hogere Zelf reageert direct door een energielijn terug te zenden naar je hart en vervolgens van daar uit naar je kruin. Op energetisch nivo zijn jullie nu met je hogere Zelf verbonden. Vanuit deze verbinding zijn jullie vrij om met ons, met elkaar en met alles wat is te verbinden.
Als je wil kun je lijnen sturen naar de mensen die nu om je heen zijn, naar de mensen van wie je houdt, naar mensen over de hele wereld, naar ons, naar het engelenrijk of naar de Meesters, naar de bomen, de zon, de maan, de dieren, naar de zee en de dieren die daar in leven. Vanuit je hogere Zelf kun je permanent verbonden zijn met alles wat is.
Jullie zijn gezegend mijn vrienden, children of love.
.
We houden onvoorwaardelijk van jullie,
Ik ben
Michael.
.
.
.

Bij het benaderen van het boek Openbaring komen we aan bij het laatste hoofdstuk uit Gods verlossingsverhaal dat ons vertelt hoe alles eindigt. Van in het Oude Testament tot aan dit punt hebben we God Zijn verlossingsplan zien uitwerken doorheen Adam, de aartsvaders, de profeten en uiteindelijk Zijn geliefde Zoon Jezus Christus. Nu dat we aan het einde van dit verlossingsplan zijn geraakt, zien we deze Jezus weer opnieuw. Eigenlijk is het deze Jezus die het centrale thema vormt van het gehele boek. Het boek Openbaring onthult bovenal de majesteit en glorie van de Here Jezus. Doorheen het boek Mattheüs lezen we van Zijn geboorte als de Zoon van David, Zijn onderwijs en onderwijs, terwijl Hij hier op aarde verbleef en evenzeer Zijn dood en opstanding. Al deze dingen bevestigen Zijn goddelijkheid en dat Hij de Messias is. Maar waar het boek Mattheüs Christus presenteerde in Zijn eerste nederige komst, geeft het boek Openbaring Hem nu in Zijn tweede komst hoog en verheven weer. Ieder visioen en beschrijving van Hem in het boek Openbaring is vol van majesteit, macht en glorie. In dit boek worden de hemelen geopend en kunnen de lezers net zoals Stefanus (Hand.7:56) vooruitziende beelden zien van de opgestane verheerlijkte Zoon van God.
De context geeft aan dat we in het jaar 96n.C. zitten, tijdens de regeerperiode van Domitianus van Rome. De Gemeente onderging in deze periode een grote vervolging. Johannes was verbannen naar een eiland dat gekend stond als Patmos (Op.1:9). Ondanks deze vervolging groeide de Gemeente verder en verspreidde ze zich op een snel tempo doorheen de provincie Asia (niet beperkt tot de steden die genoemd worden in Openbaring). Het is aan deze lijdende gemeente in Asia dat het boek Openbaring is geschreven (1:4). Dit getuigenis over de komende heerlijkheid van Jezus Christus werd opgeschreven en de wereld in gestuurd door de apostel Johannes om Zijn lijdende gemeente aan te moedigen om te volharden te midden van deze vervolging. Hun harten en gedachten werden bepaald bij de bevestigende waarheid dat Christus op een dag zal komen en voor eens en altijd zal overwinnen, regeren en de zijnen tot Zichzelf nemen.
De discipel Johannes had een speciale plaats in het hart van Jezus. Hij had veel met Hem gewandeld en gepraat hier op aarde en wordt in de Evangeliën verschillende keren beschreven als de discipel die de Here liefhad (Joh.13:23; 20:2; 21:7,20). In het Evangelie van Johannes zien we veel van deze speciale relatie. Vele jaren zijn nu voorbij gegaan sinds de dood en opstanding van de Here Jezus en Johannes blijft trouw zijn Heer volgen (Joh.19:35; 21:24; 1 Joh.1:2; 4:14). Johannes is nu zelfs zijn oudere dagen al lijdend aan het doorbrengen omwille van zijn getuigenis van Christus (1:9). Doordat hij het onderwijs en de wonderen van Jezus van dichtbij had kunnen mee volgen, is Johannes nu een trouwe getuige van Gods Woord en Zijn Zoon Jezus Christus (Op.1:2). Met dit allemaal in gedachten is het haast vanzelfsprekend dat Jezus nu net hem, Zijn geliefde vriend en discipel, verkiest om deze openbaring van de komende dingen bekend te maken.
Johannes begint het weergeven van deze openbaring met een erg informatieve inleiding en vermaning. Deze brief is de openbaring die God heeft gegeven aan Zijn Zoon Jezus betreffende de dingen die in de toekomst nog staan te gebeuren. Christus, die reeds gekruisigd en opgestaan was, zit nu op Zijn plaats bij de Vader in de hemel (Heb.1:3). Het eerste bewijs dat de Vader het gehoorzaam leven van Zijn Zoon behaagde was Zijn opstanding; het tweede de hemelvaart en het derde was het sturen van de Heilige Geest. Doordat Hij Zijn Vader op elk mogelijke manier had behaagd, had God Jezus nu een openbaring gegeven om bekend te maken aan Zijn dienaren op aarde. Jezus had Zijn geliefde vriend Johannes gekozen om deze boodschap aan Zijn volk te delen.
Na deze boodschap door een engel van de Heer te hebben ontvangen, schreef Johannes trouw op wat hij over de verrezen Christus had gehoord en gezien. Omdat de gebeurtenissen die hierin beschreven staan spoedig zullen plaatsvinden, vermaant Johannes anderen die Christus volgen om deze woorden luidop te lezen, er gehoor naar te geven en ze te bewaren tot de wederkomst van Christus. De wetenschap dat de gebeurtenissen die worden weergegeven in het boek Openbaring spoedig zullen plaatsvinden zou iedere christen moeten motiveren (zowel nu als toen) om voor de Heer een heilig en gehoorzaam leven te leiden (2Pet.3:14). Degenen die gehoorzaam zijn aan zulk een waarschuwing worden in de ogen van God als gezegend aanschouwd.
Na de verzen 1-3 gaat Johannes verder met het uitbreiden van de inleiding van zijn brief. Het is in deze uitbreiding dat we aanwijzingen vinden over de verdere inhoud van de brief. Dat Johannes zo uitbreidt over de rol van Jezus in 1:5-6 suggereert de centrale plaats die Christus inneemt in dit boek en in de eindtijd. Een deel van die rol zal bestaan uit het meedelen van genade en vrede aan de zeven gemeenten van de Romeinse provincie Asia. Johannes herkende hier de vervolging die die Gemeente destijds meemaakte. Omwille van die vervolging begreep de apostel hoe nodig de zegen van zowel genade als vrede was in moeilijke tijden als deze. Nog interessanter is dat deze zegen van de complete drie-eenheid komt.
Hij “Die is en Die was en Die komt” omkadert de bron van de gehele zegen (1:4, 8). Dit was een punt dat Johannes graag benadrukte door dit gedeelte van het hoofdstuk in te kapselen met deze zin. “De zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn” verwijst mogelijk naar de zevenvoudige Geest uit Jesaja 11:2 of een andere analogie voor de Geest van God. De interpretatie laat ons toe om de “zeven Geesten” hier te zien als de derde persoon van de Drie-eenheid; het werk van de Heilige Geest in de 7 gemeenten! Als we de zeven Geesten hier lezen als Gods Geest houden de verzen 4 en 5 een zegening in van de Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ongeacht of Johannes al dan niet hiernaar verwijst, hij sluit op zijn minst af met Jezus omdat Zijn rol het centrale element is. Uiteindelijk is het ook net door hun trouw aan Jezus dat de lezers van Johannes tegenstand ondervinden uit de synagoge en van Rome.
Johannes geeft hier in vers 5 drie benamingen die weer die de persoon van Jezus beschrijven en in verzen 5-6 drie uiteenzettingen over Zijn werk. Iedere benaming van Jezus in vers 5 geeft een speciale bemoediging aan de lijdende Gemeente: Jezus had getuigd, was uit de dood verrezen en regeert nu. Dat Jezus “de Eerstgeborene uit de doden” wordt genoemd wil zeggen dat Hij de eerste was die ooit verrezen is uit de doden, en dat Hij van al degenen die ooit uit de dood zullen zijn verrezen Hij de grootste plaats inneemt. Deze opstanding was vooral relevant voor de christenen die weldra omwille van Zijn Naam de dood tegemoet zouden treden.
Als de “Eerstgeborene was Jezus’ opstanding een garantie dat degenen die Hem volgden in de dood ook verrezen zouden worden (1 Kor.15:20) – daarom hadden ze niets te vrezen, zelfs niet de dood (Op.1:17-18). Dat Christus ook heerst over de koningen van de aarde was ook verfrissend voor de Gemeente. Dit taalgebruik zinspeelt op Psalm 89:27 waar Gods “eerstgeboren zoon” regeert over “de koningen van de aarde.” Voor de gelovigen die leden onder de vertegenwoordigers van de machtige Caesar was deze benaming van Jezus inderdaad een grote bemoediging!
Bij het opsommen van drie benamingen van Jezus somt Johannes ook drie daden van Jezus op in verzen 5-6: Hij heeft ons lief; Hij bevrijdde ons van onze zonden; en Hij maakte ons tot koningen en priesters. Jezus’ liefde voor ons komt tot uiting in Zijn plaatsvervangende dood. Deze zekerheid van de liefde van Christus zou de lijdende gelovigen bemoedigen; Zijn dood geeft ook een voorbeeld aan degenen die geroepen werden om deel te hebben aan het offer van het Lam in dienst voor Gods missie in de wereld (Op.6:9).
In de verklaring dat Jezus ons tot koningen en priesters heeft gemaakt, herinnert Johannes zijn publiek aan wat God voor hen bewaard heeft; dat is om vertegenwoordigers en aanbidders te zijn (1:6). Als priesters zullen de volgelingen van Jezus aanbidden (Op.4:10-11, 5:8-10) en offeren, zowel de geur van gebed (5:8; 8:4) als het offer van hun eigen levens (6:9). Het plaatsvervangend werk van Jezus voor alle gelovigen gaf dat Johannes los barstte in lofzang voor de verrezen Christus. Door Zijn daad aan het kruis hadden Johannes en zijn lezers alle reden om zich te verheugen. Christus’ vergoten bloed had hun uiteindelijk verlost van hun zonden. Nu waren ze door het offer van Christus door God vergeven zondaren, bevrijd van zonden, dood en hel.
Johannes eindigt zijn groet aan de zeven gemeenten met een bemoedigende belofte (1:7), nog een andere bevestiging van Gods karakter (1:8). De belofte, dat Jezus komt! Dat Jezus zou terugkomen op de wolken geeft Daniël 7:13 en dat degenen die Hem doorstoken hebben rouw zullen hebben weerspiegelt Zacharia 12:10. Jezus zal komen om alles terug recht te zetten en de vervolgers van de Gemeente zullen dat moeten erkennen. Deze hoop dat Christus op een dag terug zal keren en de gelovigen mee zal nemen naar de hemel om voor eeuwig in Zijn nabijheid te leven geeft hoop en troost (Joh.14:1-3; Thess.4:18).
Aan het einde bevestigd Johannes nogmaals dat de gehele geschiedenis in de handen van de Heer is – zowel de toekomst als het heden (1:8). Zijn volk moeten dus niet vrezen dat er ook maar iets zal gebeuren dat buiten Gods plan valt. Hun God is “de Alfa en de Omega” een benaming die zinspeelt op het boek Jesaja waar God wordt aangegeven als de Eerste en de Laatste (Jes.41:4; 44:6; 48:12). Net als “Die is en Die was en Die komt”, is voor God de gehele geschiedenis van begin tot aan het einde hetzelfde.
God is niet enkel Heer over de tijd, maar regeert ook over het universum: Hij is “de Almachtige”, in dit boek een gebruikelijke naam voor God (1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22). Voor de christenen die leden onder Caesar, was de wetenschap dat ze “de Almachtige” dienden iets wat hun kracht verleende. Caesar mag dan wel zijn rijk voor een bepaalde periode hier op aarde regeren, maar God regeert zowel de wereld als haar verloop in de geschiedenis.

Onmiddellijk na zijn groeten aan de zeven gemeenten begint Johannes met het beschrijven van zijn visioen van de verrezen Christus. Hier identificeert de apostel zichzelf nederig als iemand die het lijden van de Gemeente op dat moment deelde. Om wille van de getuigenis van Jezus was het christendom binnen het Romeinse Rijk een gehate en verachte religieuze sekte geworden. Johannes nam deel aan dit lijden is duidelijk omdat hij door de Romeinen verbannen werd op het het eiland Patmos. De leiders uit Johannes’ gemeenschap hadden hem verstoten uit alles wat hem bekend was.
Terwijl hij op de dag des Heren aanbad hoorde Johannes een luide stem hem instrueren: “Wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.” Johannes moest de openbaring van Jezus Christus op een strategische wijze bezorgen aan deze gemeenten, omdat dit zou zorgen voor een snelle en efficiënte verspreiding van de boodschap. Toen Johannes zich omkeerde en een stem “als van een bazuin” hoorde, zag hij ook “zeven gouden kandelaren” (1:12), die in vers 20 benoemt worden als de zeven gemeenten.
Deze kandelaren waren van goud, omdat goud het meest kostbare metaal was. De Gemeente is voor God de meest prachtige en waardevolle entiteit op aarde – zo waardevol dat Jezus bereid was om het te kopen met Zijn eigen bloed (Hand.20:28). Terwijl dit wezenlijke gemeenten waren op echte locaties, staan de zeven kandelaren symbool voor de soorten gemeenten doorheen de gehele kerkgeschiedenis.
In het midden van de gouden kandelaren zag Johannes “Iemand Die op de Zoon des mensen leek” (1:13). Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de Gemeente, Jezus Christus. Wat het meest van belang is hier is dat Jezus verschijnt tussen de kandelaren (1:12-13; 2:1). Omdat Christus deze kandelaren uitlegt als zijnde de Gemeente in haar volheid (1:20), is Zijn verschijning in het visioen tussen de kandelaren een belangrijke bemoediging voor degenen die leden omwille van Zijn Naam. De bemoediging zit in het feit dat Hij hun niet verlaten heeft. Hij is trouw gebleven aan Zijn belofte die Hij maakte in het Evangelie naar Mattheüs: “Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matth.28:20; Heb.13:5).
Het eerste wat Johannes meedeelde was dat Christus gekleed was “in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel” (1:13b). Het gewaad en de gordel verwijzen terug naar de hogepriester in de tempel in het Oude Testament (Ex.28:4; 39:29; Lev.8:7) en suggereert dat Jezus de Hogepriester is van Zijn volk (Rom.8:33-34). De wetenschap dat hun Hogepriester zich medelevend begaf in hun midden om hun te beschermen en verzorgen gaf extra hoop en troost aan de vervolgde gemeenten.
De rest van Johannes’ visioen van de Mensenzoon licht de goddelijkheid van de verrezen Christus toe, waarvan veel was voorzegd in het boek Daniël. Daniël 7:13-14 verwijst naar een figuur die lijkt op een “zoon des mensen” die zou regeren als Gods vertegenwoordiger. De haren als wol en vergelijking met witte sneeuw (1:14) zinspeelt op God zelf, de “Oude van Dagen” uit hetzelfde gedeelte in Daniël. De stem “als het geluid van vele wateren” (1:15; 19:6) verwijst naar de stem van God zelf als vele wateren in Ezechiël 1:24; 43:2.
Het punt van Jezus’ vlammende ogen, witte haar en bronzen voeten (1:14-15) was dat Hij licht of vuur straalde – enorm gelijkaardig aan vele andere visioenen van God in de Bijbel (Ez.1:27; Dan.7:9-10; Op.21:33; 22:5). Om die reden kon Johannes zijn gezicht enkel beschrijven “zoals de zon schijnt in haar kracht” (1:16c). Johannes’ visioen van de verheerlijkte Heer van de Gemeente bereikte haar hoogtepunt in deze beschrijving van de stralende heerlijkheid van Zijn gezicht. De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte staat was van groot belang voor christenen van eender welke afkomst.
De verrezen Heer is machtig, zelfs goddelijk en kan Zijn volk daarom beschermen en kracht geven voor hun vervolgers. Dit is duidelijk in het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij in Zijn rechterhand zeven sterren vasthoudt (of boodschappers/leiders van de Gemeente) (1:16a, 20a). Het doel van Jezus’ omschrijving was niet om aan de gemeenten Zijn voorkomen mee te delen, maar om Zijn macht te verkondigen. Hij was de regerende Heer van het universum, Degene met de macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef naar de vervolgde christenen om hen eraan te herinneren dat God groter dan hun verzoekingen was.
Terwijl het vooruitzicht van Christus bemoedigend zal zijn geweest voor de gemeenten, was Zijn boodschap van nog groter belang. Op een wijze gelijk aan zijn ervaring met de verheerlijking van Jezus op de berg (cf. Matt.7:6) werd Johannes opnieuw met schrik overweldigd bij de verschijning van Christus’ glorie en viel hij “als dood aan Zijn voeten” (1:17). Jezus “legde Zijn rechterhand op” Johannes en sprak tot de bange apostel de rustgevende woorden “wees niet bevreesd” (1:17). Overweldigd door de glorie en majesteit van Christus kon Johannes rust vinden in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving. Deze rustgevende boodschap en zekerheid die Jezus gaf is gebaseerd op zowel wie Hij is en het gezag dat Hij bezit.
Allereerst noemt Jezus Zichzelf “Ik ben” – de verbondsnaam van God (Ex.3:14). Het was met deze naam dat Hij de bevreesde discipelen die Hem op het meer van Galilea zagen lopen geruststelde (Mattheüs. 14:27). Daarna noemt Jezus Zichzelf “de Eerste en de Laatste” wat nog een andere benaming is die in het Oude Testament gebruikt wordt voor God (Jes.44:6; 48:12). Deze benaming bevestigd opnieuw aan Johannes en zijn lezers de goddelijkheid van Christus. Afgeleid van deze naam is het feit dat Jezus al bestond voor alle dingen er waren en zal blijven bestaan tot in de eeuwigheid. Jezus is veel groter en hoger verheven dan eender welke valse god van de omliggende volkeren. Wanneer deze allen zijn gekomen en gegaan, zal enkel Hij nog overblijven.
De hele boodschap van 1:18 heeft ook betrekking op Jezus’ overwinning van de dood. In de Bijbel en Joodse traditie is God de “Levende.” Jezus wordt hier specifiek de “Levende” genoemd omdat Hij, ondanks dat Hij stierf, Hij voor eeuwig leeft. Paulus schreef zelfs dat “Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem” (Rom.6:9). Door uit de dood op te staan garandeerde Jezus eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen ze omwille van Zijn naam de dood in de ogen (20:4). Omdat Christus nu “altijd leeft om voor hen (Zijn volk) te pleiten,” “kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan” (Heb.7:25). Ondanks zijn zondigheid in de aanwezigheid van de glorieuze hemelse Heer had Johannes (en al degenen die in Hem geloofden) niets te vrezen, omdat diezelfde Heer de straf voor zijn zonden had betaald met Zijn dood en verrezen was om nu voor eeuwig zijn advocaat te zijn.
Door Zijn overwinning over de dood heeft Jezus ook “de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf” (Op.1:18). Dat Jezus de sleutels van het dodenrijk bezit geeft aan dat Hij alle macht heeft over de dood. Het zien van zulk een visioen van Christus moet voor Johannes en de Gemeente in de eerste eeuw van grote waarde zijn geweest. In de oude paleizen destijds waren degenen die de sleutels in handen hadden voorname gezagsdragers die konden bepalen of mensen al dan niet in de aanwezigheid van de koning mocht vertoeven. Christus heeft op gelijkaardige wijze het gezag om te beslissen wie sterft en wie leeft; Hij regeert over leven en dood. Door dit te bevatten hadden Johannes en al de verlosten niets te vrezen, omdat Christus hun al van de dood en het dodenrijk had bevrijd door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood gaf aan hen die tot de Gemeente behoren rust en zekerheid, omdat gelovigen niets meer te vrezen hebben.
Aan het eind van het visioen wordt aan Johannes een herinnering gegeven van Zijn goddelijkheid. Op het eerdere gebod van Christus om te schrijven (Op.1:11), wordt nu verder gegaan en aan Johannes wordt gevraagd om drie aspecten op te schrijven. Als eerst “wat u (Johannes) hebt gezien”, het visioen dat hij dus net al gezien en opgeschreven had in verzen 10-16. Ten tweede “wat is”, wat een verwijzing is naar de brieven naar de zeven gemeenten die de toestand van de gemeenten weergaf. En als laatst moest Johannes opschrijven “wat hierna zal geschieden”, de profetische openbaring van de toekomstige dingen die zich ontvouwden in komende visioenen. Christus sluit hier het visioen met Zijn geliefde volgeling door hem te herinneren aan zijn plicht, om de waarheid die hij had geleerd door de visioenen, door te geven.
In het boek Openbaring heeft Christus Zijn Gemeente een erg bemoedigende, maar ook ontnuchterende boodschap gegeven. Doordat de apostel Johannes deze openbaring trouw heeft opgeschreven heeft de vervolgde Gemeente uit die tijd veel rust en zekerheid mogen ontvangen in het feit dat Christus, hun Messias, nu verheerlijkt is. Terwijl ze tegenstand ondervonden, of zelfs de dood door de hand van Caesar, werden ze bemoedigd in het feit dat Christus nog steeds leeft en regeert met Zijn Vader. Hij heeft de dood overwonnen door Zijn leven te geven voor de zonden van mensen. Nu de dood verslagen is blijft enkel de uiteindelijke dag over dat Hij voor de zijnen zal terugkeren. “Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend” (Mc.13:32- 37; 1 Thess.5:2).
Om die reden roept Christus allen uit die tijd op om op Hem te wachten, wat zelfs de dag zelf kan betekenen. De terugkeer van Jezus zal uiteindelijk een einde brengen aan de rebellie van mensen – een gelukkig einde voor Gods volk, maar een tragisch einde voor allen die er voor kiezen om Hem te verwerpen. Omdat deze specifieke tijd onbekend en dichtbij is, mag niemand zijn bekering uitstellen. Er is nooit een goede gelegenheid voor de christenen om zich te hechten aan wereldse bezittingen of voorkomens, omdat Christus op eender welk moment kan terugkeren om rekenschap te vragen voor onze keuzes.
Christus had van Zijn Vader een openbaring gekregen om aan de gemeente te geven. De boodschapper die Jezus koos om Zijn openbaring te geven, was niemand minder dan Zijn geliefde apostel Johannes. Hem zou de taak toevertrouwd worden van het brengen van deze openbaring van de dingen die zouden gebeuren aan de kerk. Wie in de toekomst deze openbaring luidop zou lezen, ernaar zou luisteren en het gehoorzaamt, zou in de ogen van God gezegend geacht worden.
Terwijl hij deze openbaring ontving, leed Johannes gevangenschap op een klein eiland, genaamd Patmos. Daar hielde de Romeinse overheid hem, omdat hij getuigenis had gegeven van Jezus Christus. Net als Petrus en Paulus voor hem, leed Johannes voor zijn toewijding aan Christus de Messias. De kerk ervoer een gelijke vervolging. Net als Stefanus jaren daarvoor, bleef de kerk te maken hebben met de tegenstand wegens hun trouw aan de Messias. Over de gehele wereld werden gelovigen gehaat voor het volgen van Jezus Christus.
Terwijl Johannes op de dag des Heren aan het lofprijzen was, hoort Johannes een luide stem die tegen hem zegt: “Schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea” (1:11). Deze zeven gemeenten waren gekozen, omdat ze in de zeven belangrijkste steden gelegen waren waarin Asia verdeeld was. Johannes moest de Openbaring van Jezus Christus strategisch aan de gemeenten brengen, omdat dit een doeltreffende en snelle manier was om de boodschap te sturen.
Aan het begin van de brief stuurt Johannes een zeer bemoedigende groet van God en Jezus zelf. De Heer God almachtig, de Alfa en Omega wilde dat ze wisten dat Hij nog de eeuwige Soevereine was. Hij had alles nog in Zijn hand, ongeacht de situatie. Christus wilde dat ze wisten dat Hij van hen hield, Hij hen van zonde bevrijdt had en hen koningen en priesters voor God maakte. Vanwege Zijn werk aan het kruis, hadden Johannes en zijn lezers de grootste reden om verheugd te zijn. Het gevloeide bloed van Christus had hen tenslotte bevrijd van hun zonden. Zij stonden nu als zondaren vergeven voor God, vrijgemaakt van zonden, dood en hel door het offer van Jezus Christus. Daarbij zou Jezus terugkomen voor Zijn volgelingen. Geen andere zekerheid zou een betere bemoediging geweest zijn voor de lijdende gelovigen, dan de wetenschap dat Jezus zou komen om dingen recht te zetten en dat de verdrukkers van de kerk tot de erkenning zullen komen van het verkeerde dat zij gedaan hebben aan Gods dienaren. Deze hoop, dat Christus op een dag zal terugkeren en gelovigen mee naar de hemel zal nemen om voor altijd in Zijn aanwezigheid te zijn, voorzag hen zowel van hoop als wel troost gedurende hun lijden.
Toen Johannes zich keerde naar de stem die was als een bazuin, zag hij een als “de Zoon des mensen” die te midden van zeven gouden kandelaren was. Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de gemeente, Jezus Christus. Wat veelbetekenend hier is, is dat Jezus te midden van de kandelaars verschijnt (1:12-13; 2:1). Aangezien Christus uitlegt dat deze kandelaars zijn als de gemeenten in hun volheid (1:20), is Zijn verschijning te midden van de kandelaren Jezus aanwezigheid bij Zijn kerk (Joh.20:19). Dat Jezus in dit visioen aanwezig was bij de kerken, zou een geweldige bemoediging geweest zijn voor degene die lijden voor Zijn naam. De bemoediging hier is dat Christus hen niet verlaten had. Hij was getrouw geweest aan Zijn belofte die Hij in het evangelie van Mattheüs gemaakt had, “En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matt.28:20; ook Heb.13:5).
De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte toestand, zou voor iedere christen van groot belang zijn. De Een die wij dienen is de Een wiens haar als wit wol is en wiens stem is als geluid van vele wateren. Alles van Hem, van Zijn vurige ogen tot Zijn bronzen voeten straalde Zijn heerlijkheid af. Dat zulk een heerlijkheid gezien kon worden, betekende dat de verrezen Heer machtig is, zelfs God zelf en daarom kan Hij zijn kinderen beschermen en in staat stellen te midden van hun verdrukkers. Dit wordt zichtbaar bij het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij de zeven sterren in Zijn rechterhand vasthoudt (of boodschappers/leiders van de kerk) (1:16a, 20a). Het punt van Jezus’ beschrijving hier was niet om de gemeenten van Zijn verschijning te vertellen, maar om Zijn macht te bekent te maken. Hij was de heersende Heer van het heelal, de Een met macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef over de vervolgde christenen, hen eraan herinnerende dat God groter was dan hun beproevingen.
Op een manier gelijk aan zijn ervaring met de heerlijkheid van Jezus op de berg van de verheerlijking (cf. Matt.17:6), was Johannes weer overweldigd door angst bij de voorstelling van Gods heerlijkheid. De apostel Johannes schrijft dat hij als dood neerviel voor Zijn magnifieke Verlosser Jezus Christus. En net als Hij lang geleden gedaan had bij de verheerlijking op de berg (Matt.17:7), plaatste Jezus Zijn rechterhand op Johannes en gaf de bange apostel de bemoedigende woorden “Wees niet bevreesd” (1:17). Terwijl hij overweldigd is door de glorie en majesteit van Christus, kreeg Johannes de troost in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving.
Om Johannes te troosten zegt Jezus, “Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid” (1:17-18). Jezus maakt zichzelf bekend als de Een die de dood heeft overwonnen. Hoewel Hij aan het kruis stierf, kon het graf Hem niet vasthouden. Christus, die uit de doden is opgestaan, zal nooit weer sterven. Dus door op te staan uit de dood heeft Christus niet alleen de dood verslagen, maar garandeerde Hij eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen zij de dood tegemoet vanwege Zijn naam. Dus ondanks Zijn zondeloosheid in de aanwezigheid van de glorieuze Heer van de hemel, hoefde Johannes niet bang te zijn, omdat dezelfde Heer de straf voor zijn zonden had gedragen (en voor degene die in Hem geloofden) en opgestaan was om zijn eeuwige Verlosser te zijn.
Door Zijn overwinning over de dood, houdt Jezus ook de “sleutels van de dood en van het dodenrijk zelf” in handen (1:18). De mensen in die dagen geloofden dat het dodenrijk (Hades) een Griekse god was die heerste over het rijk van de dood, “het huis van Hades.” “Dood en Hades” vertegenwoordigen daarom de macht van de dood over de schepping. Dat Jezus de sleutel van het dodenrijk had, duidt het feit aan dat Hij alle macht en gezag over de dood heeft. Door dit begrepen te hebben, had Johannes geen angst, evenals al de verlosten, aangezien Christus hem al verlost had van de dood en het dodenrijk door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood, voorzag grote zekerheid voor degene van de gemeenten, aangezien gelovigen niet langer een reden hebben om bang te zijn.
Voordat God de Bijbel eindigde, verlangde Hij dat er nog een openbaring gegeven werd over de dingen die in de toekomst zouden plaatsvinden. Voor degenen uit de vroege gemeenten, zou zijn boodschap een grote bemoediging zijn tijdens de vervolging. Ondanks hun moeilijke omstandigheden blijft God over alle dingen de controle houden. Hij is de Almachtige, de Alfa en Omega, het begin en het einde. Zelfs Christus Zijn Zoon is daar om een bemoediging te geven. Hij die Hem liefheeft en hen bevrijdt heeft van zonden, blijft bij hen. Dit wordt gezien in het visioen van Johannes van de Mensenzoon. Christus, in Zijn volle glorie, verschijnt aan de apostel. In deze ontmoeting bevestigd Christus dat Hij de Levende is, die zonde en dood heeft overwonnen. Johannes schrijft alles wat Christus hem openbaart over de toekomst, getrouw en in gehoorzaamheid op. Van groot belang is het feit dat Christus spoedig zal komen om alle dingen nieuw te maken. Wat er nog rest is de openbaring van Jezus Christus zoals we kunnen zien in het laatst vermelde boek van het Nieuwe Testament.
Dat Christus stierf, is opgestaan en nu leeft blijft een wonderbare waarheid voor vele christenen vandaag. Ieder van ons zou dankbaar moeten zijn dat Christus ons heeft vrijgemaakt van onze zonden door Zijn bloed en dat Hij zijn gemeente blijft liefhebben en er zorg voor draagt. Nu dat de dood is verslagen, is de laatste dag dat Hij voor de Zijnen zal terugkomen, alles wat overblijft. Deze tijd komt spoedig en zal onverwacht zijn. Het is om die reden dat Christus degene oproept om gereed te zijn, want het kan vandaag zijn. Voor degene die niet bij Gods familie behoren, raakt het moment, om zich naar God te keren, op. Christus zal komen en snel, wanneer Hij komt terwijl men Hem nog afwijst, zal hun einde tragisch zijn. Omdat die tijd onbekend is en nader, zou niemand berouw moeten uitstellen.
.
.
1 Strooi je brood op het water, want je zal het na een poos weer terugvinden.
2 Verdeel het in zeven, nee, in acht delen, want je weet niet wat voor ellende je nog zal overkomen.
3 Als de wolken vol zijn, gieten ze regen uit over de aarde. En als een boom valt, naar het zuiden of naar het noorden, dan blijft hij liggen op de plaats waar hij valt.
4 Iemand die steeds op de wind let, zal nooit zaaien. En iemand die steeds op de wolken let of het niet gaat regenen, zal nooit maaien.
5 Je weet niet waar de wind vandaan komt en waar hij naartoe gaat. En je weet niet hoe een kind groeit in de buik van zijn moeder. Zo weet je ook niet wat God aan het doen is.
6 Zaai ’s morgens en ’s middags. Want je weet niet welk deel zal opkomen.
7 Het licht is prettig. Het is heerlijk om het zonlicht te zien.
8 Daarom moet je, hoelang je ook leeft, van elke dag genieten. Vergeet niet dat de tijd die je in het donker van de dood zal doorbrengen, nog veel langer zal zijn. Dan blijkt dat alles wat je hebt gedaan maar lucht is.
9 Als je jong bent, geniet dan van je jeugd. Doe wat je graag wil doen. Maar weet wel dat God zal oordelen over alles wat je doet.
10 Maak dus geen ruzie en zorg dat je gezond blijft. Bedenk dat je jeugd voorbijgaat: het is maar lucht. (lees verder)
1 Denk aan je Maker zolang je nog jong bent. Denk aan Hem vóórdat de tijden komen dat je niet meer van het leven genieten kan.
2 Want op een dag wordt het licht van de zon, de maan en de sterren donker (je ogen worden slecht). Geniet, voordat de wolken terugkomen na de regen (voordat je veel verdrietige dingen hebt meegemaakt).
3 Want op een dag zullen de bewakers van het huis (je armen) beverig worden en de sterke mannen (je benen) krom worden. Je slavinnen (je tanden en kiezen) zullen ophouden met malen omdat er te weinig over zijn. Op een dag zullen zij die uit de ramen kijken (je ogen) niet goed meer kunnen zien.
4 De deuren naar de straat (je lippen) zullen dicht gaan, en het geluid van de molen (het kauwen) zal zwakker worden. Je stem wordt zo hoog als de stem van een vogel, en alle geluiden worden zacht (je wordt doof).
5 Op een dag ben je al bang om een heuvel te beklimmen. Je bent bang voor gevaar op de weg. De amandelboom zal bloeien (je haar wordt wit), de sprinkhaan sleept zich voort (je komt niet meer mee, je bent traag geworden) en je hebt nergens meer zin in. Want je bent op weg naar je eeuwige huis. De klaagvrouwen staan al klaar om over je dood te klagen en te treuren.
6 Denk aan je Maker voordat het zilveren koord (van het leven) wordt losgemaakt en je gouden lamp (je ziel) breekt. Denk aan Hem, voordat je kruik bij de bron wordt stukgeslagen en het waterrad in de put (je hart) wordt gebroken (en je hele bloedsomloop komt stil te liggen).
7 Het stof waarvan je gemaakt was, gaat terug naar de aarde. En je geest gaat terug naar God die jou je geest gegeven had.
8 Alles is maar lucht en leegte, zegt Prediker. Niets heeft werkelijk zin! Het hele leven is maar lucht en iets onbegrijpelijks!
9 Ik ben niet alleen een wijs man geweest, maar ik heb ook veel aan het volk geleerd. Ik heb veel nagedacht en veel wijsheden opgeschreven.
10 Ik heb geprobeerd om woorden te vinden waar de mensen iets aan hebben, een boek te schrijven met nuttige spreuken.
11 De woorden van wijze mensen lijken op scherpe spijkers. Als je hun woorden één keer hebt gehoord, zitten ze zó stevig in je vast als een spijker in een plank. Ze zijn gegeven door één Herder.
12 Tenslotte nog deze waarschuwing, mijn zoon: Er worden eindeloos veel boeken geschreven en van al het studeren word je alleen maar moe.
13 Van alles wat ik hier gezegd heb, is de conclusie: Heb diep ontzag voor God en houd je aan zijn wet. Want dat is het belangrijkste voor elk mens.
14 Want God oordeelt over alles wat we gedaan hebben, goed of slecht. Ook over de dingen die geen mens van je weet.


1 Jezus kwam zes dagen vóór het Paasfeest naar Betanië, waar Lazarus woonde. Lazarus was de man die gestorven was en door Jezus weer levend gemaakt was. 2 Ze maakten een maaltijd voor Hem klaar. Marta bediende Hem. Lazarus zat samen met nog andere mensen met Hem aan tafel. 3 Maria nam een pond dure parfum, echte nardus-olie , en zalfde daarmee Jezus’ voeten. Daarna droogde ze zijn voeten af met haar haren. De heerlijke geur van de parfum was door het hele huis te ruiken. 4 Maar één van de leerlingen werd boos. Dat was Judas Iskariot, die Hem later zou verraden. 5 Hij zei: “Waarom is deze dure parfum niet voor 300 zilverstukken verkocht? Dan hadden we dat geld aan de arme mensen kunnen geven!” 6 Hij zei dat niet omdat hij zo graag de arme mensen wilde helpen, maar omdat hij een dief was. Hij bewaarde het geld dat ze van de mensen kregen, maar nam daarvan voor zichzelf. 7 Jezus zei: “Laat haar met rust. Ze doet dit alvast voor mijn begrafenis. 8 Want arme mensen zullen er altijd wel bij jullie zijn, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.” 9 Heel veel Joden kwamen te weten waar Jezus was en gingen naar Hem toe. Maar niet alleen om Jezus te horen. Ze wilden ook graag Lazarus zien die door Jezus weer levend was gemaakt. 10 De leiders van de priesters waren daarom van plan om ook Lazarus te doden. 11 Want veel Joden die Lazarus zagen, geloofden in Jezus.

12 De volgende dag hoorden de mensen die voor het Paasfeest waren gekomen, dat Jezus naar Jeruzalem kwam. 13 Ze trokken takken van de palmbomen, gingen Hem tegemoet en riepen: “Hosanna! (= ‘Red toch!’) Gods zegen op de Man die door de Heer is gestuurd!” En: “Leve de Koning van Israël!” 14 Jezus liet een jonge ezel halen en ging er op zitten. 15 Dit staat ook in de Boeken: ‘Wees niet bang, Jeruzalem, want je koning komt op een jonge ezel.’ 16 Eerst begrepen de leerlingen dat niet. Maar toen Jezus uit de dood was opgestaan, herinnerden ze zich dat die woorden over Jezus gingen en dat het ook zo was gebeurd. 17 Iedereen die gezien had hoe Jezus Lazarus uit het graf riep, vertelde daarover. 18 Toen de mensen hoorden dat Jezus zoiets bijzonders had gedaan, gingen ze Hem in grote drommen tegemoet. 19 De Farizeeërs zeiden tegen elkaar: “Zie je dat ze helemaal niet naar ons luisteren? Kijk, de hele wereld loopt achter Hem aan!”

20 Er waren ook een paar Grieken op weg naar het feest, om God te aanbidden. 21 Ze gingen naar Filippus die uit Betsaïda in Galilea kwam. Ze vroegen hem: “Heer, we zouden Jezus graag willen spreken.” 22 Filippus ging het tegen Andreas zeggen. Daarna gingen Andreas en Filippus het samen tegen Jezus zeggen. 23 Maar Jezus zei: “Binnenkort zal te zien zijn hoe machtig de Mensenzoon is. 24 Luister goed! Ik zeg jullie: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij gewoon één enkele graankorrel. Maar als de korrel in de aarde sterft, levert dat een grote oogst op. 25 Iemand die aan zijn leven vasthoudt, raakt het kwijt. Maar als hij niet geeft om zijn leven in deze wereld, zal hij het eeuwige leven krijgen. 26 Als iemand Mij wil dienen, moet hij Mij volgen. En waar Ik ben, zal ook hij zijn als mijn dienaar. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem prijzen.”

27 Jezus zei: “Ik ben bang en ongerust. Ik weet niet wat Ik moet zeggen. Moet Ik zeggen: ‘Vader, red Mij van wat er nu gaat gebeuren’? Maar Ik ben juist gekomen om door te maken wat er nu gebeuren gaat. Vader, laat uw macht zien!” 28 Toen zei een stem uit de hemel: “Ik heb mijn macht laten zien, en zal die nóg een keer laten zien.” 29 De grote groep mensen die daar stond en de stem hoorde, zei dat het de donder geweest was. Andere mensen zeiden: “Er heeft een engel tegen Hem gesproken.” 30 Jezus antwoordde: “Die stem was er niet voor Mij, maar voor jullie. 31 Nu wordt over de wereld rechtgesproken. Nu zal de heerser van deze wereld veroordeeld en verslagen worden. 32 En als Ik boven de aarde ben opgeheven, zal Ik alle mensen naar Mij toe trekken.” 33 Hij zei dit om uit te leggen op welke manier Hij zou sterven. 34 De grote groep mensen zei tegen Hem: “We hebben in de Boeken gelezen dat de Messias voor eeuwig blijft. Waarom zegt U dan dat de Mensenzoon opgeheven gaat worden? Wie is die Mensenzoon?” 35 Jezus antwoordde: “Het licht is nog maar korte tijd bij jullie. Loop zolang het nog licht is, zodat jullie niet door het donker worden verrast. Iemand die in het donker loopt, weet niet waar hij heen gaat. 36 Geloof dus in het licht, zolang het licht bij jullie is. Want dan horen jullie bij het licht.” Nadat Jezus dit had gezegd, ging Hij weg en verborg Zich voor de mensen.

Pasteltekening van John Astria
37 De mensen hadden met eigen ogen Jezus heel veel wonderen zien doen. Maar toch geloofden ze niet in Hem. 38 Zo werd werkelijkheid wat de profeet Jesaja van tevoren had gezegd: ‘Heer, wie gelooft wat hij van mij heeft gehoord? En wie heeft werkelijk begrepen hoe machtig de Heer is?’ 39 Ze konden niet geloven, omdat Jesaja ergens anders had gezegd: 40 ‘Ik heb hun ogen blind gemaakt en hun hart koppig gemaakt. Zo kunnen hun ogen het niet zien en kan hun hart het niet begrijpen. Daardoor zullen ze niet bij Mij terugkomen en zal Ik hen niet genezen.’ 41 Dit had Jesaja gezegd omdat hij tóen al had gezien hoe goed en machtig God is. Hij sprak toen over Jezus. 42 Toch waren er ook veel mensen die wél in Hem geloofden. Zelfs veel van de leiders. Maar ze durfden dat niet te laten merken, omdat ze bang waren voor de Farizeeërs. Ze waren bang dat die hen dan zouden verbieden om nog in de synagoge te komen. 43 Want ze vonden het belangrijker wat de mensen van hen dachten, dan wat God van hen dacht.

44 Jezus riep luid: “Als je in Mij gelooft, geloof je eigenlijk in Hem die Mij heeft gestuurd! 45 En als je Mij ziet, zie je Hem die Mij heeft gestuurd! 46 Ik ben gekomen om een lamp te zijn in deze wereld. Iedereen die in Mij gelooft, kan in het licht leven. Hij hoeft niet langer in het donker te blijven. 47 Als mensen horen wat Ik zeg maar het niet geloven, veroordeel Ik hen niet. Want Ik ben niet op aarde gekomen om mensen te veroordelen. Ik ben gekomen om mensen te redden. 48 Mensen die niets van Mij willen weten en niet naar Mij willen luisteren, zullen op de laatste dag veroordeeld worden door de woorden die Ik heb gezegd. 49 Want Ik heb niet namens Mijzelf gesproken, maar namens de Vader, die Mij heeft gestuurd. Hij heeft Mij gezegd wat Ik moet zeggen. 50 En Ik weet dat zijn woorden eeuwig leven geven. Wat Ik zeg, zeg Ik precies zoals de Vader wil dat Ik het zeg.”

geloof
Pasteltekening van John Astria


1 Wie is wijs? Wie kan alles begrijpen? Als iemand wijs is, verandert dat zijn gezicht: het wordt vriendelijker.
2 Wees gehoorzaam aan de bevelen van de koning, omdat je aan God gezworen hebt dat je dat zal doen.
3 Wees niet bang voor hem, maar ga ook niet tegen hem in. Want de koning doet wat hij zelf wil.
4 Wat hij zegt, gebeurt. Wie zal hem vragen: “Wat doet u daar?”
5 Mensen die doen wat de koning beveelt, komen niet in moeilijkheden. Wijze mensen weten wat ze wanneer moeten doen.
6 Want alle dingen hebben hun eigen tijd. Want een mens overkomt veel ellende die hem door andere mensen wordt aangedaan.
7 Hij weet niet wat er in de toekomst gebeuren zal. Niemand kan hem dat vertellen.
8 Geen mens heeft macht over de wind. Niemand kan hem laten ophouden met waaien. En niemand heeft macht over de dood. Niemand kan hem tegenhouden wanneer hij komt. De strijd is al bij voorbaat verloren. Ook slechte mensen ontkomen niet.
9 Dit heb ik allemaal gezien toen ik onderzocht wat er allemaal gebeurt onder de zon. Ik zag dat de ene mens macht heeft over de andere mens. En dat hij die macht misbruikt om die ander kwaad te doen.
10 Ook zag ik hoe slechte mensen een mooie begrafenis kregen. Maar dat goede mensen die eerlijk geleefd hadden, niet begraven werden. Ze werden door de bewoners van hun stad vergeten. Ook dat is maar lucht en iets onbegrijpelijks.
11 Slechte mensen worden niet onmiddellijk gestraft. Daarom denken de mensen dat ze ongestraft slechte dingen kunnen doen.
12 Want een slecht mens die honderd misdaden doet, blijft toch lang leven. Toch weet ik dat het goed zal gaan met de mensen die leven zoals God het wil, omdat ze ontzag voor God hebben.
13 Maar met de mensen die zich niets van God aantrekken, zal het uiteindelijk slecht aflopen. Hun leven zal niet lang worden zoals een schaduw lang wordt in de avondzon, omdat ze geen ontzag voor God hebben.
14 Ik heb op aarde nóg iets gezien wat maar lucht is, iets onbegrijpelijks: dat er goede mensen zijn met wie het net zo slecht afloopt als met slechte mensen. En dat er slechte mensen zijn met wie het zo goed gaat alsof ze goede mensen zijn. Ik vind dat dat lucht is, iets onbegrijpelijks.
15 Daarom denk ik dat je maar beter vrolijk kunt zijn. Er is onder de zon niets beters voor een mens dan te eten en te drinken en van het leven te genieten. Dat is het enige wat hij heeft bij al zijn gezwoeg in de tijd die God hem geeft onder de zon.
16 Ik was vast van plan geweest om wijs te worden. Ik wilde begrijpen wat de mensen allemaal doen. En waarom sommige mensen dag en nacht geen rust hebben.
17 Maar ik heb ontdekt dat de mens niets kan begrijpen van de dingen die God doet onder de zon. Hoe goed een mens ook zoekt, hij kan het niet begrijpen. Een wijs mens kan denken dat hij het begrijpt, maar toch is dat niet waar.
.
.
.
Het Hebreeuwse woord dat vertaald is met ‘prediker,’ is ook te vertalen met ‘filosoof,’ of ‘leraar,’ of ‘gespreksleider.’ De schrijver van dit boek denkt na over het leven. Daarbij noemt hij aldoor een ‘aan de ene kant’ en een ‘aan de andere kant.’ Zo redeneert hij als het ware met zichzelf over het onbegrijpelijke van het leven.
.
.
.
.
.
1 Als goede mensen goede dingen over je zeggen, is dat beter dan dat je er goed uitziet. En de dag dat je sterft, is beter dan de dag dat je werd geboren.
2 Het is beter om naar een begrafenis te gaan, dan naar een feest. Want de dood is het einde van ieder mens. Dat moeten we niet vergeten.
3 Verdriet is beter dan plezier, want als je laat merken dat je verdrietig bent, helpt dat je om er overheen te komen.
4 Wijze mensen denken na over de dood. Maar dwaze mensen denken alleen maar aan plezier maken.
5 Het is beter om te luisteren naar een waarschuwing van wijze mensen, dan naar het vrolijke zingen van dwazen.
6 Want het lachen van een dwaas is net zo snel voorbij als het geknetter van brandende dorens onder een pan. Het is maar lucht.
7 Luister goed: door afpersing wordt een wijs man dwaas, en door omkoping wordt een goed mens slecht.
8 Het einde van iets is beter dan het begin ervan. Het is beter om geduldig te zijn dan trots.
9 Erger je niet te snel ergens aan, want ergernis woont in het hart van de dwazen.
10 Vraag niet: “Hoe komt het dat het vroeger beter was dan nu?” Want dat is geen wijze vraag.
11 Wijsheid is net zo belangrijk als een erfenis. Het is iets goeds voor de mensen die onder de zon leven.
12 Want wijsheid beschermt, net zoals geld beschermt. Maar wijsheid is nog beter dan geld, want door wijsheid weet een wijs mens hoe hij leven moet.
13 Kijk naar wat God doet. Wie kan recht maken wat Hij heeft gebogen?
14 Geniet wanneer het goed met je gaat. Maar bedenk in moeilijke tijden: “Ook deze dagen heeft God gemaakt, net zoals die andere dagen.” Een mens heeft geen idee van wat er in de toekomst gebeuren zal.
15 Ik heb van alles gezien in de korte tijd dat ik leef op aarde. Bijvoorbeeld: een goed en eerlijk mens met wie het toch slecht afloopt. En een slecht mens die toch lang leeft.
16 Wees niet al te goed en eerlijk. Wees niet al te wijs. Je zou jezelf er alleen maar kwaad mee doen.
17 Maar wees ook niet al te slecht en wees geen dwaas. Want waarom zou je sterven vóór het je tijd is?
18 Probeer het midden te vinden tussen wijs en dwaas. Als je ontzag hebt voor God, zul je het juiste midden weten te vinden.
19 Eén wijs mens is door zijn wijsheid machtiger dan tien bestuurders van een stad.
20 Niemand op aarde leeft zó goed, dat hij nooit iets verkeerds doet.
21 Luister daarom niet naar alles wat er gezegd wordt. Want anders hoor je nog dat je knecht je vervloekt.
22 Want van binnen weet je wel dat je zelf ook vaak andere mensen vervloekt hebt.
.
.
.
.
.
23 Ik heb dit allemaal onderzocht omdat ik wijs wilde worden. Maar het is me niet gelukt: de wijsheid bleef onbereikbaar.
24 Hoe kun je bereiken wat zo ver weg is en zo diep verstopt zit? Het leven is niet te begrijpen.
25 Ik bestudeerde alles, omdat het mijn diepste wens was om meer te weten en te begrijpen. Ik wilde bewijzen dat het dwaas is om je niets van God aan te trekken. Dat het dwaas is om onverstandig te zijn.
26 En ik ontdekte iets wat nog erger is dan de dood: een ontrouwe vrouw. Haar hart is een valkuil en haar handen zijn boeien. Iemand die van God houdt, kan aan haar ontsnappen. Maar iemand die niet om God geeft, wordt door haar gevangen.
27 Dit is wat ik ontdekt heb – ik heb over de dingen nagedacht, omdat ik tot een goede conclusie wilde komen.
28 Maar ik heb die conclusie nog niet gevonden. Ik ben er nog steeds naar op zoek. Onder duizend mensen heb ik maar één goede man gevonden. Maar geen enkele goede vrouw.
29 Maar wat ik wél heb ontdekt, is dat God de mensen wel goed gemaakt heeft, maar dat ze zelf allerlei slechte dingen bedenken.
.
.
.
.
.
.