Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Psalm 102 • A prayer of one afflicted
.
Psalm 102 . Een gebed van een gekwelde
.
Paul LeBoutillier
.




Van de veldhoenders (patrijsachtigen) is de kwakkel, of kwartel, de kleinste. Het is een trekvogel, zo groot als een leeuwerik. Rond de Middellandse Zee kan men er soms duizenden oprapen, die door hun overtocht uitgeput raakten. De kwakkels die men in Israël of de Sinaï uit tropisch en Oost-Afrika ziet komen, zijn op weg naar Mid-den- en Oost-Europa. In de Bijbel komen kwakkels twee keer voor. In beide gevallen dienden zij als voedsel voor de Israëlieten op weg van Egypte naar Kanaän. In Exodus 16:1 – 3 lezen wij hoe het volk tegen Mozes en Aäron morde dat het geen eten had, waarop God het vlees en brood beloofde. Maar hoe? Het was juni en de trektijd voor kwakkels was voorbij.
Toch bracht God er genoeg bijeen om het hele volk te verzadigen. Hij was niet van plan dit wonder elke dag te herhalen, want Hij had Zijn volk een andere kost bereid, het manna. Dat was het hemelse brood, met een geestelijk les, zie Deuteronium 8: 3.
“Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten … om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat de mond van de Here uitgaat.”
Het manna stelt dus het geestelijke voor, en de kwakkels het vleselijke. Israël moest leren op God, en niet op vlees, te vertrouwen. Veelzeggend is het commentaar van de Psalmist, zie Psalm 105: 40.
“Zij vroegen en Hij deed kwakkelen komen, met brood uit de hemel verzadigde Hij hen.”
Slechts het ware brood uit de hemel kan ons verzadigen. Twee jaar later kwamen de Israëlieten weer tegen Mozes in opstand. Zij waren het manna zat, en verlangden vlees te eten (Numeri 11: 4 – 6). Gods toorn ontbrandde en Hij gaf hen een onvergetelijke les, zie Numeri 11: 18 – 20.
4 De vreemdelingen die met hen uit Egypte meegereisd waren, begonnen terug te verlangen naar Egypte. Toen gingen ook de Israëlieten weer mopperen en klagen: “Hadden we maar vlees te eten! 5 En weet je nog hoeveel vis we in Egypte zomaar konden eten! En wat hadden we een lekkere komkommers en meloenen, preien, uien en knoflook! 6 Maar nu drogen we uit. Er is helemaal niets te eten. We hebben alleen maar dat manna.”
“De Here zal u vlees geven … een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt … omdat gij de Here hebt veracht.”
Mozes kon zijn oren niet geloven, maar Gods hand is niet beperkt. Uit twee richtingen bracht God grote vluchten kwakkels samen, één uit Arabië (O), de andere uit Oost-Afrika (Z) (Psalm 78: 26 – 29). Maar dat hielp hen niet want terwijl zij het vlees nog aan het kauwen waren, sloeg God hen met een zware slag (of, plaag) en velen kwamen om (Psalm 106: 15).
26 Hij zorgde ervoor dat er een oostenwind ging waaien. Ook zorgde Hij voor een sterke zuidenwind. 27 De wind bracht vogels mee, zo ontelbaar als het zand langs de zee. 28 Het regende vogels in het kamp, rondom hun tenten. 29 Ze aten zoveel ze wilden. Hij gaf hun waar ze om hadden gevraagd.
15 U gaf hun het eten waar ze om vroegen, maar een groot aantal mensen stierf daaraan.
.
.
Was het vertalen en uitgeven van Bijbels ten tijde van de reformatie vooral een zaak van particulier initiatief, in de tweede helft van de zestiende eeuw begon de behoefte op te komen aan officiële, door de kerk geautoriseerde vertalingen. In Nederland leidde dit tot het ontstaan van de Staten-vertaling, die drie eeuwen de standaard Bijbel werd van protestants Nederland. De katholieken kregen hun Moerentorfbijbel, die zich echter nooit een verge-lijkbare status heeft verworven. De reformatie had de Bijbel hersteld als maatstaf van het geloof. Maar na verloop van tijd begon men te beseffen dat een nauwkeurige vertaling daarvoor een eerste voorwaarde was. Hoe kon men een strijdpunt beslissen, als men niet zeker kon zijn dat de Nederlandse vertaling de juiste weergave was van het origineel.
Het probleem was dat vertalingen het werk waren van één man, en vaak het resultaat van particulier initiatief. Reeds halverwege de zestiende eeuw begon de kerk te beseffen dat zij hier een eigen verantwoordelijkheid bezat. De kerk betekende Nederland de calvinistische, hervormde kerk. Maar er kwam niets van de grond. Men wilde het werk niet overlaten aan één enkele vertaler, en het lukte niet om een aantal vertalers bijeen te krijgen, die zich volledig aan deze zaak konden wijden. De zaak werd op diverse synodes besproken, maar er kwam niets gereed. Op de eerste nationale synode, te Dordrecht in 1618, kwam de zaak opnieuw ter tafel. Het feit dat een aantal jaren tevoren (1611) in Engeland een officiële vertaling was uitgekomen onder auspiciën van de koning (de zgn. King James vertaling), zal wel voor een extra stimulans hebben gezorgd.
Men besloot om ook in het Nederlandse geval de overheid om hulp te vragen. Als zij het project financieel wilde steunen, kon men een aantal predikanten vrijstellen van hun gewone dienst, zodat zij zich geheel aan deze zaak konden wijden. Het duurde tot 1625 voordat de “Hoogmogende Heeren” overstag gingen en besloten het werk financieel te steunen. De vertalers moesten zich dan wel in Leiden vestigen, om daar in de nabijheid van de unive-rsiteit gezamenlijk hun werk te doen. De vertaling van het Oude Testament begon in 1626 en die van Nieuwe Tes-tament in 1628. Aan elk der beide Testamenten werd door drie predikanten gewerkt, die regelmatig vergaderden en alles in onderling overleg deden.
Wanneer een deel gereed was, werd het in overleg met een aantal revisoren besproken en uiteindelijk goed-gekeurd. Het duurde tot 1635-36 voordat op deze manier alles doorgenomen was. Om na dit vele werk te voor-komen dat er door onzorgvuldig drukken toch weer fouten zouden insluipen in de definitieve Bijbel, werd be-paald dat de druk eveneens te Leiden diende te geschieden, onder supervisie van de vertalers. De Amsterdamse drukker van Ravensteyn verplaatste zijn drukkerij naar Leiden, en begon aan het karwei, waarvoor hij een octrooi kreeg van 15 jaar. In 1637 werd het eerste exemplaar, in fluweel gebonden, aangeboden aan de Staten- Generaal. Het was, evenals alle latere edities, voorzien van een opdracht aan de Staten-Generaal, en de vertaling is dan ook de geschiedenis ingegaan als ‘de Staten-vertaling’.
Men schat dat deze de Staten ca. 75.000 gulden (ongeveer 35.000 euro) heeft gekost. De Staten eisten dat de uitgave voor een redelijke prijs op de markt zou worden gebracht. Dit werd ca. 27,50 gulden (12,50 euro) in een tijd dat een jaarloon van een geschoold vakman ca. 300 gulden bedroeg; dus ca. een maand loon. Het vertaalwerk was zo grondig gedaan, dat de Statenvertaling 300 jaar lang de standaard-vertaling van protestants Nederland is geweest.
Helaas bleek al spoedig na het in gebruik nemen van de nieuwe vertaling, dat er ondanks alle zorgvuldigheid toch fouten in de tekst waren ingeslopen. Omdat van de oorspronkelijke vertalers en revisoren intussen de meesten waren overleden, leidde dit tot nieuwe heftige discussies over de juistheid van de uitgave. Een uitgebreide her-ziening leidde tenslotte tot een register van verbeteringen, dat in 1655 door van Ravensteyn werd uitgegeven. Aan de hand hiervan werd in 1657 een herziene uitgave gedrukt, die daarna als standaard werd beschouwd waaraan alle latere uitgaven dienden te worden getoetst.
Er werd bovendien een predikant aangewezen, die de drukker hierop moest controleren, en die elk exemplaar van een goedgekeurde editie van zijn handtekening moest voorzien, als een waarmerk van betrouwbaarheid. De ver-plichting hiertoe is door de nationale synode eerst in 1867 ingetrokken.
Het privilege dat van Ravensteyn verkreeg om gedurende 15 jaar als enige de geautoriseerde uitgave te drukken, werd later nog eens 25 jaar verlengd. Dit zette andere drukkers langdurig buiten spel. Die hadden toch al te lijden gehad van het feit, dat de verwachte komst van een nieuwe vertaling de kopers aarzelend had gemaakt een Bijbel aan te schaffen. En nu viel er nog steeds niets te verdienen. Dit leidde er vooral in Amsterdam toe dat er talloze ongeautoriseerde uitgaven verschenen. Het feit dat deze met minder zorgvuldigheid waren gezet, en vaak talloze fouten bevatten, leidde tot heftige discussies tussen de kerk en de plaatselijke gemeentebesturen.
Het was tevens een van de redenen de officiële edities exemplaar voor exemplaar te signeren. Wel werden zulke piratenuitgaven vaak eenvoudiger uitgevoerd, en tegen een lagere prijs op de markt gebracht, wat bijdroeg aan een grotere verspreiding van de Statenvertaling. Tussen 1637 en 1900 zijn 675 uitgaven bekend, waarvan 395 complete Bijbels en 268 Nieuwe Testamenten.
Het uitgeven van een complete Bijbel was een kostbare onderneming, Het vereiste een grote investering. Er moest veel gedrukt worden voordat er kon worden uitgegeven. En als het zetsel moest worden bewaard, lag er veel kapitaal vast in loden letters. Dit bracht in betere tijden de drukkers er toe de handen ineen te slaan en het karwei gezamenlijk aan te pakken. Elk drukte dan een deel en ieder gaf het totale resultaat uit, voorzien van een eigen titelblad. Zulke samen-werkingsverbanden werden Bijbelcompagnieën genoemd. Deze constructie is tot in onze dagen blijven bestaan.
De Statenvertaling is tot in onze dagen in gebruik gebleven, zij het in de loop van de tijd niet onveranderd. Vooral aan het eind van de 19e eeuw ontstond er ontevredenheid met het verouderde taalgebruik. De taal van de Sta-tenvertaling, die beslist modern was in de zeventiende eeuw, begon na 250 jaar wat sleets te worden. Dit leidde tot een aantal revisies. De spelling is enkele malen drastisch aangepast en een aantal verouderde woorden is ver-vangen door modernere varianten.
Wat het eerste betreft vergelijke men de variant van 1637:
Ende hy seyde, Een seker mensche hadde twee soonen: Ende de jonghste van haer seyde tot den vader, Vader geeft my het dele des goets dat my toekomt.
met die van de NBG-editie van 1977:
En hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot de vader: Vader geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt.
Wat het tweede betreft zijn woorden als ‘wijf’ en ‘onnozel’ vervangen door ‘vrouw’ en ‘onschuldig’, ‘bagge’ werd ‘ring’ en ‘herre’ werd ‘scharnier’.
Niet iedereen is hierin overigens even ver gegaan. De Gereformeerde Bijbelstichting streeft naar een vertaling die zo dicht mogelijk aansluit bij de Ravensteyn-editie van 1657, terwijl de laatste revisie van het NBG bijvoorbeeld weer wat verder gaat. Zo handhaaft de GBS het woord ‘geweer’ in Nehemia 4:17 terwijl de NBG- editie van 1977 hiervoor ‘wapen’ geeft, kennelijk omdat een geweer in onze taal een vuurwapen is gaan aanduiden (de NBG51 vertaling heeft hier, evenals een aantal andere vertalingen: ‘werpspies’).
Daarentegen handhaaft ook de NBG-editie van de Statenvertaling de beschrijving van de Ethiopiërs in Jesaja 18:2 als een ‘volk van dat getrokken is en geplukt’ (NBG-vertaling: ‘een rijzig en glanzend volk’); wijziging hiervan zou neerkomen op wijziging van de vertaling.
In 1548 verscheen te Leuven een officiële katholieke vertaling van de Vulgaat. Al snel bleek echter dat de ge-bruikte tekst verre van foutloos was. Na een grondige herziening hiervan werd een nieuwe vertaling gemaakt door Jan Moerentorf (Jan Moretus). Deze verscheen op de drempel van de nieuwe eeuw in 1599. Het is eeuwen-lang de standaardvertaling van de Nederlandse katholieken geweest. Moerentorf was de schoonzoon van de Vlaamse drukker Plantijn, en het drukkersgeslacht Plantijn-Moretus is tot laat in de negentiende eeuw in Ant-werpen actief geweest. Toch heeft deze Bijbel nooit de status kunnen evenaren die de Statenvertaling bij de protestanten had. Tussen 1599 en 1846 zijn er maar 18 edities verschenen van de volledige Bijbel, en 45 van het Nieuwe Testament.
De laatste groot-formaat complete Bijbel is uitgegeven in 1743. Daarna is er nog zes keer een Nieuw Testament uitgegeven en twee keer een Oud Testament. Tenslotte is er in 1837 nog een octavo-uitgave van de complete Bijbel geweest. Na het midden van de 19e eeuw is het stil geworden rond de Moerentorfbijbel. Katholieken werden niet geacht de Bijbel te lezen. Deze situatie bleef bestaan tot na de eerste wereldoorlog.




.
Mediteren komt zo’n twintig keer in de Bijbel voor. Het stamt van het Latijnse meditari, dat in de antieke cultuur het woord was voor militaire oefening en training. In de Latijnse Bijbelvertaling is het een vertaling van het He-breeuwse HGH, dat een herhaaldelijk half luid lezen van Gods Woord aanduidt, zoals in Jozua 1:8 en Psalm 1:2. Het was toen gebruikelijk de heilige teksten halfluid te mompelen en door continue herhaling uit het hoofd te leren. In het Grieks werd het vertaald met meletao (zorg dragen voor, aandacht wijden aan, koesteren, beharti-gen). In het Nederlands is de vertaling vaak zoiets als overpeinzen. Meer dan het verstand was bij meditari be-trokken zoals bijv. de adem, de mond, de tong, het verstand, het geheugen en het hart.
De joodse mondelinge traditie is model geworden voor de christelijke persoonlijke overweging van de Bijbeltekst. Deze geestelijke lezing maakte ruim gebruik van de allegorische uitleg, zoals die met name in Alexandrië geleerd werd door Clemens van Alexandrië en Origenes. De christelijke meditatie putte vooral uit de bijbel en was vaak het biddend overwegen van Bijbelteksten. Jezus leerde zijn discipelen het Onzevader bidden. Dit staat centraal in de christelijke gebedspraktijk. Daarnaast hadden en hebben de Psalmen een fundamentele betekenis voor het christelijke gebed. Hoewel Jezus zei dat men tot God de Vader moest bidden, in zijn naam, werd het gebruikelijk om tot Jezus zelf te bidden.
Daarbij speelde het gebed van de blinde Bartimeüs (zie Marcus 10: 48) een grote rol: `Heer Jezus, Zoon van God, ontferm u over mij zondaar’. Dit ‘Jezus-gebed’, is een mantra-gebed, de eindeloze herhaling van een gebedstekst. Het doel is om het rationele denken tot zwijgen te brengen en het hart te openen voor de aanwezigheid van Christus. Het gezamenlijk, liturgisch gebed speelde ook een belangrijke rol. Net als in de joodse traditie van drie-maal daags bidden, werd het in de christelijke kerken een gewoonte om geregeld getijdengebeden te bidden. Daarbij werden psalmen gereciteerd en christelijke hymnen gezongen. De kloosters speelden hierbij een grote rol.
Een belangrijke geestelijk leider van de kluizenaars was Origenes, die van 185-254 leefde en de catechetenschool in Alexandrië leidde. Later deed hij dat in Caesarea waar hij bij een vervolging gemarteld werd. Hij schreef over het gebed en pleitte voor staande bidden, met opgeheven handen, of, desnoods, zittend, liggend of geknield. Hij gaf als aanwijzing dat men daarbij het hoofd leeg moest maken van alle andere gedachten. Hij bepleitte een ge-wijde plek thuis om te bidden, gericht op het oosten. Daarbij moest men vasten, aalmoezen geven en het doen van gerechtigheid. Op die manier kon het leven `een groot, ononderbroken gebed’ zijn.
Het Bijbellezen en bidden moest minstens driemaal daags gedaan te worden. `De voorkeur moet gegeven wor-den aan ervaringen die optreden door het verheffen van de ziel tot God, gepaard met zelfonderzoek, boven de zichtbare weldaden die de bidders hier en nu te beurt vallen’ . Hij moedigt aan het gebed te beginnen door eerst God te loven, dan te danken voor zijn weldaden, en vervolgens om vergeving voor zonden te vragen. Men mag om grote en hemelse dingen bidden om vervolgens het gebed af te sluiten met het verheerlijken van God.
Bij de kluizenaars in de woestijn was meditatie en gebed één, zij reciteerden de Psalmen, het Onze vader en het Jezus-gebed terwijl zij handwerk verrichtten. Zij probeerden Paulus’ gebod om onophoudelijk te bidden (1Thess. 5, 17) uit te voeren. Zij kenden naast dit gebed ook het morgen- en avondgebed en de nachtwake. De lezing van de Heilige Schrift deden zij biddend en leerden grote stukken uit het hoofd. De hele dag door prevelden zij gebe-den en noemden dat meditari (Latijn) of (Grieks) meletao.
Cassianus, (365-435) beschrijft hoe de woestijnmonniken leven en denken. Hij gebruikt het woord meditari voor het persoonlijke, ononderbroken gebed. Tijdens het werk reciteert men uit het hoofd een psalm of een schrift-tekst waardoor intriges en boze raadgevingen geen enkele kans krijgen om het hart binnen te dringen. De stille overweging betreft het louter inwendig, woordeloos met God bezig zijn. In dat ene ogenblik vangt de ziel zoveel op dat dit alle menselijk voelen te boven gaat. De geest drukt zich niet uit in enge, menselijke bewoording, maar wordt door een hemels licht overstraald.
Dikwijls brengt de geest de weldadige vruchten van een vurig gebed voort in onuitsprekelijke vreugde en blijd-schap, zozeer dat ze zelfs kreten doet slaken van onverdraaglijke, onmetelijke blijdschap. Soms echter wordt de ziel gehuld in het geheim van een grote stilte en een diep zwijgen. De plotselinge verlichting doet de stem dan totaal verstommen. De geest geraakt in verrukking en stort zijn verlangens uit bij God. Soms wordt de geest zo hevig getroffen door smart dat er hevige tranen kan vloeien.
Dit vurige gebed kan men bereiken door een kort gebed te bidden, namelijk `God kom mij te hulp; Heer, haast U mij te helpen’ (Ps 69). Door het voortdurend herhalen van deze woorden worden alle andere gedachten tot zwijgen gebracht en bereikt men de door Christus zalig gesproken armoede van geest.
Ook Evagrius van Pontus (ca. 345-399) heeft grote invloed gehad op de leer van het gebed. Hij leefde zelf de laat-ste veertien jaar van zijn leven in de woestijn en werd sterk beïnvloed door Origenes. Zijn visie schreef hij in een religieuze verhandeling en is een vormende factor geweest voor de plaats van het gebed en de meditatie in de kloosters. Het geschrift bestaat uit 153 spreuken, woorden die woestijnvaders spraken tot leerlingen. Het funda-ment om dicht bij God te komen is de beoefening van de deugden die leiden tot vrij zijn van hartstochten en tot liefde. Dit gaat een belangrijke rol spelen in het contemplatieve gebed. Zelfzuchtige begeerten komen tot rust en de zuiverheid van hart wordt gevonden. Dit is volgens Evagrius de voorwaarde om God te zien, (verg. Jezus in de zaligsprekingen).
Het is het fundament waarbij men in de schepping de Schepper zelf ziet. Men komt in de staat van gebed, wat een voortdurende geestesgesteldheid met God is zowel bij het bidden, mediteren als andere bezigheden. Ook kan men, als God het geeft, God zelf aanschouwen. De kerk noemt dit de contemplatie. Evagrius waarschuwt voor schijngestalten van de contemplatie omdat demonen dit kunnen bewerkstelligen. Hij wijst met nadruk op de noodzaak van geestelijke onderscheiding. De beste voorbereiding voor de contemplatie is het psalmengebed, want dat brengt de geest tot rust. Als de psalmen rustig gereciteerd worden, leiden ze tot het stilzwijgende ge-bed.
Augustinus (354-430) heeft veel geschreven over het gebed. In zijn boek De grootte van de ziel beschrijft Augustinus zeven niveaus van het zielenleven.
1-3: de biologische, zintuiglijke en vakbekwame capaciteiten van de mens
4: de morele orde met corresponderende deugden of ondeugden
5: de ziel komt tot rust door inkeer in zichzelf
6: het oog van de ziel wordt gereinigd van alle begeerlijkheid
7: de contemplatie, het schouwen van de goddelijke waarheid
Augustinus beschrijft het gebed als een opgang tot God, net als Origenes en Evagrius. Bidden volgens Augustinus is het lezen en be-mediteren van Gods Woord in vier fasen:
Maar wij moeten boven de meditatie in ons eigen hart uitstijgen naar de contemplatie, een opvlucht naar God zelf toe, die tijdens dit aardse leven gebrekkig blijft, maar toch al een voorsmaak van de eeuwigheid bevat.
De middeleeuwse kloosters die zich hielden aan de regel van Benedictus (circa 480-550) praktiseerden meditatie in het getijdengebed en in de gezamenlijke of persoonlijke lectio divina. Het getijdengebed hield in dat men zevenmaal per dag en een keer ’s nachts samen kwam in de kapel om hymnen te zingen, Psalmen te reciteren en naar de Schrift te luisteren. Benedictus heeft meerder hoofdstukken in de regel aan het getijdengebed, ofwel het officie, gewijd. Daarin was ook ruimte voor persoonlijk stil gebed. Ook hadden de monniken en nonnen elke dag gelegenheid tot geestelijke lezing, lectio divina.
Men las bij de lectio divina in de bijbel of in boeken van kerkvaders, niet vanwege te verwerven kennis, maar om het persoonlijke geestelijk leven te voeden. Men las met het hart, minder met het hoofd en mediteerde daar per-soonlijk over. Soms mondde de schrift meditatie spontaan uit in gebed en hun gebed mondde soms uit in een eenvoudige concentratie op God. Deze woordeloze liefde voor God noemden ze Contemplatie. Mediteren ge-beurt vanuit de menselijke inspanning, contempleren is een gave van God, die plaats vindt in rust in een sfeer van verwondering en vreugde. De hoogste vormen van contemplatie zijn een vorm van extase.
Vanaf Bernardus van Clairvaux (1090-1153) neemt de betekenis van beelden bij de meditatie toe. Bernardus gaf meer aandacht voor Jezus als mens en gaf er aanleiding toe dat de meditatie zich verdiepte in allerlei details van Jezus’ leven en lijden. Na zijn tijd werd dit versterkt door het gebruik van beeldende kunst, zowel in de getijden-boeken als in het koor van abdijkerken, maar ook in de eigen cel van de monniken en vooral ook de nonnen. Zo ontstond ook het eigen devotiebeeld, vooral om vrome gevoelens op wekken. Deze affectieve vroomheid, ge-voed door zulke meditatievormen, werd soms beschouwd als iets voor beginnelingen, de gevorderden wijdden zich bovendien aan de contemplatie. Er waren ook stromingen die direct door wilden stoten naar het mystieke, beeldloze schouwen.
.
The cloud of unknowing, een anoniem geschrift dat in Engeland geschreven werd in de 14e eeuw, is een beknopt en praktisch boekje over het contemplatieve gebed. De auteur gaat ervan uit dat om God te ervaren men moet streven naar een “duisternis om je geest, of als het ware, een wolk van niet-weten.” Om dit te doen moet je je hart op God fixeren en al het andere vergeten. De samenhang van meditatie en contemplatie in het voortdurende gebed, zoals deze beleefd was vanaf de tijd van de woestijnkluizenaars, wordt hier doorbroken.
Over het algemeen wordt in de hoge middeleeuwen geen scherpe onderscheiding maakte tussen lezing, over-weging, gebed en contemplatie. Het zijn verschillende elementen in een proces, waarbij de hoogste vormen van contemplatie vooral gekenmerkt werden door het genade-karakter ervan. Alleen God geeft wanneer Hij het wil. De mens moet zich daarbij van zijn kant inzetten, ook met zijn inlevingsvermogen (fantasie). Dit laatste werd door Geert Grote benadrukt en speelde een rol in de moderne devotie, vooral in de vorm van een inlevende overwe-ging van het lijden van Jezus.
Deze leidden tot de navolging van Christus. Geert Grote, Floris Radewijns en Gerard Zerbolt van Zutphen droegen veel bij aan de methodische meditatie van de moderne devoten, die veel invloed had en leidde tot meditatie en gebed door leken. Geert Grote gaf een Nederlands getijdenboek uit dat veel gebruikt werd. Het getijdenboek is een verkorte versie van de getijden in de kloosters. Het gaf de leek die lezen kon de mogelijkheid om persoonlijk te bidden en te mediteren.
Naast de mieren noemt Agur de klipdassen als klein maar ontzettend wijs (Spreuken 30: 24 – 26). Klipdassen, wo-nen in rotsachtig terrein, waar zij in de spleten schuilen (Psalm 104: 18). De NBG ’51 geeft met: “zij maken hun woning in de rots” een betere vertaling van Spreuken 30:26 dan de NBV met: “maken holen in de rots”. Machtig zijn zij niet, maar zij weten een veilige plek te vinden waar hun vijanden, roofvogels en roofdieren, hen niet kun-nen pakken.
Spreuken 30: 24 – 26
24 Deze vier dieren zijn de kleinste op de aarde, maar zijn wel heel erg wijs:De mieren – een groot volk van diertjes zonder kracht, maar toch verzamelen ze in de zomer eten voor de hele winter. 26 De klipdassen – een volk zonder macht, maar toch maken ze hun holen in de rotsen.
Psalm 104: 18
18 In de hoge bergen wonen de steenbokken. Tussen de rotsen schuilen de klipdassen.
Hoewel zij in veel opzichten op marmotten lijken, zijn zij herkauwende hoefdieren, maar zonder ‘gespleten hoe-ven’. Daarom mochten zij volgens de Wet toch niet gegeten worden (Leviticus 11: 5 ; Deuteronomium 14: 7). In bepaalde opzichten zijn zij aan de olifanten verwant zoals in Afrika waar zij als ‘het kleine broertje van de olifant’ bekend zijn. Daar zijn zij inheems en je komt ze overal in Afrika tegen.
Leviticus 11: 3 – 5
3 Jullie mogen alle dieren eten die gespleten hoeven hebben, als die dieren ook herkauwen. En de hoeven moe-ten helemaal gespleten zijn. 4 Kamelen mogen jullie dus niet eten. Zij herkauwen wel, maar hebben geen ge-spleten hoeven. Ze zijn onrein voor jullie. 5 Ook geen konijnen. Zij herkauwen wel, maar hebben geen gespleten hoeven. Ze zijn onrein voor jullie.
Deuteronomium 14: 7
7 Maar de volgende dieren mogen jullie niet eten: kamelen, hazen en konijnen. Zij herkauwen wel, maar hebben geen gespleten hoeven. Zij zijn onrein voor jullie.
Er zijn drie geslachten met 11 ondersoorten. Naast rotsbewoners zijn er ook boombewoners. Van Kenia en Ethio-pië tot in Syrië komt het geslacht Procavia capensis syriaca voor. Dit is de klipdas die in de Bijbel wordt vermeld. In Israël zijn zij te vinden in de Jordaanvallei, rondom het Meer van Galilea en in de zuidelijke woestijngebieden. Klipdassen zijn geweldige springers. Zij kunnen een kloof van wel vier meter breed overbruggen. Zij kunnen dat omdat hun voeten voorzien zijn van elastische zoolkussens, die hen in staat stellen ook gladde en bijna verticale rotswanden te beklimmen. Als zij werkelijk gespleten hoeven hadden zou dat niet mogelijk zijn.
De rots bewonende klipdassen zijn sociale dieren die in grote kolonies wonen. Net als andere koloniedieren zijn zij zeer waakzaam en alert. Een aantal ‘wachters’ zorgt voor de veiligheid. Bij de eerste dreiging, slaan ze luid pie-pend alarm, en daarop reageren de anderen direct. In een zeker opzicht zijn klipdassen een beeld voor de ware gelovige. Zij weten waar zij veilig zijn, bij de rots. Zij zijn niet bang voor uitdagingen, want zij zijn in staat van vreugde te springen. Zij houden de wacht en verbergen zich voor het onheil.


Pasteltekening van John Astria
“ELOHIM” (of Elohay) is de allereerste naam voor God in de Bijbel. Deze wordt door het Oude Testament heen meer dan 2.300 keer gebruikt. Elohim komt van het Hebreeuwse stamwoord dat “sterkte” of “macht” betekent en heeft de ongewone eigenschap dat het een meervoudsvorm is.
In Genesis 1: 1 lezen we: “In het begin schiep Elohim de hemel en de aarde.” Meteen vanaf het begin wordt deze meervoudsvorm voor de naam van God gebruikt om de Ene God te beschrijven, een mysterie dat in de rest van de Bijbel wordt geopenbaard. Door de Schriftteksten heen wordt Elohim gecombineerd met andere woorden om bepaalde karakteristieken van God te beschrijven.
Enkele voorbeelden:
Elohay Kedem – God van het begin (Deuteronomium 33:27).
Elohay Mishpat – God van rechtvaardigheid (Jesaja 30:18).
Elohay Selichot – God van vergeving (Nehemia 9:17).
Elohay Marom– God van hoogten (Micha 6:6).
Elohay Mikarov – God Die dichtbij is (Jeremia 23:23).
Elohay Mauzi – God van mijn kracht (Psalmen 43:2).
Elohay Tehilati – God van mijn aanbidding (Psalm 109:1).
Elohay Yishi – God van mijn redding (Psalm 18:47, 25:5).
Elohim Kedoshim – Heilige God (Leviticus 19:2, Jozua 24:19).
Elohim Chaiyim – Levende God (Jeremia 10:10).
Elohay Elohim – God der goden (Deuteronomium 10:17).
.
“EL” is een andere naam die in de Bijbel voor God gebruikt wordt. Deze naam kun je meer dan 200 keer in het Oude Testament vinden. El is een vereenvoudiging van Elohim en wordt vaak met andere woorden gecombineerd om een beschrijvende nadruk te leggen.
Enkele voorbeelden:
El HaNe’eman – De trouwe God (Deuteronomium 7:9).
El HaGadol – De grote God (Deuteronomium 10:17).
El HaKadosh – De heilige God (Jesaja 5:16).
El Yisrael – De God van Israël (Psalm 68:35).
El HaShamayim – De God van de hemel (Psalm 136:26).
El De’ot – De God van kennis: (1 Samuël 2:3).
El Emet – De God van de waarheid (Psalm 31:6).
El Yeshuati – De God van mijn verlossing (Jesaja 12:2).
El Elyon – De allerhoogste God (Genesis 14:18).
Immanu El – God is met ons (Jesaja 7:14).
El Olam – De God van oneindigheid (Genesis 21:33).
El Echad – De Ene God (Maleachi 2:10).
.
“ELAH” is een andere naam voor God die ongeveer 70 keer in het Oude Testament voorkomt. Ook wanneer deze naam wordt gecombineerd met andere woorden zien we verschillende eigenschappen van God.
Enkele voorbeelden:
Elah Yerush’lem – De God van Jeruzalem (Ezra 7:19).
Elah Yisrael – God van Israël (Ezra 5:1).
Elah Sh’maya – God van de hemel (Ezra 7:23).
Elah Sh’maya V’Arah – God van hemel en aarde (Ezra 5:11).
.
“YHVH” is het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als “HEER”. Deze titel wordt in het Oude Testament vaker aangetroffen dan enige andere naam voor God (ongeveer 7.000 keer). Deze naam wordt ook vaak het “Tetra-grammaton” genoemd, wat “de vier letters” betekent.
YHVH vindt zijn oorsprong in het Hebreeuwse woord “zijn” en is de bijzondere naam die God aan Mozes open-baarde bij de brandende struik. “Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.’ Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voor-ouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.
En hij heeft gezegd: Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende ge-neraties.'” (Exodus 3:14-15). Daarom staat YHVH voor het absolute wezen van God; de bron van alles, zonder be-gin en zonder einde. Hoewel sommigen YHVH uitspreken als “Jehova” of “Jahweh”, weten geleerden eigenlijk niet wat de juiste uitspraak van het woord is.
De Joden spraken deze naam na ongeveer 200 na Christus niet meer uit, uit vrees voor het gebod in Exodus 20:7: “Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan” (de rabbijnen gebruiken tegenwoordig meestal “Adonai” in plaats van YHVH).
Hier zijn enkele voorbeelden van het gebruik van YHVH in de Bijbel:
YHVH Elohim – HEER God (Genesis 2:4).
YHVH M’kadesh – De HEER Die heilig maakt (Ezechiël 37:28).
YHVH Yireh – De HEER Die ziet/voorziet (Genesis 22:14).
YHVH Nissi – De HEER mijn vaandel (Exodus 17:15).
YHVH Shalom – De HEER van vrede (Rechters 6:24).
YHVH Tzidkaynu – De HEER van gerechtigheid (Jeremia 33:16).
YHVH O’saynu – De HEER onze Schepper (Psalm 95:6).
.
.
De HEER die Zichzelf in het Oude Testament heeft geopenbaard als YHVH, wordt in het Nieuwe Testament geo-penbaard als Yeshua (Jezus). Jezus heeft dezelfde eigenschappen als YHVH en beweert duidelijk YHVH te zijn. In Johannes 8:56-59 laat zien dat Jezus Zichzelf presenteert als de “IK BEN”.
Toen Jezus door enkele Joodse leiders werd uitgedaagd, omdat Hij beweerde Abraham gezien te hebben (die zo’n 2.000 jaar eerder leefde), antwoordde Hij: “Waarachtig, ik verzeker u, van voordat Abraham er was, ben ik er.” Die Joodse leiders begrepen dat Jezus beweerde YHVH te zijn. Dit wordt duidelijk wanneer zij Hem proberen te stenigen vanwege godslastering onder de Joodse Wet.
In Romeinen 10:9 schrijft Paulus: “Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered.” Meteen daarop, in Romeinen 10:13, zet Paulus deze woorden kracht bij door uit het Oude Testament te citeren: “Ieder die de naam van de Heer (YHVH) aanroept, zal worden gered” (Joël 3:5). Yeshua (Jezus) aanroepen is dus hetzelfde als YHVH (HEER) aanroepen; Hij is de Messias die door het hele Oude Testament heen wordt voorspeld.
.
Pasteltekening van John astria
“Waar wij aan denken wanneer we over God nadenken, is de belangrijkste eigenschap van onszelf,” schrijft A.W. Tozer in zijn klassieke boek over de eigenschappen van God, The Knowledge of the Holy(oftewel De kennis van God).
Tozer gaat verder:
“De geestelijke geschiedenis van de mens zal ongetwijfeld aantonen dat geen enkele godsdienst ooit groter is geweest dan zijn begrip van God. Aanbidding is rein of onrein, afhankelijk van de gedachten die de aanbidder over God heeft.”
In onze harten weten we dat het bovenstaande waar is. Het is niet voldoende om “God” te volgen. Dat woord kan tegenwoordig zo veel verschillende dingen betekenen dat het eigenlijk erg weinig betekenis meer heeft. Als we gewoon in ons eigen hoofd gaan bepalen hoe Hij is, dan doen we niets anders dan een afgod in onze gedachten scheppen.
Jezus kwam om de God van de Bijbel te openbaren, en God heeft Zichzelf in Zijn boek geopenbaard. Elke afwij-king daarvan in ons begrip van Hem is een verzonnen God. Tozer beschrijft in ‘The Knowledge of the Holy’ 18 karakteristieken van God in de Bijbel. Deze worden hier herhaald (maar niet in dezelfde volgorde). Tozer’s defi-nities zullen, wanneer deze gebruikt worden, tussen aanhalingstekens worden geplaatst.
De Bijbel zegt dat we God moeten prijzen voor wie Hij is, vooral in gebed. Een groot gedeelte van de Psalmen legt zich hierop toe. De meeste mensen concentreren zich in hun lofprijzing te veel op een beperkt aantal aspec-ten, zoals Gods liefde, en gebruiken de rest van hun gebeden om dingen van Hem te vragen.
Wijsheid: “Wijsheid is het vermogen om perfecte doelen te stellen en om deze doelen op de meest perfecte manier te bereiken”. Met andere woorden: God maakt geen fouten. Hij is de Vader die het echt het beste weet, zoals Paulus in Romeinen 11: 33 uitlegt: “O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgron-delijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen!”
Oneindigheid: God kent geen grenzen. Hij is onmetelijk. Deze eigenschap heeft per definitie gevolgen voor alle andere eigenschappen van God. Omdat God oneindig is, moeten ook al Zijn andere eigenschappen oneindig zijn.
Oppermacht: Dit is “de eigenschap waarmee Hij over Zijn hele schepping heerst”. Het is de toepassing van Zijn andere eigenschappen van alwetendheid en almachtigheid. Deze eigenschap geeft Hem de absolute vrijheid om datgene te doen, waarvan Hij weet dat dit het beste is. God heeft de controle over alles wat er gebeurt. Maar de mens heeft nog steeds een vrije wil en is nog steeds verantwoordelijk voor de keuzes in zijn leven.
Heiligheid: Dit is de eigenschap die God onderscheidt van alle andere, geschapen wezens. Deze heeft betrekking op Zijn verhevenheid en Zijn perfecte morele reinheid. Er bestaat absoluut geen enkele zonde of boosaardige ge-dachte in God. Zijn heiligheid is de definitie van wat rein en rechtvaardig is, in het hele universum. Steeds als God zich ergens vertoont, zoals aan Mozes in de brandende doornstruik, dan wordt die plaats heilig omdat God er is geweest.
Drie-eenheid: Ook al wordt dit woord niet in de Bijbel gebruikt, toch is de waarheid in de Bijbel opgenomen dat God Zichzelf in drie Personen openbaart. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden alle drie God genoemd, worden als God aanbeden, bestaan eeuwig en zijn betrokken bij zaken die alleen God kan doen. Maar, ook al openbaart God Zichzelf in drie Personen, toch is God Eén en kan Hij niet worden gesplitst. De drie Personen zijn er allen volledig bij betrokken wanneer Eén van de Drie actief is.
Alwetendheid: “God weet alles en heeft daarom geen behoefte aan nieuwe kennis. God heeft nooit iets geleerd en kan niet leren.” Alwetendheid betekent “alles wetend”. God weet alles en Zijn kennis is daarom oneindig. Het is onmogelijk om iets voor God verborgen te houden.
Trouw: Alles wat God heeft beloofd zal plaatsvinden. Zijn trouw garandeert dit. Hij liegt niet. Wat Hij in de Bijbel over Zichzelf heeft gezegd is waar. Jezus zei zelfs dat Hij de Waarheid is. Dit is extreem belangrijk voor volgeling-en van Jezus, omdat onze hoop op eeuwig leven juist op Zijn trouw berust. Hij zal Zijn belofte in ere houden: Zijn belofte dat onze zonden zullen worden vergeven en dat wij eeuwig met Hem zullen leven.
Liefde: Liefde is een zo belangrijk onderdeel van Gods karakter dat de apostel Johannes schreef: “God is liefde”. Dit betekent dat het welzijn van anderen Zijn grootste zorg is. Als je een volledige definitie van “liefde” wil ont-dekken, lees dan 1 Korintiërs 13. Als wij liefde in actie willen zien, dan kunnen we het leven van Jezus bestuderen. Zijn offergave aan het kruis voor de zonden van anderen is de hoogst mogelijke liefdesdaad. Gods liefde is geen liefde die uit emoties bestaat, maar een liefde die uit daden bestaat. Zijn liefde wordt vrijelijk aan Zijn geliefden gegeven; de mensen die er voor kiezen om Zijn zoon Jezus te volgen.
Almachtig: Dit woord betekent letterlijk al-machtig. Omdat God oneindig is en omdat Hij macht heeft, heeft Hij oneindige macht. Hij staat weliswaar toe dat Zijn schepselen een zekere macht bezitten, maar dit doet op geen enkele manier af aan Zijn eigen macht. “Hij verbruikt geen hoeveelheid energie die weer aangevuld zou moeten worden”. Wanneer de Bijbel ons vertelt dat God op de zevende dag rustte, dan is dit om ons een voorbeeld te geven van de rust die wij nodig hebben, niet omdat Hij Zelf moe was.
Onveroorzaakt: Toen Mozes vroeg wie in de brandende doornstruik met hem in gesprek was, zei God: “Ik ben diegene die er altijd is.” God heeft geen begin en geen einde. Hij bestaat gewoon. Niets anders in het hele uni-versum is onveroorzaakt. Als er iets zou bestaan dat God had geschapen, dan zou dat andere iets God zijn. Voor onze menselijke geesten is dit moeilijk te bevatten, omdat alle andere dingen in onze ervaringswereld uit iets an-ders dan zichzelf afkomstig zijn. De Bijbel zegt: “In het begin schiep God”. Hij was er al.
Zelfvoorzienend: De Bijbel zegt dat God in Zichzelf leven heeft (zie Johannes 5: 26). Al het andere leven in het universum is een geschenk van God. Hij heeft nergens behoefte aan en er is geen enkele manier waarop Hij zou kunnen verbeteren. Voor God is niets anders noodzakelijk. Hij heeft onze hulp nergens voor nodig, maar vanwege Zijn barmhartigheid en Zijn liefde laat Hij ons deel uitmaken van de ontvouwing van Zijn plan op aarde en staat Hij ons toe om een zegen voor anderen te zijn. Wij zijn degenen die veranderen: God verandert nooit. Hij is zelf-voorzienend.
Rechtvaardig: De Bijbel zegt dat God rechtvaardig is, maar Zijn karakter is juist wat ons vertelt wat rechtvaardig-heid werkelijk inhoudt. Hij schikt zich niet naar externe criteria. Rechtvaardigheid verschaft iedereen een morele gelijkheid. Wanneer slechte dingen worden gedaan, dan eist de gerechtigheid dat er een straf wordt uitgedeeld. Omdat God perfect is en nooit enig kwaad heeft begaan, zou er voor Hem nooit een straf nodig zijn; maar van-wege Zijn grote liefde heeft God de straf voor onze kwaadaardige daden op Zich genomen door Zelf naar het kruis te gaan. Er moet aan Zijn rechtvaardigheid voldaan worden: voor alle mensen die in Jezus willen geloven heeft Hij hier Zelf voor gezorgd.
Onveranderlijk: Dit betekent eenvoudigweg dat God nooit verandert. Daarom zegt de Bijbel: “Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.”
Barmhartig: “Barmhartigheid is de eigenschap van God die Hem actief genadig maakt”. Omdat door Jezus aan Gods gerechtigheid werd tegemoetgekomen, staat het Hem vrij om genadig te zijn voor alle mensen die ervoor kiezen Hem te volgen. Deze genade zal nooit ophouden omdat het een onderdeel van Gods aard is. Barmhartig-heid is de manier waarop Hij verlangt met de mensheid om te gaan. Hij zal dit daarom ook doen, tenzij een mens er zelf voor kiest om God te verachten of te negeren. Als dat het geval is, dan wordt Zijn gerechtigheid Zijn meest prominente eigenschap.
Eeuwig: Dit feit over God is in enkele opzichten eender aan Zijn zelfvoorzienigheid. God is er altijd al geweest en zal er ook altijd zijn, omdat Hij Zich in de eeuwigheid bevindt. De tijd is Zijn schepping. Daarom kan God het ein-de al vanaf het begin zien en daarom wordt Hij nooit door iets verrast. Als God niet eeuwig zou zijn, dan zou Zijn belofte van eeuwig leven voor de volgelingen van Jezus van weinig waarde zijn.
Goed: “De goedheid van God is wat Hem vriendelijk, schappelijk, welwillend en vol goedheid ten opzichte van de mens maakt”. Deze eigenschap van God verklaart waarom Hij Zijn volgelingen zegent zoals Hij doet. Gods daden definiëren wat goedheid is en we kunnen dit zonder moeite waarnemen in de manier waarop Jezus met de men-sen om Hem heen omging.
Genadig: God geeft graag grote geschenken aan de mensen die van Hem houden, zelfs als zij dat niet verdienen. Genadigheid is het woord waarmee we deze houding beschrijving. Jezus Christus is het kanaal waardoor Zijn ge-nadigheid zich beweegt. De Bijbel zegt: “Want is de wet gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus.”
Alomtegenwoordig: Deze theologische term betekent: “altijd aanwezig”. Omdat God oneindig is kent Zijn wezen geen grenzen. Het is dus duidelijk dat Hij overal aanwezig is. Deze waarheid wordt ons door de Bijbel met de woorden “Ik ben met jullie” onderwezen, die in zowel het Oude als het Nieuwe Testament 22 keer worden her-haald. Dit waren zelfs Jezus’ geruststellende woorden juist nadat Hij Zijn discipelen de opdracht had gegeven om Zijn boodschap over de hele wereld te verspreiden. Dit is ongetwijfeld een geruststellende waarheid voor alle mensen die Jezus volgen.
Dit is de beschrijving van de God van de Bijbel. Alle andere ideeën over God zijn, volgens de Bijbel, afgoden. Zij komen voort uit het voorstellingsvermogen van de mens. Door over de eigenschappen van God te leren, kun je God prijzen voor wie Hij werkelijk is en voor de manier waarop al Zijn eigenschappen jouw leven op een positieve manier beïnvloeden.
Pasteltekening van John Astria
.
Deuteronium 33: 27
Bij de eeuwige God ben je altijd veilig. Zijn eeuwige armen dragen je. Hij jaagt al je vijanden voor je weg en zegt: ‘Vernietig hen!’
Psalm 90: 2
2 Nog vóórdat de bergen ontstonden, nog vóórdat U de aarde had gemaakt, was U al God. Voor eeuwig bent U God.
1 Timoteüs 1: 17
17 Voor de Koning van alle eeuwen, de God die wij niet kunnen zien en die nooit sterft, de enige ware God, voor Hem is alle eer en alle macht en majesteit, voor eeuwig! Amen! Zo is het!
Maleachi 3: 6
Let op, Ik, de Heer, verander niet. Daarom zijn jullie niet totaal vernietigd, volk van Jakob!
Numeri 23:19
19 God is niet zoals de mensen. Mensen liegen, maar God liegt nooit. Mensen veranderen van gedachten, maar God doet altijd wat Hij zegt. Hij houdt Zich altijd aan wat Hij heeft beloofd.
Psalm 102: 26 -27
26 U heeft in het begin de aarde neergezet. Ook de hemel is door U gemaakt.
2 Samuël 7:22
22 U bent geweldig, Heer! Uit alles wat we zelf hebben gehoord weten we zeker: niemand is als U. Er is geen an-dere God dan U.
Jesaja 40: 25
25 “Met wie willen jullie Mij vergelijken? Wie is als Ik?” zegt de Heilige God.
Matheüs 5: 48
48 Wees volmaakt, want jullie hemelse Vader is óók volmaakt.”
Jesaja 40: 28
28 Weten jullie het dan niet? Hebben jullie het dan niet gehoord? De Heer is de Maker van de hele aarde. Hij is een eeuwige God. Hij wordt niet moe en raakt niet uitgeput. Hij is zóveel wijzer dan wij, dat wij Hem niet kunnen begrijpen.
Psalm 145: 3
3 U bent geweldig. U verdient het te worden geprezen. U bent zó machtig, het is niet te begrijpen.
Romeinen 11: 33 – 34
33 Wat zijn Gods wijsheid en kennis toch onbegrijpelijk groot! Wat is het moeilijk om zijn plannen te begrijpen en zijn daden uit te leggen!
Deuteronium 32: 4
4 Hij is de Rots waarop wij stevig staan. Alles wat Hij doet is volmaakt. Alles wat Hij doet is rechtvaardig. Hij is trouw en nooit onrechtvaardig. Hij doet altijd wat Hij heeft beloofd.
Psalm 18: 30
30 Met U durf ik een heel leger aan. Met U spring ik over een muur.
Deuteronium 6: 4
4 Luister, Israël, de Heer is onze God. De Heer is Eén. 
Matheüs 28: 19
Ga nu op pad en maak alle volken tot leerlingen van Mij. Doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. En leer hen om alles te doen wat Ik ook aan jullie heb geleerd.
Marcus 1: 9 – 11
9 In die tijd kwam ook Jezus uit Nazaret in Galilea naar Johannes toe. Hij liet Zich door hem dopen in de Jor-daan.10 Op het moment dat Hij uit het water opstond, zag Jezus de hemel opengaan. En de Geest daalde als een duif op Hem neer.11 En een stem zei uit de hemel: “Jij bent mijn Zoon. Ik houd heel veel van jou. Ik geniet van jou.”
Psalm 139: 7
7 Hoe zou ik kunnen vluchten voor uw Geest? Waar zou ik me voor U kunnen verbergen?
Jeremia 23: 23
23 Ben Ik alleen een God van dichtbij? zegt de Heer. Ben Ik niet ook een God van ver weg?
Psalm 139: 1 – 5
1 Een lied van David. Voor de leider van het koor. 2 Heer, U kent mij door en door. U weet alles van mij, waar ik ook ben. U weet alles wat ik denk. 3 U bent dag en nacht bij mij, U weet alles wat ik doe. 4 U kent elk woord van mij, nog voordat ik het heb gezegd. 5 U bent aan alle kanten om mij heen en uw hand rust op mij.
Spreuken 5: 21
21 Niets is verborgen voor de ogen van de Heer. Hij beoordeelt alles wat je doet.
Jesaja 6: 3
3 En de engelen riepen tegen elkaar: “Heilig! Heilig! Heilig is de Heer van de hemelse legers! De aarde is vol van zijn schitterende macht en majesteit!”
Exodus 3: 2
2 Daar kwam de Engel van de Heer naar hem toe. De Engel stond midden in een braamstruik en zag er uit als een vuurvlam. Mozes zag dat de braamstruik wel in brand stond, maar niet verbrandde.
Hebreeëuwen 12: 29
29 Want onze God is als een vuur dat alles verbrandt.
Exodus 34: 6
6 De Heer liep langs hem heen en riep:
“Ik ben de Heer! Ik ben vriendelijk en geduldig, liefdevol, vol medelijden en vol waarheid.
Psalm 31: 19
19 Leg al die leugenaars het zwijgen op. Trots en spottend beschuldigen ze onschuldige mensen.
1 Petrus 1: 3
3 We zijn de God en Vader van onze Heer Jezus Christus heel erg dankbaar. Want omdat Hij zo goed en liefdevol is, heeft Hij nieuwe mensen van ons gemaakt: we zijn opnieuw geboren. Dat heeft Hij gedaan door Jezus Christus uit de dood terug te roepen en weer levend te maken. Daardoor kunnen we vol hoop zijn.
Johannes 3: 16
16 Want God houdt zoveel van de mensen, dat Hij zijn enige Zoon aan hen heeft gegeven. Iedereen die in Hem gelooft, zal niet verloren gaan, maar zal het eeuwige leven hebben.
Johannes 17: 3
3 Het eeuwige leven is dat de mensen U kennen, de enige echte God, en Jezus Christus die U heeft gestuurd.
Openbaring 19: 6
6 Toen hoorde ik een stem die leek op het geluid van een grote menigte, of van de zee, of van de donder. En die stem riep: “Prijs de Heer! Want de Almachtige Heer God is Koning!
Jeremia 32: 17
17 “Heer, U heeft door uw grote macht en kracht de hemel en de aarde gemaakt. Niets is te wonderlijk voor U.
Jeremia 32: 27
27 “Ik ben de Heer, de God van alle mensen. Zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?