Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Bosrank : Clematis vitalba

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke trossen roomwitte bloemen met lange meeldraden en
– houtige stengels tot 30 meter hoog

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosrank is een overblijvende, houtige klimplant die vrij algemeen voorkomt. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, kalkhoudende grond aan bosranden, in heggen en in struikgewas. Recent ook in plantsoenen en als bodembedekker op kribben langs de grote rivieren.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bosrank bloeit vanaf juni tot en met augustus met roomwitte bloemen. De bloemen vallen vooral op door de talrijke lange meeldraden. Ze staan in okselstandige en eindelingse trossen. Ze hebben vier, aan beide zijden viltig behaarde bloemdekbladen, die iets teruggeslagen staan, aan de top soms omgerold zijn en spoedig afvallen. De binnenkant van de bloemdekbladen is wit, de buitenkant groenig.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn samengesteld geveerd en bestaan 3 tot 5 glanzende deelbladeren. De bladstelen slingeren zich om takken en stengels van andere planten zodra ze ermee in contact komen. De stengels zijn houtig en kunnen een lengte van 30 meter bereiken. Ze gaan hangen, zodra ze de top van een boom of struik bereikt hebben.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheid

 

Bosrank is giftig en kan huidirritaties veroorzaken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen en toenemend
– tot 30 meter

Bloem
– roomwit
– juni t/m augustus
– tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits
– rand gaaf, gelobd of getand
– voet hartvormig
– netnervig
– glanzend
– rankende bladsteel

Stengel
– klimmend of hangend
– behaard en kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : Stachys sylvatica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze van in schijnkransen staande donker paarsrode lipbloemen en
– de breed eironde, behaarde, gesteelde bladeren (lijken op brandnetelbladeren)

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosandoorn is een overblijvende, bij kneuzing van de bladeren onaangenaam ruikende, behaarde plant van 50 tot 100 cm hoog, die bloeit vanaf juni tot en met augustus op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en aan heggen. Ze kan schaduw goed verdragen. Bosandoorn heeft ondergrondse uitlopers, waardoor ze woekert en grote bestanden kan vormen. Ze is algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een losse schijnaar aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De schijnaar bestaat uit een aantal schijnkransen van meestal 6 donker paarsrode bloemen. De bloemen zijn tweelippig. Onder de helmvormige bovenlip staan de vier meeldraden en de stijl. De 3-lobbige onderlip is groter en heeft een patroon van witte lijnen en vlekken (honingmerk).

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren lijken veel op brandnetelbladeren; zonder bloemen lijkt bosandoorn op brandnetel. De bladeren zijn behaard, breed eirond met een hartvormige voet, spitse top en lange steel. De bovenste bladeren zijn wat minder breed, wel eirond en de steel is korter. De stengels zijn vaak boven het midden vertakt en roodachtig.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vroeger werd bosandoorn gebruikt vanwege wondhelende, krampopheffende en zweetdrijvende eigenschappen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Betonie : helder roze bloemen, bladeren langwerpig met hartvormige voet, zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Stinkende ballote : lichtpaarse bloemen, bladeren eirond met afgeronde voet, zeldzaam voorkomend, sterk ruikend.

 

 

 

 

 

Akkerandoorn : bleekroze bloemen, zelden wit, vrij tot zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : donker paarsrode bloemen, alle bladeren eirond met hartvormige voet en gesteeld, sterk ruikend

 

 

 

 

 

 

Moerasandoorn : roze bloemen, bovenste bladeren zittend en langwerpig.

 

 

 

 

 


Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 50 tot 100 cm

Bloem
– donker paarsrood
– vanaf juni t/m augustus
– schijnkrans
– lipbloem
– 12 tot 18 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– scherp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bont kroonkruid : Securigera varia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de wit/roze bolvormige bloeiwijze en de rijke bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bont kroonkruid is een overblijvende giftige plant van 30 tot 120 cm hoog, die zeldzaam is en voornamelijk te vinden is in de duinen en in stedelijke gebieden. Bont kroonkruid komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en is van daaruit verspreid naar West- en Noord-Europa. Inmiddels is de plant een geaccepteerde inheemse soort. Je vindt haar op matig vochtige, kalkrijke grond op dijkhellingen, langs wegen, spoorwegen en in de duinen. Behalve in het wild voorkomend wordt bont kroonkruid ook ingezaaid voor bodemverbetering, het tegengaan van erosie en als bermbeplanting.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met mooie wit/roze bolvormige 10- tot 20-bloemige schermen, die aan het einde van lange stelen staan. De schermen tonen op afstand roze, maar de individuele bloemetjes in het scherm bestaan uit drie kleuren: een donkerroze vlag, witte zwaarden en lichtroze kiel met donkere punt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bont kroonkruid heeft liggende en opstijgende stengels en kan daarmee grote stukken grond bedekken. De bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 12 paar deelblaadjes en een topblaadje. De ovale blaadjes zijn 6 tot 16 mm lang.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Hoewel bont kroonkruid giftig is, schijnt thee gezet van de plant verlichting te bieden bij astma en nerveuze hartklachten.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 30 tot 120 cm

Bloem
– roze en wit
– vanaf juni t/m september
– bolvormig scherm
– vlinderbloem
– 10 tot 15 mm
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1 nervig

Stengel
– liggend en opstijgend
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bolderik : Agrostemma githago

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de prachtige, helder roze, alleenstaande bloemen, waarvan de kelkslippen ruim buiten de kroonbladen steken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bolderik is een eenjarige plant van 20 tot 100 cm hoog. In het wild is ze zeer zeldzaam. Ze groeit op roggeakkers en wordt ook uitgezaaid. Ze staat als ernstig bedreigd op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bolderik bloeit in juni en juli met prachtige lang gesteelde alleenstaande bloemen. De bloemen hebben vijf iets uitgerande helder roze (zelden witte) kroonbladen en vijf ruw behaarde kelkbladen met slippen, die langer zijn dan de kroonbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De grijsgroene stengels zijn zwak tot viltig behaard en niet of nauwelijks vertakt. De zacht behaarde bladeren zijn lijnvormig, tot 12 cm lang en met spitse top.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Een vergelijkbare soort is oosterse bolderik. Deze onderscheidt zich van bolderik door de kortere kelkslippen, die niet voorbij de kroonbladen steken. Oorspronkelijk komt oosterse bolderik uit het oostelijk Middellandse Zeegebied. Ze wordt uitgezaaid en komt van nature bij ons niet in het wild voor.

 

 

Oosterse bolderik

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam, rode lijst
– 0,2 tot 1 m

Bloem
– helder roze (zelden wit)
– juni en juli
– lang gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 3 tot 5 cm
– 5 kroonbladen, iets uitgerand,
niet vergroeid
– 5 kelkbladen, ruw behaard
– 10 meeldraden
– 5 behaarde stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet doorgegroeid
– 1-nervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– niet of nauwelijks vertakt
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauw glidkruid : Scutellaria galericulata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

1k0

 

 

Goed te herkennen aan
– de behaarde, paarsblauwe lipbloemen, waarvan
– de bovenlip duidelijker korter is dan de onderlip en
– de onderlip paars wit getekend is en
– het uitsteeksel bovenop de 2-lippige kelk

 

 

1k0-1

 

 

 

Algemeen

 

Blauw glidkruid is een overblijvende, behaarde plant van 15 tot 45 cm hoog. De plant komt zeer algemeen tot vrij algemeen voor. Ze groeit op natte, humusrijke grond in riet- en zeggemoerassen, aan waterkanten, op drijftillen, in duinvalleien en moerasbossen en op vochtige stenige plaatsen (bv sluismuren), maar ook op drogere, humusrijke plaatsen, vooral in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn paarsblauw, zelden lichtroze of wit en staan alleen in de bladoksels. Vaak staan twee bloemen, die op gelijke hoogte staan, dezelfde kant op en daardoor lijkt het alsof ze per paar in de bladoksels groeien. De bloemen hebben een behaarde kroon met een korte bovenlip en een langere onderlip, die wit paars getekend is (honingmerk). De kelk is 2-lippig en heeft aan de bovenzijde een uitsteeksel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn vierkant en behaard. De bladeren zijn aan beide zijden behaard, langwerpig tot lancetvormig. Het onderste gedeelte van de stengel en de onderkant van de bladeren kunnen roodachtig verkleurd zijn.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd blauw glidkruid gebruikt als wondgenezend middel. Verwant aan ons blauw glidkruid zijn Amerikaans glidkruid (Scutellaria lateriflora) en glidkruid uit China (Scutellaria baicalensis). Beide worden nog medicinaal gebruikt. Vooral van Amerikaans glidkruid is bekend dat het in de fytotherapie onder andere gebruikt wordt als kalmerend en zenuwversterkend middel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 45 cm

Bloem
– paarsblauw, zelden lichtroze of wit
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– lipbloem
– 12 tot 22 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 2 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– kort gesteeld
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gekarteld
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig
– beide zijden behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– vierkant

zie wilde bloemen

 

 

scuttelaria-galearica-img_9702

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne-kop-a4

Klein tasjeskruid ; Teesdalia nudicaulis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-teesdalia_nudicaulis1_ef

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het trosje witte bloemen met ongelijke kroonbladen
– aan de einde van de stengel en
– de vorm van de vruchtjes

 

 

klein_tasjeskruid_01

 

 

 

Algemeen

 

Klein tasjeskruid is een klein eenjarig plantje van 3 tot 20 cm hoog. Ze groeit op open, droge zandgrond en komt algemeen voor op de hoge zandgronden in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Klein tasjeskruid bloeit vanaf april tot en met juni, soms weer in augustus/september. De bloemetjes zijn wit en staan in een tros aan het einde van de stengel. Ze hebben vier kroonblaadjes, waarvan de buitenste twee groter zijn dan de binnenste. Door de buitenste stralende bloemen valt het plantje meer op en trekt daardoor beter insecten aan. Alle bloemen in de bloeiwijze zijn stralend, want elk bloemetje komt op een gegeven moment aan de buitenkant van de bloeiwijze te staan doordat de bloeistengel zich tijdens de bloei verlengt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De plant kiemt in de winter. Daarna vormt ze een platte rozet van enkelvoudige, veervormig ingesneden bladeren. De middelste stengel is bladloos, eventuele andere stengels uit hetzelfde rozet kunnen één of meer kleinere blaadjes hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Klein tasjeskruid lijkt op afstand wat op herderstasje, maar is tengerder en de vruchtjes zijn niet driehoekig, maar uitgerand ei-rond.

 

Naast herderstasje zijn er nog 5 andere (zeer) algemeen voorkomende, vroege voorjaarsbloeiers met 4-tallige, kleine witte bloemetjes en een bladrozet.

 

 

 

herderstasje : driehoekige vruchten.

 

 

 

 

 

 

vroegeling : gespleten kroonbladen en brede, platte vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

zandraket : lange, smalle, schuin afstaande vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

 

kleine veldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

bosveldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die niet of nauwelijks boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

klein tasjeskruid : ongelijke kroonbladen, eironde, platte, haaks afstaande vruchten, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Cruciferae)
– eenjarig
– algemeen voorkomend op   zandgronden
– 3 tot 20 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– hoofdje
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bitterzoet : Solanum dulcamara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-solanum_dulcamara-01_xndr

 

 

Goed te herkennen aan
overhangende trossen paarse (zelden witte), 5-tallige, knikkende, geurende, bloemen met tot een gele kegel vergroeide helmknoppen

 

09_heidijk_drunen_annie_2011_08_16-23

 

 

 

Algemeen

 

Bitterzoet is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant en stelt weinig eisen aan grond, hoeveelheid licht en vochtigheid. Ze verdraagt zelfs zoute zeewind. Ze groeit op droge tot natte, min of meer voedselrijke grond in moerasbossen, aan waterkanten, op drijftillen, aan heggen, ook in de zeereep en op geknotte bomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn paars met in het hart een opvallende gele kegel van vergroeide helmknoppen. Ze staan met 10 tot 25 bij elkaar in overhangende trossen. De kroonbladen van pas geopende bloemen staan eerst recht of zijn licht teruggeslagen; de kroonbladen van de bloemen, die langer open zijn liggen meestal tegen de steel. Elk kroonblad heeft aan de basis twee glanzende, groene vlekken met een witte rand. De bloemen ruiken aangenaam, maar bevatten geen nectar, hoewel dat door de glanzende, groene vlekken wel zo lijkt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De donkergroene, soms paars aangelopen bladeren zijn aan beide zijden zacht behaard, langwerpig tot eirond, hebben een gave rand en een zwak hartvormige of afgeronde voet. De voet van de bovenste bladeren is vaak spiesvormig of het blad is 3-tallig geoord. De stengels zijn onderaan verhout, kunnen rechtop staan, op de grond liggen of zich winden om andere vegetatie.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

De 1 cm grote, ovale bessen, die na de bloei gaan groeien, verkleuren van groen via geel naar rood en zijn glanzend. Ze bevatten vele zaden, die jaren kiemkrachtig blijven. De rijpe bessen zijn zacht en eetbaar voor vogels, die zo mede zorgdragen voor de verspreiding van de plant. Voor de mens zijn ze zeer giftig!

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Bitterzoet bevat glycosiden. Als je op de stengel kauwt proef je eerst de bittere smaak van de glycosiden. Dan gaat het speeksel met de glycosiden reageren en komt er sacharose vrij, dat zoet smaakt. Zoals de meeste nachtschade-soorten is bitterzoet giftig! Ondanks de giftigheid wordt bitterzoet gebruikt in de fytotherapie. Het heeft een vochtafdrijvende, ontstekingremmende en bloedzuiverende werking.

 

 

 

 

 

Weetje

 

Omdat bitterzoet een waardplant is voor de bruinrotbacterie, die besmetting van het oppervlaktewater kan veroorzaken, wordt de plant gezien als een probleem in de land- en tuinbouw. Bestrijding is niet makkelijk, omdat elk stukje wortel dat achterblijft, kan uitgroeien tot een nieuwe plant.

 

 

4195324642_629e060a2c_b

 

 

 

Algemeen

 

nachtschadefamilie (Solaneceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 30 tot 200 cm

Bloem
– paars, zelden wit
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 10 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet zwak hartvormig of afgerond
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop, windend of liggend
– weinig behaard of kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

mijne kop a4

Boekweit : Fagopyrum esculentum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote pijl- of hartvormige bladeren en
– de losse aarvormige trossen witte bloemetjes en
– de donkere vruchtjes, die qua vorm op beukennootjes lijken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Boekweit is geen inheemse wilde plant, maar een eenjarig landbouwgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Oost-Azië. Vroeger werd boekweit verbouwd op schrale zandgrond. Ten opzichte van de huidige gewassen is de opbrengst te laag om verbouw lonend te maken en wordt ze alleen nog gebruikt als nectarplant voor honingbijen, zit ze in zaaimengsels en in vogelvoer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Boekweit bloeit vanaf juni tot en met augustus met kleine witte of roze bloemetjes, die gegroepeerd zitten in losse pluimen in de bladoksels en aan het einde van de stengel. De bloemetjes hebben 5 bloemdekbladen, geen aparte kroon- en kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn groot, pijl- of hartvormig, meestal iets langer dan breed. De stengel is roodachtig.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchtjes. Ze zijn driehoeking en lijken sterk op kleine beukennootjes. Elk vlak heeft scherpe randen, in tegenstelling tot Franse boekweit, waarvan de vruchtjes getande randen hebben. De vruchtjes zijn 2x zo lang als het (nog niet verdroogde) bloemdek. De vruchtjes van Franse boekweit zijn 3x zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

boekweit : wit of roze bloemdek, vruchtjes scherp driehoekig en twee maal zo lang als het bloemdek.

 

Franse boekweit : groen bloemdek, vruchtjes getand driehoekig en drie maal zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– eenjarig
– schaars landbouwgewas
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 5 tot 7 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijl- of hartvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet pijl- of hartvormig
– hand-/netnervig

Stengel
– rechtop
– aan 1 kant behaard
– roodachtig
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijenorchis : Ophrys apifera

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloem6-g

 

 

Goed te herkennen aan
de orichideebloemen met drie roze of lila soms witte kroonbladen met groene middennerf en een bruine, geelgroen gevlekte, onderaan behaarde, gewelfde middenlob.

 

 

bijenorchis

 

 

 

Algemeen

 

Bijenorchis is een overblijvende plant van 20 tot 50 cm, die bloeit in juni en juli. Ze groeit op grazige, enigszins vochtige, kalkhoudende grond in kalkgraslanden en bermen, aan slootkanten en op opgespoten terreinen. Ze is zeldzaam en in Nederland wettelijk beschermd. De laatste 20 jaar is ze behoorlijk in aantal toegenomen.

 

 

Bijenorchis

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een ijle aar van 2 tot 8 bloemen. Bijenorchis vormt in het najaar een rozet en gaat zo de winter door. De bloem zit ingewikkeld in elkaar. Ze heeft 3 buitenste, gekleurde bloemdekbladen, variërend van roodachtig wit tot lila of roze met een groene middennerf. Ze kunnen afstaan of teruggeslagen zijn. Dan de 2 binnenste, veel kleinere bloemdekbladen, die wat aan hoorntjes doen denken. Deze zijn groen of roodachtig en behaard.

Het meest opvallend is de 3-lobbige lip (is een vergroeid binnenste bloemdekblad), die bestaat uit een 1 grote, gewelfde, onderaan behaarde, bruine, geelgroen gevlekte middelste lob en 2 kleinere, omhoog gebogen, behaarde, bruine zijlobben. Het vlekkenpatroon op de middenlob varieert sterk van plant tot plant. Tot slot de groene, gebogen stempelzuil. De bloem lijkt op een steel te staan, maar dat is het vruchtbeginsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

orchideeënfamilie (Orchidaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– wettelijk beschermd
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, lila, wit, groen, bruin
– juni en juli
– ijle aar
– orchideebloem
– 10 tot 13 mm
– 6 bloemdekbladen
– 1 stempelzuil

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallel nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Bezemkruiskruid : Senecio inaequidens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-senecio_inaequidens

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele voor kruiskruid kenmerkende bloemhoofdjes en
– de lange, smalle, lijnvormige bladeren tot 5 (8) mm breed

 

 

img_7404-gr-bezemkruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

Bezemkruiskruid is een sterk vertakte, overblijvende plant van 0,2 tot 1,10 meter hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Afrika. Met de aanvoer van wol is bezemkruiskruid in Europa terecht gekomen. Ondanks haar afkomst uit Zuid-Afrika kan ze goed tegen vorst.

Hoewel ze zich bijna een halve eeuw heeft gedragen als adventief plant, is ze nu ingeburgerd en algemeen voorkomend. Je vindt bezemkruiskruid langs spoorwegen, aan rivieroevers, in bermen (ook langs snelwegen), op omgewerkte grond en in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bezemkruiskruid is rijk bloeiend vanaf juni tot en met december met helder gele bloemhoofdjes, die bestaan uit een hart van gele buisbloemen, omgeven door 10 tot 15 iets naar beneden gerichte, glanzende, gele straal- bloemen. De hoofdjes staan in een losse pluim.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De (half) stengelomvattende bladeren met geoorde voet zijn wat vlezig en smal, 2-5(-8) mm. De rand is gaaf tot getand. De stengel is sterk vertakt, aan de voet verhout en soms rood aangelopen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– sterk toenemend
– 20 tot 110 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m december
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 18 tot 25 mm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top spits
– rand gaaf of getand
– voet geoord
– een-nervig
– (half)stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– soms rood aangelopen
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

bezemkruiskruis-nof

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA