categorie : Boodschappen uit de kosmos “
.
.
.
.
WIE EEN GEZANT VAN GOD IN ZIJN GEZICHT SPUWT,
.
SPUWT GOD IN ZIJN GEZICHT
.
.
WHO SPITS IN THE FACE OF GOD’S AMBASSADOR,
.
SPITS IN GOD’S FACE
.
.
.
.
1 Er is voor alle dingen een moment en voor alle dingen onder de hemel is er een tijd.
2 Er is een tijd om geboren te worden en er is een tijd om te sterven.
Er is een tijd om te planten en er is een tijd om uit de grond te trekken.
3 Er is een tijd om te doden en er is een tijd om te genezen.
Er is een tijd om af te breken en er is een tijd om op te bouwen.
4 Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om te lachen.
Er is een tijd om te treuren en er is een tijd om te dansen.
5 Er is een tijd om stenen weg te gooien en er is een tijd om stenen te verzamelen.
Er is een tijd om te omhelzen en er is een tijd om afstand te houden.
6 Er is een tijd om te zoeken en er is een tijd om te verliezen.
Er is een tijd om te bewaren en er is een tijd om weg te gooien.
7 Er is een tijd om te scheuren en er is een tijd om dicht te naaien.
Er is een tijd om te zwijgen en er is een tijd om te spreken.
8 Er is een tijd om van iemand te houden en er is een tijd om iemand te haten.
Er is een tijd voor oorlog en er is een tijd voor vrede.
9 Wat voor nut heeft een mens van zijn gezwoeg? 10 Zwoegen is een trieste bezigheid die God aan de mensen heeft gegeven om zich mee te vermoeien. 11 Maar Hij heeft het zó gemaakt, dat alles op zijn tijd goed is. Ook heeft Hij de mensen een besef van de eeuwigheid gegeven. Maar toch kunnen ze niets begrijpen van wat God vanaf het begin tot aan het einde heeft gedaan.
12 Ik heb wel begrepen dat het ’t beste is voor een mens om blij te zijn en goede dingen te doen in het leven. 13 Ik bedoel dit: als iemand eet en drinkt en van goede dingen geniet bij al zijn gezwoeg, dan heeft hij dat niet aan zichzelf te danken, maar is het een geschenk van God.
14 Ik heb begrepen dat alles wat God doet, voor eeuwig is. Je kan er niets aan toevoegen of er iets vanaf halen. God doet het, met de bedoeling dat de mensen diep ontzag voor Hem zullen hebben. 15 Wat er nu is, was er al lang. En wat er zal zijn, is al lang geweest. God laat steeds weer de dingen gebeuren die al eerder gebeurd zijn.
16 Ook zag ik dat er onder de zon geen eerlijke rechtspraak is. De rechters oordelen niet rechtvaardig. Ze veroordelen onschuldige mensen. 17 Ik zei bij mezelf: “God zal oordelen over goede en slechte mensen. Want er is voor alles een tijd.” 18 En ik zei bij mezelf: “God zal de mensen laten zien dat ze zonder Hem net als de dieren zijn. 19 Want het lot van de mensen is hetzelfde als van de dieren. Ze worden allebei door hetzelfde lot getroffen. Want dieren en mensen sterven allebei. Allebei hebben dezelfde soort adem. De mensen zijn niet anders dan de dieren. Ze zijn maar lucht, tijdelijk, voorbijgaand.
20 Mensen en dieren gaan naar dezelfde plaats. Beiden zijn van stof gemaakt en beiden worden uiteindelijk weer stof. 21 Wie ziet dat de adem van de mensen omhoog gaat naar de hemel en de adem van de dieren naar beneden, de aarde in? 22 Daarom denk ik dat de mens maar het best kan genieten van wat hij doet. Want dat is het enige wat hij heeft. Want als hij eenmaal is gestorven, wie kan hem dan laten terugkeren om hem te laten zien wat er ná hem op aarde gebeurt?
Astrologie houdt de vergoddelijking van het heelal in, maar volgens de Bijbel is de schepping het werk van God en dat tot zijn eer. Dat laatste geldt voor Israël (Js.43: 7), maar ook voor de hele schepping (vgl. Op 4: 11).
a. De zon, maan en sterren als scheppingen verkondigen Gods eer: Ps Ps. 8: 4,5; 19: 1,5; 33: 6; 148: 3;150: 1.
De sterren worden als vergelijkingsmateriaal gebruikt: Gn 15: 5; Dt. 28: 62 (zo zal uw zaad zijn).
Nooit wordt de sterrenhemel als een soort ‘profetisch materiaal voorgesteld.
b. God gebruikt zon, maan en sterren maar dan als beelden (zie Gn 37: 9; Op 12: 1). Christus wordt aangekondigd als een ster (Nm 24: 17), voorgesteld als de Morgenster (Venus) en de Zon van de Gerechtigheid. Hij wordt aangewezen door een ster (Mt 2: 2).
Engelen worden als sterren voorgesteld (Jb 38: 7; Ri 5: 20; Op 9: 1). Er wordt gesproken over het heir des hemels (Js 34: 4;40:: 26; zie ook Op 1: 16; Dn 10: 5,18; 7: 13; 12: 3). Let ook op de beeldspraak in Ps 19: 1-7. Wij gebruiken zulke beeldspraak ook in bijvoorbeeld dat iemand het zonnetje in huis is. Maar dat alles heeft niets met astrologie te maken.
c. De Bijbel spreekt over sterrenbeelden zoals men die kende en benoemd had, bijvoorbeeld:
Pleiaden (Zevengesternte) en Orion (Am 5: 8);
de kamers van het Zuiden (Jb 9: 9);
de tekens v.d. Dierenriem zoals de Beer o.a. in Jb 38: 31,32 ;
zie Js 13: 10 voor de uitdrukking ‘sterrenbeelden’.
d.De Schrift sluit daarbij aan bij het bekende spraakgebruik en gebruikt slechts de benamingen, maar meer ook niet. Hiervan geldt hetzelfde als van Apollos die zijn heidense naam ‘verderver’ behoudt maar zonder de betekenis van die naam in zich op te nemen. God gebruikt de opvatting van de wijzen uit het Oosten (Mt 2: 10) om zijn Zoon te doen huldigen (vgl. Ps. 72: 10,11). Een opvatting die mogelijk nog verband houdt met de profetie van Bileam (Nm 24: 17).
e. De Schrift waarschuwt tegen afgoderij met het heir des hemels (Dt 4: 15-19) en veroordeelt deze afgoderij : {Am 5: 26; Hd 7: 43 (stergod); 2 Kn 17: 16; 21: 3-5.; Jr 7: 16-20; 8: 2; 19: 13; Zf 1: 5( ‘heir des hemels’); Ez. 8: 16 ( ‘zon’)}. De Bijbel waarschuwt voor sterrenwichelarij ( Jr 10: 2), veroordeelt die (Jb 31: 26-28; Js 47: 13; vgl. Ez 21: 21) evenals de waarzeggerij ( Lv 19: 32,26; 20: 6; Dt 18: 10-13; Js 44: 25).
Het trekken van een horoscoop is dus baarlijke nonsens, maar het raadplegen ervan is beslist geen onschuldige zaak. Er zijn gevaren aan verbonden, zoals:
a. het gevaar van zelfvervulling van de horoscoop. Als de horoscoop inhoudt dat men zich op een bepaalde tijd niet goed zal gaan voelen, dan gaat men zich dat ook inbeelden. Men gaat minder eten, wordt slapeloos en dergelijke. Het kan dus kwalijke lichamelijke en geestelijke gevolgen hebben.
b. in plaats van zijn vertrouwen op God te stellen doet men dat op de leugen van de sterrenwichelarij . Zo zet men een deur open voor satan.
c. het kan leiden tot het komen in een occulte sfeer en men kan occult belast worden, door openstelling van de geest, voor satanische invloeden.
Niet de sterrenwichelarij, niet de een of andere horoscoop bepaalt onze toekomst maar God doet dat. We hebben daarvan een prachtig voorbeeld in het leven van Jozef. Lees wat zijn broers en anderen allemaal met hem gedaan hebben en lees hoe hij alles ziet in het ware licht van God ( Gn. 45: 1-8).
Bedenk wat er staat in Js 46: 9, 10 :’ Ik immers ben God, en er is geen ander God, en niemand is Mij gelijk, Ik die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is’. Laten we ons aan die God toevertrouwen voor dit leven en voor de eeuwigheid!
Dus waarom probeert u de toekomst te leren kennen door spiritisme en waarzeggerij? Luister niet naar dat geklets en gemompel. Kunnen de levenden van de doden iets over de toekomst leren? Waarom vraagt u het uw God niet?
Roep de horden boze geesten maar op, die u al die jaren hebt aanbeden. Doe een beroep op hen om u te helpen opnieuw angst in veler harten te zaaien.
U hebt raadgevers genoeg; uw astrologen en sterrenkundigen, die u proberen te vertellen wat in de toekomst gebeuren gaat.
Maar zij zijn net zo nutteloos als gedroogd gras dat verbrand wordt. Zij kunnen zichzelf niet eens verlossen! Van hen zult u echt geen hulp krijgen. Zij zijn een kolenvuur, waaraan u zich niet kunt warmen en dat geen licht geeft om bij te zitten.
Uw woord is een stralend licht, dat mij de weg door het leven wijst.
Laat je niet in met waarzeggerij en wolkenschouwerij.
Hoor het woord dat de Here tot u lieden spreekt, o huis Israëls. Zo zegt de Here: Leert de weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
En dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de Here, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel.
Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een huichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar, of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggende geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.Want ieder die deze dingen doet, is de Here een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Here, uw God, hen voor u weg.
In deze geschiedenis uit Mattheüs 2 zien we iets van de neerbuigende goedheid van God. Hij wilde de wijzen bij de Heere Jezus brengen en heeft in zondaarsliefde deze mannen willen aanspreken in hun taal. Zo ver wilde de Heer gaan. Overigens is het niet zozeer hun astrologische kennis, als wel de openbaring van de Heilige Geest die hen heeft doen zien wat de betekenis was van deze buitengewone verschijning aan de hemel.
In Genesis 1:14, 15 staat: God zei: ’Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde’.
Pasteltekening van John Astria
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps.
Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar. In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft.
Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.
Pasteltekening van John Astria
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps.
Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar.
In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.
.
.
.
.
.
.
.
.
Deze miniatuur is een der mooiste en oorspronkelijkste werkstukken van de monnik-kunstenaar. De boodschap van de hemelse Stem luidt :
“God stelde het volk van het oude Verbond, toen Hij van Abraham de besnijdenis verlangde, onder de gestrengheid van de wet. Later heeft Hij de gestrengheid veranderd in de mildheid van de genade. Door Zijn Zoon gaf God aan hen die het geloof aannamen, de waarheid van het evangelie en zalfde Hij ieder die door het juk van de wet wonden had opgelopen, met de olie van de barmhartigheid.”
In de theologische beschouwing van het hele Christusmysterie ziet Hildegard de synagoge als de voorloopster van de Kerk. De synagoge is er niet alleen de voorafbeelding van, maar méér nog de moeder van de Menswording van Gods Zoon en zo van de Kerk. Daarom is haar hoofd gekroond met een diadeem, waarvan de schittering gelijk is aan het oplichten van de dageraad, voorgesteld door de kleur oranje.
In de 13de eeuw en later worden de Synagoge en de Kerk dikwijls als elkaars tegenhangsters voorgesteld. Zo ziet men b.v. aan de kathedraal in Reims de Synagoge prachtig gebeeldhouwd als een geblinddoekte vrouw met een kroon op haar hoofd die afschuift, terwijl tegenover haar de Kerk stralend als een overwinnende koningin is uitgebeeld. Deze gedachtengang vinden we bij Hildegard niet. De Synagoge blijft voor haar de dageraad van de Kerk. Zij werd immers verlicht door de vooruitlopende stralen van Christus’ verlossingswerk.
Nu bespeurt men in de uitleg van dit visioen een ontwikkeling, overeenkomend met de voortgaande beweging van de geschiedenis van het oude Verbond. Hildegard spreekt eerst over een vrouw (de synagoge )die min of meer in de schaduw staat en die in de verte de nieuwe bruid (Christus )ziet opkomend uit de woestijn. Tevens ziet zij de zonen van die bruid, Christus volgelingen.
Maar in het vervolg van de tekst zegt de schrijfster dat deze vrouwengestalte van haar ogen beroofd is en haar handen onder de oksels houdt, wat weergegeven is in de miniatuur. De bovenste helft van haar lichaam is bleek-violet gekleurd. Dat blind zijn en die houding van niet willen meewerken geven samen met die sombere kleur iets geweldig roerends aan deze voorstelling.
Men krijgt eigenlijk diep medelijden met deze mislukte roeping, want zij had immers een hoge roeping. In haar hart zetelt Mozes (weergegeven met de in de middeleeuwen aan de joden voorgeschreven driehoekige hoed) die de twee tafels van de Wet omhoog houdt tegen de achtergrond van de godsverlichting, weergegeven door goud.
In de schoot van de Synagoge zien we Abraham met het zilveren mes, naast hem Aäron met de mijter van de hogepriester en achter hem een leviet. Deze drie zijn van het priesterlijk geslacht (Abraham wilde ook een priesterlijke handeling verrichten met het offer van Isaac). Daarnaast staan er nog negen profeten in het midden van de vrouw. Mozes is hier een voorafbeelding van Christus met zijn twaalf apostelen.
We zien het treurige drama zich als het ware langzaam voltrekken. Het benedendeel van de Synagoge wordt steeds zwarter en haar voeten zijn bloedrood, omdat zij tenslotte de profeet der profeten(Christus) vermoord heeft en daardoor zichzelf ten val bracht. Maar de betekenis van deze dood reikt buiten het kader van het Oude Verbond, want we zien hoe de voeten omgeven zijn door de helder witte wolk van de christelijke openbaring.
In de miniatuur is dit wit aangeduid door het heraldische wit, het metaal zilver. Reeds hier zien we bevestigd dat het zilver wijst op het geloofslicht in de loop van ons leven en in de ontwikkeling van de Kerk hier op aarde.
In de toespraak van de hemelse Stem konden we al iets merken van het grote medelijden van Hildegard met en haar verdriet over dit mysterievolle tekortschieten van de Synagoge. We hoorden de hemelse Stem zeggen:
“Door Zijn zoon zal God ieder van hen zalven die zich verwond hebben aan het juk van de wet, en wel met de olie van zijn barmhartigheid.”
Hier voelt men een verdriet en genegenheid als die van St. Paulus voor het uitverkoren volk, dat niet volledig heeft beantwoord aan zijn roeping. Een houding van onze mystica die sterk afsteekt tegen de gangbare afkeer van de joodse godsdienst en het joodse volk in de kerkelijke kringen van de twaalfde eeuw. Een afkeer die zich tijdens de kruistochten ontlaadde in hevige moordpartijen onder de joodse bevolking in al die plaatsen waar de kruisvaarders doortrokken, toen zij op weg waren om het heilige land te veroveren. Een praktijk waarvan Hildegard zich distantieert zoals uit haar correspondentie zeer duidelijk blijkt.
.
.
.
.
.
.
.
Pasteltekeningen van John Astria
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps. Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar. In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps.
Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar. In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft.
Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.
Dat mensen en mammoeten samen geleefd hebben zal niemand betwijfelen, maar mensen samen met een Tirannosaurus of een Triceratops? Op het plaatje hiernaast zie je hoe botten van dinosauriërs waarschijnlijk in elkaar gezeten hebben. Deze foto komt uit het Natural History Museum in Los Angeles. Ze worden niet in deze stand in de grond gevonden dus het is een zo goed mogelijke benadering.
Aangezien we deze beesten niet meer in levende lijve aantreffen, zullen we moeten proberen er een voorstelling van te maken. We kunnen het uiterlijk van dinosauriërs benaderen door ze te vergelijken met bijvoorbeeld olifanten. Daarom werden ze door kunstenaars vaak grijs afgebeeld (zie tweede plaatje).


Tegenwoordig zien we afbeeldingen van dinosauriërs vaak in allemaal bonte kleuren, versierd met riggeltjes en andere kleine aanhangsels, omdat wetenschappers en kunstenaars in toenemende mate beseffen dat het eigenlijk hele grote hagedissen waren. De meeste wetenschappers geloven dat dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven en dat ze daarna niet meer voorkwamen. De vroege voorloper van de mens verscheen volgens hen pas enkele miljoenen jaren geleden op het toneel.
Dino’s en mensen zouden elkaar dus nooit gezien hebben. Stel nu dat God de dinosauriërs en de mensen ongeveer 6000 jaar geleden samen gemaakt heeft en dat mensen en dinosauriers wel samen geleefd hebben. We zouden in ieder geval verhalen moeten hebben van mensen die grote reptielen gezien hebben. Wellicht zullen we kunstobjecten met afbeeldingen van dinosauriërs vinden. Heel misschien fossiele resten van dino’s en mensen samen, maar dat is erg onwaarschijnlijk. De meeste fossielen zijn volgens ons tijdens de zondvloed ontstaan.

Als er tijdens de zondvloed mensen in de buurt van dino’s waren, zouden ze logischerwijs toch op verschillende manieren gevlucht zijn voor het wassende water, waardoor ze niet bij elkaar in het fossielenbestand terecht kwamen. Bedenk ook dat er in verhouding veel minder mensen waren dan beesten.
Mensen zullen door hun intelligentie en mobiliteit sowieso niet snel door sediment bedekt en gefossiliseerd worden omdat het aantal potentiële menselijke fossielen in verhouding tot de hoeveelheid fossielhoudend gesteente heel erg klein moet zijn. Stel dat er 10 miljoen mensen waren ten tijde van de zondvloed en dat al hun lichamen bewaard zouden zijn gebleven.
Er is 700 miljoen kubieke kilometers fossieldragend sediment. Dat betekent dat bij een gelijkmatige verdeling maximaal één menselijk fossiel per 70 kubieke kilometers sediment gevonden kan worden. Dat maakt het al onwaarschijnlijk om er één te vinden, laat staan een mens samen met een dinosaurus.
Als de Bijbel betrouwbaar is, dan moet geen enkel wetenschappelijk feit een juiste interpretatie van de tekst van de Bijbel tegenspreken. De aarde en alles wat daarop leeft, werd volgens Gods eigen woorden (in Exodus 20:11) in zes dagen geschapen. We hebben ook al gezien dat we via verschillende geslachtsregisters kunnen bepalen hoe oud de aarde volgens de Bijbel zou moeten zijn.
Ongeveer 6000 jaar als er in de geslachtsregisters namen van onbelangrijke personen weggelaten zijn. Dat betekent dan dat Adam en Eva samen met de dinosauriërs, zo’n 6000 tot 10.000 jaar geleden geschapen moeten zijn. Deze gigantische reptielen passen op zich goed in de beschrijving van grote land- en zeedieren die in de Bijbel genoemd worden. De vloek die over de aarde kwam vanwege de keuze van Adam, bracht ziekte en dood.
Toen alles net geschapen was, noemde God het ‘zeer goed’. Alles is in dezelfde week geschapen, dus de dinosauriërs kunnen volgens het Bijbelse wereldbeeld niet ‘uitgestorven’ zijn voordat de mens ten tonele verscheen. De botten van dinosauriërs die gevonden zijn laten ons zien dat ze vaak onder gewelddadige omstandigheden om het leven gekomen zijn. Er zijn in fossielen ook sporen van ziektes gevonden. Dat kun je toch niet ‘zeer goed’ noemen.
Sommige mensen proberen de 6 dagen van de Bijbel op te rekken tot miljoenen jaren, maar dat laat de tekst niet toe, want dan zouden de planten miljoenen jaren zonder zonlicht hebben gezeten, aangezien de zon maan en sterren na de planten gemaakt werden.
Bovendien laat de Hebreeuwse tekst niet toe dat de dagen als lange perioden geïnterpreteerd moeten worden. Een ‘dag’ in die tekst is gewoon een dag zoals wij die vandaag de dag ook nog meemaken. Dus volgens de Bijbel moeten mensen en dinosauriërs ongeveer 6-10.000 jaar geleden samen geleefd hebben.
Het is zeer onwaarschijnlijk dat alle dinosauriërs al voor de zondvloed verdwenen waren, dus moeten ze meegegaan zijn in de Ark van Noach . Het woord ‘dinosaurus’ is nog niet zo lang geleden bedacht. Als we in oude literatuur kijken, moeten we niet zoeken naar het woord ‘dinosaurus’, maar bijvoorbeeld ‘draak’ of ‘monster’. In Genesis 1:21 staat: “En God schiep grote zeemonsters”.
In het Hebreeuws staat Tannim. In oude vertalingen werd dit woord met ‘draak’ vertaald en een paar keer met ‘slang’. Het woord komt 23x in de Bijbel voor. Ook in andere oude literatuur komen beschrijvingen van draken voor. Zouden dinosauriërs misschien de oorsprong van drakenverhalen kunnen zijn?

Deze varaan wordt in het Engels ‘komodo dragon’ genoemd. Als dit dier drie of vier meter hoog zou worden, dan zou je de indruk krijgen van een dinosaurus. We hebben al gezien dat veel organismen vóór de zondvloed groter werden dan nu. De gemiddelde dinosaurus had ongeveer de grootte van een schaap. Je had hele grote dino’s, maar ook heel veel kleintjes. De varaan zou je kunnen zien als één voorbeeld van een dinosaurus die nog niet uitgestorven is. Hetzelfde zou je kunnen zeggen van de leguaan en de krokodil.

De apocriefe boeken vind je in een katholieke bijbel. Daniel heeft daarin een aantal extra hoofdstukken.
Daniël 14:22-27: “En er was een grote draak in die streek en de Babyloniërs aanbaden hem. En de koning zei tegen Daniël: ‘Luister, u kunt toch niet zeggen dat dit geen levende god is? Aanbid hem dan’. En Daniël zei: ‘Ik aanbid de Here mijn God, want Hij is de levende God.
Maar dat is geen levende god. Maar als u mij toestaat, o koning, zal ik deze draak doden zonder zwaard of knuppel’. En de koning zei: ‘Ik sta het u toe’. Toen nam Daniël pek, vet en haar, kookte het mengsel, maakte er bundeltjes van en stopte ze in de bek van de draak. En de draak barstte uit elkaar. En toen zei hij: ‘Kijk nu eens naar hem die jullie aanbidden.’
Daniël was slim, hij nam pek (kleverig spul), vet (bijna alle dieren houden van vet) en haar ( verteert niet). Toen de draak dat gegeten had, kreeg hij natuurlijk een verstopping van de darmkanalen. Het beest indrukwekkend geweest zijn, anders zouden ze hem niet aanbeden en gevreesd hebben.
In Job 40:15-24 wordt “Behemoth” (beest der beesten) beschreven: “Machtige spieren in zijn lendenen en buik”, hij “beweegt zijn staart als een ceder”, “de pezen van zijn liezen zijn gevlochten”, “zijn botten als bronzen buizen, als ijzeren staven”, “hij is de voornaamste van Gods ondernemingen”, “hij ligt onder de lotusplanten, verbergt zich in moerassen”, “hij staat stevig in een sterk stromende rivier”, “niemand kan hem temmen”.
Deze beschrijving in het boek Job ,waarvan wordt aangenomen dat het uit de tijd vlak na de zondvloed stamt, zou heel goed op een dinosaurus kunnen slaan.

Ik acht het waarschijnlijk dat Job over een Brachiosaurus of Diplodocus schreef. Die staarten komen qua vorm dicht in de buurt van een boom. Ze voldeden in ieder geval uitstekend aan de titel “hoofd” of “voornaamste van Gods ondernemingen”
Job 41 beschrijft “Leviathan” (groot zeemonster): “Afschrikwekkende tanden rondom”, “sterke schilden”, “lichtschijnsel als hij niest; zijn ogen lichten op als de dageraad”, “uit zijn bek komen vlammen en vurige vonken”, “uit zijn neusgaten komt rook, zijn adem laat kolen ontbranden”, “het zwaard van zijn belager doet hem niets en hij laat de diepte borrelen als in een kookpot”, “op de aarde is niets met hem te vergelijken”, “hij kijkt overal op neer, hij is de koning van alle trotse dieren”.
Waarom zou God geen vuurspuwende hagedis- of krokodilachtige kunnen maken? Wie weet had de pliosaurus wel de mogelijkheid om vuur en rook te produceren. Het feit dat een dergelijk beest serieus beschreven wordt in een oud boek als Job, geeft aan dat wij het ook serieus kunnen nemen. Dan is hij dus nog door mensen beschreven en is hij niet ‘prehistorisch’ (van voor de geschreven geschiedenis).

Dat er grote zeemonsters in onze oceanen hebben rondgezwommen is een feit. Misschien was dat wel het beest waarop de Vikingen hun drakenkoppen hebben gebaseerd. Het is waarschijnlijk en ook logisch dat een aantal in het water levende dinosauriërs de zondvloed overleefd hebben.
Noach hoefde de waterbeesten niet mee te nemen in de ark en ondanks de gigantische omvang van de ramp moeten er plaatsen op aarde geweest zijn waar het tumult iets minder was, zodat ze konden overleven. Het overleven van die oude ‘zeemonsters’ kan vanuit een bijbels wereldbeeld makkelijk verklaard worden.

Sommige mensen zullen zeggen dat het hier om mythologische afbeeldingen gaat, maar is het niet logisch om te concluderen dat het om beesten gaat die daadwerkelijk door mensen gezien zijn?
In 326 voor Christus waren de soldaten van Alexander de Grote in wat nu India is. Ze zeiden bang te zijn voor grote draken die daar in grotten leefden. Een zekere Beowulff zou draken gedood hebben en werd uiteindelijk zelf gedood tijdens een gevecht met een gevleugelde draak (pterodactilus?).
Zouden we moeten concluderen dat er nooit zulke beesten samen met mensen bestaan hebben, alleen maar omdat we ze nu niet meer in dierentuinen kunnen bewonderen? Zouden echt al die verhalen moeten worden toegeschreven aan de bijgelovigheid of de sensatiezucht van de vertellers?

Uit de kunst van oude culturen kunnen we de conclusie trekken dat ze bekend waren met draken (dinosauriërs). We kunnen drakenkunst terugvinden in Indiaanse Petrogliefen. Rots- en kliftekeningen in Utah en Colorado tonen ruwe afbeeldingen van bepaalde dinosaurussoorten (gedateerd tussen 400 en 1300 na Christus). Kijk ook eens naar het Gilgamesh epos, Fafnir, Beowulf en andere Legenden.
Dinosaurus-achtige wezens worden voorgesteld op Babylonische markeringen, Romeinse mozaïeken, Egyptische gewaden voor begrafenissen, en vele andere kunst verspreid over de hele oudheid.
Er zijn ook heel recente verhalen van draakachtige wezens. Marco Polo schreef aan het einde van de dertiende eeuw over draken die hij zag op een van zijn reizen door China.
Hij beschreef enorme slangen van tien passen lang, met een lichaamsomtrek van tien handlengten. Aan de voortkant, dicht bij het hoofd, twee korte poten, elk met drie klauwen als van een tijger, met ogen groter dan een brood van vier denari, die je intens aanstaarden. De kaken waren breed genoeg om een man te verslinden en grote, scherpe tanden.
Overdag leefden ze in grotten en in de nacht gingen ze op zoek naar voedsel. Hij beschreef nauwkeurig hoe ze werden gejaagd, geslacht en welke delen werden gegeten. Hij wist zelfs te vertellen dat de galblaas een geneeskrachtige werking had.