Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Psalm 118 • A psalm foretelling the work of Jesus
.
Psalmen 118 . Een psalm die het werk van Jezus voorspelt
.
Paul LeBoutillier
.




Toen de Here Jezus zijn twaalf discipelen de eerste keer uitzond om het evangelie te prediken, vermaande Hij hen niet bevreesd te zijn voor de mensen. En om zijn woorden te illustreren, gaf Hij als voorbeeld de mussen. Je zou denken dat de arend met zijn kracht en moed een beter voorbeeld zou zijn, maar nee, Jezus koos bewust de klei-ne huismus. Tot voor kort wist men weinig over de mus, omdat niemand de moeite had genomen hem nauw-keurig te bestuderen. Nu weten wij dat hij best dapper kan zijn, afgezien van zijn andere karaktereigenschappen, zoals slimheid, voorzichtigheid, vrolijkheid en ondeugendheid.
Mussen moeten in de dagen van Jezus algemeen voorgekomen zijn, gezien zijn woorden (Matteüs 10: 29 en Lucas 12:6) dat op de markt twee mussen voor een duit en vijf mussen voor twee duiten werden verkocht, (een duit is vergelijkbaar met een Eurocent nu).
Matteüs 10: 29
29 Jullie weten toch dat twee mussen voor maar één muntje worden verkocht? Toch zal niet één mus doodgaan zonder dat jullie Vader het toestaat. 30 Ook weet Hij zelfs precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. 31 Wees dus niet bang, want jullie zijn belangrijker dan een heleboel mussen bij elkaar.
Lucas 12:6
6 Jullie weten dat vijf mussen worden verkocht voor maar twee muntjes. Maar niet één van die mussen is door God vergeten. 7 Ook weet Hij precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. Wees niet bang! Want jullie zijn belangrijker dan een heleboel mussen bij elkaar.
Jezus koos dit voorbeeld omdat Hij, in navolging van zijn Vader, liever kiest wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is (1 Korintiërs 1: 28 – 31). In zijn gelijkenissen gebruikte Hij vaak de meest algemene dingen in het leven: water, wijn, koren, schapen. Zo komt de achterliggende les sterker uit.
1 Korintiërs 1: 28 – 31
28 En de dingen die de ongelovige mensen onbelangrijk en waardeloos vinden, gebruikt God juist om te laten zien dat je niets hebt aan de dingen die de mensen zo belangrijk vinden. 29 Zo kan dus niemand bij God over zichzelf opscheppen. 30 Want alles wat we nu zijn, hebben we alleen aan Hem te danken. Want alleen door Je-zus Christus hebben we nu Gods wijsheid. En alleen dankzij Hem zijn we vrijgesproken van schuld en zijn we ge-red. Alleen door Hem horen we nu bij God. 31 Daardoor is het waar wat er in de Boeken staat: “Als iemand zo graag trots wil zijn, laat hij dan trots zijn op de Heer en niet op zichzelf.”
Wanneer we Jezus’ woorden van Matteüs 10:29 in hun verband lezen – Zijn opdracht aan de twaalf om te prediken- is zijn les niet op eigen kracht te vertrouwen. Wanneer zij tegenover een vijandige schare of een keiharde koning komen te staan, moeten zij niet in paniek raken, maar eenvoudig vertrouwen dat God hen de woorden om te spreken zal ingeven (Matteüs 10:19).
Matteüs 10:19
19 Als ze jullie gevangen nemen, maak je dan geen zorgen wat jullie moeten zeggen. Want jullie zullen de woorden krijgen op het moment dat jullie ze nodig hebben. 20 Want jullie zullen niet zelf spreken. Maar de Geest van jullie Vader zal door jullie heen spreken.
Ook de mus heeft elke dag met grote gevaren te maken, of dat nu door het verkeer of van een roofvogel komt. Toch komt hij meestal veilig weg. Niet één wordt er door God vergeten, zegt Jezus. Feitelijk is een discipel van Hem net zo afhankelijk van de Vader als een mus. Dat vogeltje is wel voorzichtig en houdt altijd een oogje in het zeil, maar tegelijkertijd is hij veel minder bezorgd dan wij mensen.
Hij geniet van het leven en is niet bevreesd voor de toekomst. Hij leert uit ervaring, maar maakt zich geen zorgen. Waren wij ook maar zo onbekommerd. Niet bang voor de mensen, maar vertrouwend op God, die ons leven in zijn hand houdt.
De gezegende maagd Maria was de moeder van Jezus Christus. Naast haar Bijbelse biografie bestaan er drie pri-maire doctrines die de Rooms-katholieke Kerk over Maria onderwijst:
(1) De “Onbevlekte Ontvangenis“,
(2) Maria als mede-middelaar “co-mediatrix“ naast Jezus Christus, en
(3) De “Maria-Tenhemelopneming“.
pasteltekening van John Astria
De leer van de “Onbevlekte Ontvangenis“ stelt dat de gezegende maagd Maria zonder erfzonde werd geboren. Zij was een maagd toen ze in de kracht van de Heilige Geest zwanger werd van Christus. In 1854, vier jaar voor de Mariaverschijningen in Lourdes, definieerde Paus Pius IX het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Dit dogma stelde “dat de allerzaligste Maagd Maria in de eerste stand van haar Ontvangenis door een enige bijzondere ge-nade en bevoorrechting van de almachtige God, om de wille van de verdiensten van Christus Jezus de Behouder van het mensdom, van alle smet van de erfschuld vrij is bewaard.”
De Bijbel leert ons dat alleen Jezus Christus, de laatste Adam, zonder erfzonde werd geboren en dat alle andere mannen en vrouwen geboren worden met een zondige natuur, die wordt geërfd van Adam (Romeinen 5:12). Ver-der onderwijst de Rooms-katholieke Kerk dat Maria haar hele leven lang maagd bleef. En toch noemt Matteüs, een Jood die voor Joden schreef, Jezus “haar eerstgeboren zoon” (Matteüs 1:25), een uitdrukking die door Joden alleen werd gebruikt als er na het eerste kind nog andere kinderen werden geboren. Anders zou “eni-ge zoon” zijn gebruikt.
Schriftgeleerden geloven dat Matteüs zijn evangelie ongeveer 35 jaar na de wonderbaarlijke maagdelijke geboorte van Christus schreef. Matteüs had dus kunnen weten of Maria na Jezus wel of geen andere kinderen meer had. De Bijbel stelt uitdrukkelijk dat Jezus broers had en Matteüs geeft ons zelfs hun namen: “Maria is toch zijn moeder, en Jakobus en Josef en Simon en Judas, dat zijn toch zijn broers? En wonen zijn zusters niet allemaal bij ons?“ (Matteüs 13:55-56).
Rooms-katholieke Schriftgeleerden beweren dat Matteüs, Lucas en Paulus (1 Korintiërs 9:5) niet echt “broer” bedoelden toen zij het woord “broer” gebruikten, maar dat zij hiermee “neef” bedoelden. Dit standpunt is gebaseerd op het Griekse woord “adelphos“, dat met “broer” of “neef” vertaald kan worden. Maar in een poging om de geldigheid van Zijn bediening in twijfel te trekken vergeleken de Joden Jezus met Zijn gewone broers; het zou veel minder overtuigend zijn geweest als Jezus met Zijn neven was vergeleken.
De meest verontrustende leer geeft de gezegende maagd Maria een rol als mede-middelaar (“co-mediatrix“) naast Jezus Christus. Om met de woorden van Paus Johannes Paulus II te spreken:
“In eenheid met Christus en in onderwerping aan Hem heeft zij samen met Hem de genade der verlossing voor de hele mensheid veilig gesteld… In Gods plan is Maria de ‘vrouw’ , de Nieuwe Eva, verenigd met de Nieuwe Adam om de mensheid te herstellen tot haar oorspronkelijke waardigheid. Haar samenwerking met haar Zoon gaat door tot in de eeuwigheid in het universele moederschap, dat zij in de genadige rangorde vervult. Laten wij ons, in vertrouwen op deze moederlijke samenwerking, tot Maria wenden en in onze nood haar hulp vragen.“
In de Schriftteksten kan geen basis worden gevonden voor het idee dat Maria een mede-middelaar zou zijn voor de kerk op aarde. De woorden van Christus waren op dit gebied ook erg duidelijk: “Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.'” (Johannes 14:6). De grote rol van de hei-lige Maria is dat men, wanneer men tot haar bidt, voorspraak kan krijgen bij Jezus Christus omdat Hij de gunsten van zijn moeder nooit weigert. Ook blijft zij bidden voor de zonden van de zondaars die om vergiffenis smeken. Wanneer Maria verschijnt aan Catherine Labouré in Parijs eist ze dat er een medaille gemaakt moet worden met de volgende tekst:
.
Pasteltekening van John Astria
De “Maria-Tenhemelopneming“ is een leer die stelt dat de gezegende maagd Maria lichamelijk en geestelijk naar de hemel werd opgenomen. Dit proces wordt in de Bijbel “opname“ genoemd. De schriftteksten bevatten hiervan twee bekende voorbeelden: Henoch (Hebreeën 11:5) en Elia (2 Koningen 2:11). Tijdens het Concilie van Chalcedon in 451 na Christus, toen bisschoppen vanuit het hele Middellandse Zeegebied in Constantinopel bijeen kwamen, vroeg keizer Marcianus de Patriarch van Jeruzalem om de relieken van Maria naar Constantinopel te brengen, zodat deze daar in het Capitool konden worden bijgezet.
De Patriarch legde aan de keizer uit dat er in Jeruzalem geen relieken van Maria bestonden, dat Maria in de aanwezigheid van de apostelen was gestorven, maar dat haar graf, toen dat later werd geopend, leeg werd aangetroffen en dus concludeerden de apostelen dat het lichaam naar de hemel was opgenomen. Er bestaat in de schriftteksten geen bewijs om de toepassing van deze leer op Maria te ondersteunen of te ontkennen.
Maria kan een model voor ons geloof zijn (net als Paulus of Petrus), maar zij kan ons niet redden. Alleen Jezus Christus is God en Hij is de Enige die de redding van de hele mensheid tot stand kan brengen. Het Woord van God is bijzonder duidelijk over dit onderwerp. Maria is door God zelf tot koningin in de hemel gekroond en zal de slang, de Satan, verpletteren. Door een vrouw is de zonde in de wereld gekomen en door een vrouw zal de Satan overwonnen worden. Dit is de grootste vernedering van Satan die er mogelijk is. Zij heeft een grote macht in de hemel en op aarde die zij enkel zal benutten als het past in het Goddelijke plan tot in de eeuwigheid.
Pasteltekening van John Astria
Men mag “bidden” tot Maria om een gunst die zij, mits toestemming van haar zoon Jezus, kan gerealiseerd wor-den. Het “aanbidden” van iemand behoort enkel God toe.
Het is interessant om te ontdekken dat er meer Bijbelverzen over de hel gaan dan over de hemel. Hier zijn een paar verzen uit het Oude Testament die over de hel gaan.
Daniël 12:2 : “Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.” De hel wordt hier als eeuwig beschreven.
Jesaja 66:24 : “Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.” In deze passage wordt de hel beschreven als een plaats waar het vuur niet zal worden gedoofd.
Deuteronomium 32:22 : schildert de hel af als een plaats waar God zijn toorn zal uitgieten: “Als het vuur van mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren.”
Psalmen 55:16 : illustreert de hel als het rijk van de zondaars: “Laat de dood hen onverhoeds treffen, laat hen levend neerdalen in het dodenrijk, want bij hen huist het kwaad, het heerst in hun hart.”
2 Tessalonicenzen 1:9 vertelt ons: “Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.”
Openbaring 14:11 leert ons, wanneer over de antichrist gesproken wordt: “De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ’s nachts niet.”
pasteltekening van John Astria
Openbaring 20:14-15 De hel is een poel van brandend vuur wordt hier beschreven: “Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.”
pasteltekening van John Astria
Sommige mensen die beweren dat de hel niet bestaat, doen dit op basis van hun geloof dat Jezus liefde, vrede, en vergeving predikte en dat Hij ons niet onderwees over een eeuwige, vurige plaats waar ongelovigen gestraft zouden worden. Het tegenovergestelde is juist waar. In Gods Woord onderwees niemand méér over de hel dan Jezus.
Hij beschreef de hel als een plaats van :
eeuwig vuur, (Matteüs 25:41)
eeuwige bestraffing (Matteüs 25:46)
kwelling, vlammen, en lijden (Lucas 16:23-24).
Jezus onderwees tijdens Zijn leven vele malen uitdrukkelijk over de hel (Matteüs 5:22, 29-30; 10:28; 18:9; 23:15,33; Marcus 9:43-47; Lucas 12:6; 16:23).
Als de hel bestaat, hoe kan die dan rechtvaardig zijn? Waarom zou een liefdevolle God een mens eeuwig straffen, als zijn zonde slechts over een periode van zo’n 70-80 jaar plaatsvond? Het antwoord is dat uiteindelijk alle zon-den tegen God zijn gekeerd. God is oneindig (Psalmen 51:4). Omdat God een eeuwig en oneindig Wezen is, is dus elke zonde een oneindige bestraffing waard.
Jazeker, God houdt van ons (Johannes 3:16) en Hij wil dat alle mensen gered worden (2 Petrus 3:9). Maar God is ook rechtvaardig en oprecht; Hij zal niet toestaan dat zonde onbestraft wordt gelaten. Dit is de reden dat God Jezus stuurde om de prijs voor onze zonden te betalen. De dood van Jezus Christus was een eeuwige dood.
Het was de betaling van onze schuld die het gevolg was van onze oneindige zonde, zodat wij hier niet tot in de eeuwigheid in de hel voor zouden hoeven te boeten (2 Korintiërs 5:21). Het enige dat wij hoeven te doen is ons vertrouwen op Hem te stellen. Onze zonden zijn daarmee vergeven en ons wordt daarvoor een eeuwig thuis in de hemel beloofd. God hield zo veel van ons dat Hij voorzag in onze redding.
Als we Zijn geschenk van eeuwig leven door de Heer Jezus Christus afwijzen, dan zullen we de eeuwige gevolgen van die beslissing onder ogen moeten zien: een eeuwigheid in een brandende hel.
Pasteltekening van John Astria
In Johannes 3 heeft Jezus een gesprek met Nicodemus, een Farizeeër. Deze man begint met een opmerking dat de Farizeeën erkennen dat Jezus van God gekomen is (vers 2). Jezus’antwoord in vers 3 lijkt wel heel bot. “Voor-waar, voorwaar, ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren is, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien”. Jezus geeft hem te kennen dat Nicodemus bitter weinig kan zien of kennen tenzij hij opnieuw geboren is.
Weten wie Hij is, is dan welhaast onmogelijk. (vergelijk 1 Cor.2:14). In vers 5 versterkt Jezus dit nog eens: “Voor-waar, voorwaar, ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnen-gaan.” Om iets van Gods wereld te kunnen begrijpen, kennen en om deel te krijgen aan het heil van God is het noodzaak om opnieuw geboren te worden.
Dat is ook de vraag die Nicodemus stelt! Jezus legt het uit met “uit water en Geest geboren worden.” De verdere uitleg van Hem is “wat uit vlees geboren is, is vlees en wat uit de Geest geboren is, is geest”. Naast de natuurlijke geboorte moet een mens ook uit de Geest geboren worden. Waarom?
In het vlees, ons natuurlijk bestaan, kunnen we God niet kennen of dienen. Later, in Joh. 6:63, zal Jezus zeggen: “De Geest is het die levend maakt, het vlees doet geen nut.” Paulus leert ons in Rom.8:7 en 8 “De gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet van God; trouwens het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen”.
Door de zonde (het probleem) kan een mens uit zijn natuurlijke vermogens God niet dienen en Hem gehoor-zamen. Daarom doet het vlees geen nut. Daarom geeft God de mogelijkheid van een nieuwe geboorte. Deze geboorte is uit Gods Geest, leert Jezus. Gods Geest schept nieuw leven in ons, we zijn dan uit God geboren. Dit leven is eeuwig leven, onvergankelijk leven, staat in Johannes 3 vers 16.
Wedergeboorte is dus een geestelijke geboorte uit de Heilige Geest van God. In Joh.1:12 en 13 vind je dit uitgewerkt. We worden letterlijk kinderen van God. Lees eens de prachtige tekst 1 Johannes 3:1! Paulus schrijft in Galaten 4:6 En dat gij zonen zijt – God heeft de Geest van zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept Abba, Vader”.
Gods natuur is in ons en we kunnen gaan lijken op onze Vader. Gods weten is in ons zodat we kunnen gaan be-grijpen. Gods kracht is in ons zodat we kunnen overwinnen. Gods mogelijkheden zijn in ons zodat we kunnen wat onmogelijk leek.
Jezus leert dat we geboren moeten worden uit water en Geest. Jezus doelt hierbij op de doop. Paulus legt later uit in Titus 3:5 dat God “naar Zijn ontferming ons gered heeft door het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de Heilige Geest”.
Wat er precies gebeurt weten wij niet. Jezus legt is vers 8 uit dat het een ongrijpbaar gebeuren is. Hoe het kan gebeuren is wel duidelijk. Door de prediking en het aanvaarden van het woord van God wordt zaad van geloven in ons hart gelegd. Daarom schrijft Petrus in 1 Petrus 1:23 dat we zijn “wedergeboren, en niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God”.
Doordat we gaan geloven in Jezus schenkt God ons vergeving van zonden waardoor we levend gemaakt worden. Daarom staat in Colossenzen 2:13 “Ook u heeft hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesne-denheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold.”
Jezus die stierf aan het kruis, wordt door geloof voor ons de oorzaak van redding. Dit in geloof aannemen van Jezus, geeft ons de macht om kinderen van God te worden, staat in Joh.1:12 en 13. In 1 Joh. 5:1 schrijft Johannes “Een ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren”. Dit leven is in Gods Zoon. Daarom staat iets verder in vers 12 ” Wie de zoon heeft, heeft het leven, wie de zoon van God niet heeft, heeft het leven niet”.
Nadat we kind van God geworden zijn komen we in een proces. We zijn niet meteen geweldig geestelijke mensen maar gaan leven in een proces van heiliging en groei. Paulus doelt hierop in 1 Cor.3:1 en 2. Dit proces van heili-ging en groei is niet zozeer een proces van onszelf verbeteren maar van het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens. Zie bijvoorbeeld Efeze 4:22-24. De mogelijkheden van ons liggen in het Nieuwe Leven. Een illustratie vind je in 1 Petrus 1:22 t/m 3:1. Wij moeten onze zielen door gehoorzaamheid aan de waar-heid reinigen tot echte onvervalste broederliefde. Deze liefde komt voort uit de wedergeboorte.
Om de kracht van deze liefde te ervaren moeten wij wel alle kwaadwilligheid, bedrog, huichelarij, afgunst en kwaadsprekerij afleggen. De liefde is er al. Dat is namelijk een vrucht van de Geest. Niet ons werk, maar iets dat er al is uit onze nieuwe natuur. Onze actie is ons vlees afleggen, laten sterven en ons keren naar de nieuwe mens. Onze opdracht is volgens Galaten 5:16 “wandel naar de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees”.
De basis van levensverandering en heiliging is de nieuwe mens op basis van opnieuw geboren zijn. Johannes schrijft in 1 Johannes 5:4 “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld”. De Geest van Jezus die in ons woont heiligt en verandert ons leven dus van binnen uit. Hij overwint in ons het kwaad en leert ons anders leven en denken. Als je ergens niet vanaf kunt komen, richt je geloof op God en zeg: Vader wij hebben een probleem! Maar ik weet dat U het in mij kunt overwinnen. Uw Geest kan het onmogelijke waarmaken.
Door het geloof worden wij één gemaakt met Christus. “In Christus “ noemt Paulus dat. Zijn leven is ons leven, Zijn lijden is ons lijden, zijn kruisiging is onze kruisiging, zijn dood is onze dood, zijn opstanding is onze opstan-ding, zijn heerlijkheid is onze heerlijkheid, zijn koningschap is ons koningschap. In Christus zijn we een nieuwe schepping, zegt Paulus in 2 Cor.5:17. Deze eenheid met Hem heeft voor ons een hele praktische uitwerking. Wij beschouwen ons leven hier als gestorven voor de wereld en de wereld is voor ons gestorven Gal.6: 14. Wij leven nu voor God, voor Jezus en willen dat Zijn leven in ons openbaar wordt Gal. 2:20. Door de Geest van God worden wij dan ook in navolging van Jezus geleid.
.
.

.
.
.
Het preterisme is de leer dat de voorzegde gebeurtenissen in Mattheüs 24 en het boek Openbaring grotendeels of volledig hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na Christus. Sommige preteristen stellen dat de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden in het jaar 70 hebben plaatsgevonden.
Term. De term preterisme komt van het Latijnse woord praeter = verleden, omdat de profetieën merendeels of alle reeds in het verleden zouden zijn vervuld.
Hoofdinhoud van leer. Het preterisme stelt dat alle of een deel van de Bijbelse profetieën over de laatste dagen verwijzen naar gebeurtenissen die in de eerste eeuw plaatsvonden na de geboorte van Christus, in het bijzonder in verband met de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus. Jezus’ voorzeggingen aangaande aardbevingen. onlusten, oorlogen en de grote verdrukking zijn in de eerste eeuw uitgekomen.
Versus futurisme. Het preterisme staat tegenover het futurisme, dit is de opvatting dat de meeste voorzeggingen over het einde der tijden, de laatste dagen, de Grote Verdrukking en dergelijke, nog een toekomstige vervulling wacht en aan de terugkeer van Christus onmiddellijk zullen voorafgaan.
.
.

.
.
.
.-deel– en volpreterisme: De opvatting dat de profetieën over het einde reeds grotendeels (maar niet alle) zijn uitgekomen. Nog niet gebeurd zijn: 1. de wederkomst van Christus en de opneming van de gemeente; 2. de opstanding; 3. het oordeel.
-volledig preterisme of hyperpreterisme: De meer recente opvatting dat alle voorzeggingen reeds zijn vervuld.
Het gedeeltelijke preterisme is de oudste van de twee standpunten. Het stelt dat de profetieën aangaande de verwoesting van Jeruzalem, de Antichrist, de Grote Verdrukking en de komst van de Dag van de Heer als een “komst ten oordeel” door Christus, vervuld werden circa 70 na Chr., toen de Romeinse generaal (en latere keizer) Titus Jeruzalem innam, plunderde en de tempel verwoestte, waardoor blijvend een einde kwam aan de dagelijkse dierenoffers. “Babylon de Grote” (Openbaring 17-18) wordt vereenzelvigd met de oude heidense stad Rome of de Joodse stad Jeruzalem.
De meeste gedeeltelijk preteristen geloven ook dat uitdrukking “laatste dagen” slaat op de laatste dagen van de Mozaïsche verbond dat God uitsluitend had met de natie Israël tot het jaar 70 na Christus. Zoals God gericht uitoefende over verschillende naties in het Oude Testament, zo kwam ook Christus ten oordeel tegen degenen in Israël die hem afwezen.
Die laatste dagen van de natie Israël zijn volgens het gedeeltelijk preterisme te worden onderscheiden van de “laatste dag”, die nog wel in de toekomst ligt en deze gebeurtenissen brengt: de wederkomst van Jezus, de lichamelijke opstanding van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, het laatste oordeel, en de schepping van een letterlijke nieuwe hemel en een nieuwe aarde, vrij van de vloek van zonde en dood, die door de val van Adam en Eva is gekomen.
Het preterisme vindt (anno 2015) al meer aanhang onder christenen. Een bekende Amerikaanse preterist is Don K. Preston. Hij ziet de periode tussen 30 en 70 na Christus als het duizendjarig rijk en de tijd daarna is die van het nieuwe verbond (de eeuwige toestand).
.
.
.
Het volledig preterisme verschilt van het gedeeltelijk daarin, dat alle profetie beschouwd als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem, dus ook de voorzeggingen aangaande de opstanding van de doden en de wederkomst (parousia) van de Heer Jezus.
Volgens het volledig preterisme is de Heer Jezus teruggekomen in 70 n.C. en wel ten oordeel, wat geleid heeft tot de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel in het jaar 70. Dit gebeurde door midden van buitenlandse legers op een manier die vergelijkbaar is met diverse oudtestamentische beschrijvingen van God die komt om andere naties rechtvaardig te oordelen.
Volgens het volledig preterisme is de opstanding van de doden al gebeurd. Deze opstanding was niet een lichamelijke, maar een verrijzenis van de zielen uit de plaats der doden, welke bekend staat als Sjeool (Hebreeuws) of Hades (Grieks). De rechtvaardige zielen hebben een geestelijk lichaam gekregen dat geschikt is voor de hemel, en de onrechtvaardige doden zijn geworpen in de poel van vuur. Sommige volledig preteristen geloven dat deze verandering een doorgaande is en bij het overlijden van elke ziel plaatsvindt (Hebr. 9:27).
De nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden door het volledig preterisme gelijkgesteld met de vervulling van de wet in het jaar 70 na Chr. Zoals een christen bij zijn bekering “een nieuwe schepping” is geworden, is de wereld dat ook in 70 na Chr.
.
.
.
Bijbels bezwaar. Op Bijbelse gronden kan men ernstige bezwaren tegen het volledig preterisme aanvoeren. Reeds de apostel Paulus verwierp de gedachte dat de opstanding der doden al had plaatsgevonden.
2Ti 2:16 Maar onttrek je aan ongoddelijk gezwets; 2Ti 2:17 want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymeneus en Filetus, 2Ti 2:18 die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat de opstanding al heeft plaatsgehad en die het geloof van sommigen omverwerpen.
De Heer Jezus stond lichamelijk uit de doden op en ook de doden zullen lichamelijk verrijzen en het lichaam van de levenden zal veranderd worden.
Aanhangers van het volledig preterisme antwoorden dat Paulus’ veroordeling terecht was, omdat de opstanding vóór 70 na Christus nog niet gebeurd was. Ook zeggen zij dat zij bepaalde Schriftplaatsen, die tegen hun standpunt worden aangevoerd, anders uitleggen.
Ketterij. Voor zover en omdat het volledig preterisme sterk afwijkt van de overgeleverde geloofsbelijdenissen, wordt het door velen als ketterij beschouwd. Volledig preteristen antwoorden dat de geloofsbelijdenissen niet goddelijk geïnspireerd zijn, maar zijn opgesteld door feilbare mensen. De belijdenissen zijn fout op het punt van de toekomst en moeten aangepast worden.
.
.

.
.
.
Sommige leerlingen zouden Hem zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat sommigen van zijn leerlingen zijn komst zouden meemaken.
Mt 16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen. Mt 16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk.
“Dit geslacht” zou het meemaken. De Heer Jezus heeft gezegd dat “dit geslacht”, het geslacht van zijn tijd (in de eerste eeuw) de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.
Mt 24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mt 24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd.
De voorzeggingen in Matteüs 24 aangaande de “Grote Verdrukking” beschouwt het preterisme als vervuld met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. Steun voor deze stelling vindt men in Jezus’ woorden dat “dit geslacht niet zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd”. Deze woorden schijnen de voorzegde gebeurtenissen te beperken tot “dit geslacht”, tot de generatie in de eerste eeuw.
“Spoedig”. De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden geschieden (Opb. 1:1)
Opb 1:1 Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door zijn engel gezonden en aan zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.
Opb 22:6 En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.
Hijzelf zou spoedig komen (Opb. 22:7, 12, 20)
Opb 22:7 En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.
Opb 22:12 Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.
Opb 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!
Ook aan twee gemeenten in Klein-Azië zei Hij spoedig te komen.
Opb 2:16 Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond.
Opb 3:11 Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.

.
.
.
Sommige leerlingen zouden Hem zien komen. De Heer Jezus heeft gezegd dat enkele leerlingen Hem zouden zien komen in zijn koninkrijk.
Mt 16:27 Want de Zoon des mensen staat te komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen. Mt 16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk.
Dat hebben zij gezien toen de Heer zes dagen na deze woorden drie leerlingen meenam op een hoge berg. Daar werd hij verheerlijkt.
Mt 17:1 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. Mt 17:2 En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Enz.
Merk op dat ze verzen onmiddellijk volgen op Matth. 16:28. Dat “zien komen” is een vooruitblik geweest. Zoals Hij toen in zichtbare heerlijkheid straalde, zo zal hij eens zichtbaar verschijnen in deze wereld.
“Dit geslacht” zou het meemaken. De Heer heeft gezegd dat “dit geslacht” de voorzegde gebeurtenissen zou meemaken.
Mt 24:33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Mt 24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd.
Het gebruikte woord voor “geslacht” is het Griekse woord “genea”. Het kan een figuurlijke betekenis hebben: “een soort mensen die veel op elkaar lijken in gaven, leefwijzen, karakter; specifiek in ongunstige zin, een verdorven geslacht”.
Mt 11:16 Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen:
Mt 12:39 Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona.
Mt 12:45 Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht.
Mr 8:38 Want wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen.
Mr 9:19 Hij nu antwoordde hun en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem bij Mij.
Flp 2:15 opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld,
Als wij andere Schriftplaatsen over de toekomst zoveel mogelijk letterlijk nemen, moeten we “dit geslacht” in Matth. 24:34 figuurlijk verstaan: het betekent niet een “generatie van 40 jaar” betekent, maar “deze soort mensen”, d.w.z. dit verdorven mensengeslacht.
“Spoedig”. De Heer heeft gezegd dat de in de Openbaring voorzegde gebeurtenissen spoedig zouden gebeuren en dat Hijzelf spoedig zou komen. Daarnaast heeft de Heer gesuggereerd dat zijn komst op zich laat wachten. De boze slaaf zou zeggen “Mijn heer blijft uit”.
Mt 24:48 Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mt 24:49 Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards,
De bruisdmeisjes vielen in slaap, omdat “de bruidegom uitbleef”.
Mt 25:5 Toen nu de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. Mt 25:6 Maar te middernacht klonk een geroep: Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet!
In de gelijkenis van de slaven kwam de heer “na lange tijd” (Matth. 25:19).
Mt 25:14 Want het is als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde. (…) Mt 25:19 Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen.
Wetend dat sommigen het uitbleven van de Heer voor traagheid hielden, wees de apostel Petrus erop dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.
2Pe 3:8 Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. 2Pe 3:9 De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. 2Pe 3:10 Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. 2Pe 3:11 Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht,
De tijdrekening van God is anders dan de onze. Gezien de aanwijzingen van “lange tijd” en “uitblijven” en gezien dat veel voorzeggingen over de eindtijd en de zichtbare komst van de Heer in de wereld met heerlijkheid en majesteit nog niet hebben plaatsgevonden, moeten we “spoedig” in het perspectief van een goddelijke tijdrekening plaatsen.
Ps 90:4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht.
De Heer komt op de wolken van de hemel. Critici van het preterisme wijzen erop dat Mattheüs 24 ook spreekt van Jezus’ komst op de wolken des hemels. Deze wederkomst in de lucht is nog niet gebeurd, ook niet in de eerste eeuw. De preterist antwoordt daarop dat er geen reden is om aan te nemen dat die komst op de wolken de Wederkomst van Christus is. In het Oude Testament spreekt God van zijn komst tot het volk ten oordeel. In Jesaja 19 vinden wij daarvan een treffend voorbeeld. De profeet verwijst naar het op handen zijnde oordeel over Egypte:
Jes 19:1 De last over Egypte. Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt in Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste.
Noch Jes. 19: 1 noch Matt. 24:33, die beide op een komst op de wolken spreken, spreken volgens het preterisme van de wederkomst van Christus.
Belofte van Israëls herstel.Een andere tegenwerping tegen het preterisme is dat Gods verbond met Israël “eeuwig” is en daarom niet geëindigd kan zijn in het jaar 70. Israël is weliswaar verstrooid onder de volken, naar de Schrift (Deut. 30), maar het zal ook weer worden hersteld, naar de Schrift.
Logische gevolgen. Een ander bezwaar tegen het preterisme naar voren gebracht, is dat het antisemitisme en vervangingstheologie in de hand werkt.
.
.

.
.
.
.


1: Het Rozenkransgebed Begin de rozenkrans met het maken van een kruisteken:
In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
2: Het Onze Vader
2: de 12 artikelen van het geloof
Ik geloof in God de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde. En in Jezus
Christus, zijn enig Zoon, onze Heer, die
ontvangen is van de Heilige Geest, en
geboren uit de maagd Maria, die geleden
heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd,
gestorven en begraven, die nedergedaald
is ter helle, de derde dag verrezen uit de
doden, die opgestegen is ten hemel, zit aan
de rechterhand van God, de almachtige
Vader, vandaar zal Hij komen oordelen,
de levenden en de doden. Ik geloof in de
Heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de
gemeenschap van de heiligen, de
vergiffenis van de zonden, de verrijzenis
van het lichaam, en het eeuwig leven. Amen.
3• Ik groet u, Maria, dochter van God
de Vader. Wees gegroet Maria…
4• Ik groet u, Maria, moeder van God
de Zoon. Wees gegroet Maria…
5• Ik groet u, Maria, bruid van God
de Heilige Geest. Wees gegroet Maria…
Wees gegroet Maria, vol van genade.
De Heer is met u. Gij zijt de gezegende
onder de vrouwen en gezegend is Jezus,
de vrucht van uw schoot. Heilige Maria,
Moeder van God, bid voor ons zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.
6: Het Onze Vader
7: eerste geheim van de 4 grote geheimen
7: Bij elke kleine kraal wordt het
Wees gegroet Maria gebeden.
8: Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige
Geest. Zoals het was in het begin en nu en
altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
8: het Onze Vader
Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam
worde geheiligd, Uw rijk kome, Uw wil
geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood en
vergeef ons onze schulden, zoals ook wij
vergeven aan onze schuldenaren, en breng
ons niet in beproeving, maar verlos ons
van het kwade. Amen.
8: Oh mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons van het vuur van de hel, breng alle zielen naar de hemel, vooral diegenen die uw barmhartigheid het meest nodig hebben
Daarna volgt een geheim
9,11,13,15: zie 7
10,12,14: zie 8
Het rozenkransgebed wordt besloten door het kruisteken en de woorden:
In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Vijf blijde geheimen hebben te maken met de geboorte van Jezus: maandag en zaterdag
• De engel Gabriël brengt de blijde
boodschap aan Maria.
• Maria bezoekt haar nicht Elisabeth.
• Jezus wordt geboren in een stal van Betlehem.
• Jezus wordt in de tempel aan God opgedragen.
• Jezus wordt in de tempel wedergevonden.
Vijf droevige geheimen gaan over het lijden en sterven van Jezus: dinsdag en vrijdag
De droevige geheimen zijn:
• Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader.
• Jezus wordt gegeseld.
• Jezus wordt met doornen gekroond.
• Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarie.
• Jezus sterft aan het kruis.
Vijf glorievolle geheimen staan stil bij de verrijzenis van Jezus: woensdag en zondag
De glorievolle geheimen zijn:
• Jezus verrijst uit de doden.
• Jezus stijgt op ten hemel.
• De Heilige Geest daalt neer over Maria en
de apostelen.
• Maria wordt in de hemel opgenomen.
• Maria wordt in de hemel gekroond.
Vijf geheimen van het licht hebben te maken met het openbaar leven van Jezus: donderdag
De geheimen van het licht zijn:
• Jezus wordt gedoopt in de Jordaan.
• Jezus openbaart zich op de bruiloft te Kana.
• Jezus verkondigt het Rijk Gods en roept op tot bekering.
• Jezus verandert van gedaante op de berg Tabor.
• Jezus stelt de eucharistie in tijdens het Laatste Avondmaal.
Deze twintig geheimen omvatten het hele leven van Jezus. Daarom wordt de rozenkrans ook wel een “samenvatting van heel het Evangelie” genoemd.
Elk jaar op 7 oktober viert de Rooms-katholieke Kerk de Gedachtenis Heilige Maagd Maria van de Rozenkrans. Daaromheen is de hele maand oktober uitgegroeid tot Rozenkransmaand. Vroeger werd de rozenkrans veel gezamenlijk in de gezinnen gebeden. Tegenwoordig wordt hij veel gebeden tijdens bedevaarten, in kleine
groepen in de parochie en bij mensen thuis, of gewoon individueel. Veel katholieken dragen de rozenkrans altijd bij zich.
De kracht van de rozenkrans ligt in de eenvoud en in de herhaling. Door steeds weer het Onze Vader te bidden met de tien Weesgegroeten (de ‘tientjes van de rozenkrans’), ontstaat een cadans en een soort concentratie. Hierin kun je de geheimen uit het leven van Jezus overdenken en verdiepen. Je kunt aan de ‘tientjes van de rozenkrans’ ook intenties verbinden. Mensen aan wie je je gebed hebt beloofd of noden in de wereld die je ziet, kun je zo op voorspraak van Maria aan God voorleggen.
De Nederlandse bisschoppen riepen in 2018 op om elke maand op een speciale dag de rozenkrans te bidden met als intentie de vrede in de wereld. De oproep volgde op het 100-jarig jubileum van de verschijningen van de Heilige Maagd Maria in Fatima (13 mei – 13 oktober 2017). Paus Franciscus vraagt zo vaak mogelijk
de rozenkrans te bidden, “omdat dit gebed helpt de aanwezigheid van Christus in ons leven te kunnen herkennen” (ontmoeting met delegaties uit Maria bevaartsoorden, 8 oktober 2016).
Wist je dat de rozenkrans is ontstaan in kloosters, waar elke week alle 150 Psalmen werden gebeden? Voor lekenbroeders of -zusters verving men de Psalmen door het bidden van 150 maal het Onze Vader. In de middeleeuwen werd dit steeds vaker het Weesgegroet. Geleidelijk aan verbond men dit gebed met de overweging van momenten uit het leven van Jezus.


Pasteltekening van John Astria
Het antwoord op deze vraag is het enige echte geschil rondom de historische Jezus. Geen enkele geloofwaardige schriftgeleerde ontkent tegenwoordig dat Jezus een historische persoonlijkheid was die ongeveer 2000 jaar gele-den de aarde bewandelde, opmerkelijke wonderen en goede daden verrichtte en even buiten Jeruzalem een af-schuwelijke dood stierf aan een Romeins kruis. Het emotionele debat concentreert zich in het bijzonder op de vraag of Jezus al dan niet de vleesgeworden God is die drie dagen na Zijn kruisiging uit de dood opstond.
Veel mensen hebben dit geestelijk vraagstuk “opgelost” door Jezus te aanvaarden als een goed mens, een goed leraar of een groot profeet. Maar Jezus en Zijn volgelingen gebruikten duidelijke taal toen zij verkondigden dat Hij God was :
zie Johannes 10: 30-38, Matteüs 16: 13-17, Marcus 14: 61-64, Johannes 14: 6, Hebreeën 1: 6-8, Kolossenzen 1: 15 – 19, Johannes 12: 37-41 [citaat van Jesaja 6: 1-10]).
30 Ik en de Vader zijn helemaal één.” 31 De Joden begonnen weer stenen aan te slepen om Hem daarmee dood te gooien. 32 Maar Jezus zei: “Ik heb laten zien wat voor geweldige dingen mijn Vader doet. Om welke van die dingen willen jullie Mij nu doden?” 33 De Joden antwoordden Hem: “We willen U niet doden vanwege de goede dingen die U doet, maar omdat U God beledigt. Want U, een mens, zegt van Uzelf dat U God bent.” 34 Jezus antwoordde hun: “Er staat toch in de Boeken: ‘Ik heb gezegd: jullie zijn goden’ ? 35 God noemt de mensen dus goden als Hij tegen hen spreekt, en we moeten ons houden aan wat er in de Boeken staat. 36 Ik ben speciaal door de Vader geroepen om naar de wereld te gaan. Waarom zeggen jullie dan dat Ik God beledig, als Ik zeg dat Ik Gods Zoon ben? 37 Als Ik níet doe wat mijn Vader zegt, geloof Mij dan maar niet. 38 Maar als Ik dat wél doe en jullie Mij toch niet geloven, geloof dan de dingen die Ik doe. Dan zullen jullie moeten toegeven dat de Vader één met Mij is en Ik één ben met de Vader.”
13 Ze kwamen in de buurt van de stad Cesarea Filippi. Daar vroeg Hij aan zijn leerlingen: “Wat zeggen de men-sen over de Mensenzoon? Wie ben Ik volgens hen?” 14 Ze antwoordden: “Sommige mensen zeggen dat U Jo-hannes de Doper bent. Andere mensen zeggen de profeet Elia . Weer andere mensen zeggen Jeremia, of één van de andere profeten.” 15 Maar Jezus zei tegen hen: “Maar Wie ben Ik volgens júllie?” 16 Simon Petrus ant-woordde: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God.” 17 Jezus antwoordde: “Simon, zoon van Jona, wat heerlijk voor je dat je dit begrijpt! Want je weet dat niet doordat een mens je dat heeft laten zien. Maar mijn hemelse Vader heeft jou dat laten zien.
61 Maar Jezus zweeg en gaf geen antwoord. Toen vroeg de Hogepriester Hem weer: “Ben Jij de Messias, de Zoon van de Gezegende God?” 62 Jezus zei: “IK BEN het. En u zal de Mensenzoon zien als Hij naast de Almach-tige God zit en op de wolken komt.” 63 De hogepriester riep uit: “We hebben verder geen beschuldigingen meer nodig! 64 Jullie hebben zelf gehoord dat Hij God heeft beledigd! Wat vinden jullie?” En ze vonden allemaal dat Hij de doodstraf moest krijgen.
6 Jezus zei tegen hem: “IK BEN de weg en de waarheid en het leven. Alleen door Mij kun je bij de Vader komen. 7 Als jullie Mij kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen. Vanaf nu kennen jullie Hem en zien jullie Hem.”
6 En opnieuw zegt God, op het moment dat Hij zijn eerstgeboren Zoon in de wereld brengt: “Al Gods engelen moeten Hem aanbidden.” 7 Van de engelen zegt Hij: “Zijn engelen zijn als de wind. Zijn dienaren zijn als vuur-vlammen.” 8 Maar van de Zoon zegt Hij: “God, U bent voor eeuwig Koning en U heerst volmaakt rechtvaardig.
15 Jezus is de afbeelding van God. God kunnen we niet zien. Maar aan Jezus kunnen we zien wie God is. Jezus was er al vóórdat God alles maakte. 16 Want door Jezus heeft God alle dingen in de hemel en op de aarde ge-maakt: de zichtbare dingen en de onzichtbare dingen, alles wat heerst en macht heeft. Alles is door Hem en voor Hem gemaakt. 17 Hij was er eerder dan al het andere. Alle dingen bestaan door Hem. 18 Hij is het Hoofd van de gemeente en de gemeente is zijn Lichaam. Hij is het begin van alles. Hij is de eerste die uit de dood is opge-staan. Zo is Hij dus van alles de eerste. 19 Want God had besloten Zelf in Jezus te komen wonen.
37 De mensen hadden met eigen ogen Jezus heel veel wonderen zien doen. Maar toch geloofden ze niet in Hem. 38 Zo werd werkelijkheid wat de profeet Jesaja van tevoren had gezegd: ‘Heer, wie gelooft wat hij van mij heeft gehoord? En wie heeft werkelijk begrepen hoe machtig de Heer is?’ 39 Ze konden niet geloven, omdat Jesaja ergens anders had gezegd: 40 ‘Ik heb hun ogen blind gemaakt en hun hart koppig gemaakt. Zo kunnen hun ogen het niet zien en kan hun hart het niet begrijpen. Daardoor zullen ze niet bij Mij terugkomen en zal Ik hen niet genezen.’ 41 Dit had Jesaja gezegd omdat hij tóen al had gezien hoe goed en machtig God is. Hij sprak toen over Jezus.
Pasteltekening van John astria
Daarom is elke mogelijke intellectuele compromis die Jezus een “goed mens” noemt logisch gezien inconsequent. Waarom? Omdat er feitelijk slechts drie werkelijke alternatieven zijn voor de identiteit van Jezus Christus. Hij is een leugenaar, een gek of onze Heer en God. Omdat Jezus beweerde God te zijn, zijn Zijn beweringen of waar, of onwaar. Als ze onwaar zijn, dan moet Hij dus een leugenaar zijn geweest, die de massa’s met opzet misleidde. Of Hij was een gek die oprecht geloofde dat Hij zelf God was, maar in werkelijk slechts een gewoon mens was.
Maar als Jezus een “goed mens” was, wat volgens de meeste mensen waar is, hoe kon Hij dan tegelijkertijd goed en gek zijn, of goed en een leugenaar? Er bestaat maar één logisch consequent alternatief: Hij moet de waarheid verteld hebben over Zijn identiteit. Naast de logische onverenigbaarheid toont het opmerkelijke historische en archeologische bewijs, samen met het bewijs uit de manuscripten, dat Jezus geen leugenaar en ook geen gek was. Nogmaals, de enige overgebleven positie is dat Zijn bewering waar was. Jezus is Heer en God.
Pasteltekening van John Astria
Het enige nog resterende alternatief is dat Jezus slechts een legende of een mythe was. Het is erg onwaarschijn-lijk dat de beweringen van Jezus slechts legendarisch van aard zijn. Er was gewoonweg niet voldoende tijd voor de ontwikkeling van fabelachtige verhalen die de werkelijkheid konden vervangen. We weten nu bijvoorbeeld dat de Evangeliën zo’n 30 tot 50 jaar na de kruisiging van Jezus werden geschreven. We kunnen nu zelfs enkele van de vroege christelijke geloofsbelijdenissen, waarin het leven, de dood en de opstanding van Jezus worden ver-kondigd, dateren tot ongeveer 3 tot 10 jaar na Zijn kruisiging. Hieronder bevinden zich de brieven van Paulus aan de Korintiërs, de Romeinen en de Galaten.
Tenslotte, als de bewering van Jezus dat Hij God was slechts een mythe was, dan zouden de vroege Joodse tegenstanders van het christendom zeer zeker gebruik hebben gemaakt van het simpele feit dat deze dingen nooit werkelijk hadden plaatsgevonden. Maar in tegenstelling tot moderne sceptici ontkenden de Joodse rabbijnen nooit de bewering van Jezus dat Hij God was. In plaats daarvan noemden zij Hem een leugenaar en berechtten zij Hem wegens godslastering.
Als jij jezelf al deze vragen hebt gesteld, al het bewijs hebt gewogen en alle argumenten hebt beproefd, zul je ui-teindelijk oog in oog staan met deze vraag. In Matteüs 16:15 zei Jezus het als volgt, “‘En wie ben ik volgens jullie?’ ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus.” Wat is jouw antwoord?
Pasteltekening van John Astria
.
Het denkbeeld, dat Jezus door God de Vader werd geschapen wordt vaak ontleend aan de zeer beperkte uitleg van Kolossenzen 1: 15 – 17 en Openbaring 3: 14 en door het gemis van het begrip van Gods Plan, zoals het op de mensheid van toepassing is.
Kolossenzen 1: 15 – 17
15 Jezus is de afbeelding van God. God kunnen we niet zien. Maar aan Jezus kunnen we zien wie God is. Jezus was er al vóórdat God alles maakte. 16 Want door Jezus heeft God alle dingen in de hemel en op de aarde gemaakt: de zichtbare dingen en de onzichtbare dingen, alles wat heerst en macht heeft. Alles is door Hem en voor Hem gemaakt. 17 Hij was er eerder dan al het andere. Alle dingen bestaan door Hem.
Openbaring 3:14
14 De Heer zei tegen Johannes: “Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt de Amen (=’ja, zo is het’), de Getuige die de waarheid spreekt en die te vertrouwen is. Dit zegt Hij die het Begin is van alles wat God heeft gemaakt.
De Bijbel laat echter zien dat zowel de Vader en de Zoon eeuwig op zichzelf bestaand zijn. Ofschoon “er maar één God is” (1 Korintiërs 8: 4; Deuteronomium 6: 4), laat de Bijbel zien, dat God een goddelijk Gezin is, bestaande uit meer dan één Wezen. (Genesis 1: 26; Efeze 2: 19)
1 Korintiërs 8: 4
4 Ik wil jullie het volgende zeggen over het eten van vlees dat aan de afgoden is geofferd. We weten dat er eigenlijk geen andere goden bestaan. Want er is maar één God.
Deuteronomium 6: 4
4 Luister, Israël, de Heer is onze God. De Heer is Eén.
Genesis 1: 26
26 En God zei: “Laten We mensen maken, mensen die op Ons lijken. Ze zullen heel erg op Ons lijken. Ze moeten zorgen voor de vissen in de zee, de vogels in de lucht, het vee, de kruipende dieren en voor de hele aarde.”
Efeze 2: 19
19 Zo zijn jullie nu dus niet langer vreemdelingen en buitenstaanders. Jullie horen nu bij het volk van God en bij het gezin van God.
Volgens de Bijbel was Jezus Christus de God van het Oude Testament, het “Woord” (Logos), door wie de Vader alle dingen schiep. (Johannes 1: 1-3; Efeze 3: 9; Hebreeën 1: 1 – 3)
Johannes 1: 1-3
1 We willen jullie vertellen over het Levende Woord. Het Levende Woord was er al vanaf het begin. We hebben Hem gehoord, met onze eigen ogen gezien en met onze eigen handen gevoeld. 2 In Hem is het Leven Zelf zichtbaar geworden. Dat eeuwige Leven was bij de Vader, en de Vader heeft het zichtbaar gemaakt zodat wij het konden zien. 3 We willen jullie vertellen wat we hebben gezien en gehoord, zodat we één met elkaar zullen zijn. En wíj zijn één met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.
Efeze 3: 9
9 God, die alle dingen door Jezus Christus heeft gemaakt, heeft eeuwenlang zijn plannen verborgen gehouden. En nu mag ík aan de mensen zijn plan bekend maken!
Hebreeën 1: 1 – 3
1 God heeft vroeger vaak en op veel verschillende manieren tegen onze voorouders gesproken. Dat deed Hij door de profeten. Maar nu, aan het eind van de tijd, heeft Hij tegen óns gesproken door zijn Zoon. 2 Door zijn Zoon heeft Hij de wereld gemaakt. En Hij heeft Hem ook alles gegeven wat bestaat. 3 De Zoon is de ‘afbeelding’ van God Zelf. In Hem zien we wie God is. In Hem zien we de macht en majesteit van God en het karakter van God. De Zoon zorgt ervoor dat alle dingen bestaan. Want alle dingen bestaan door zijn woord dat één en al kracht is.
Nadat Hij “Zichzelf ledigde” van Zijn goddelijke macht (Filippenzen 2: 5 – 8) om te sterven en de straf voor onze zonden te betalen (Romeinen 6: 23) werd Jezus de “eniggeborene des Vaders”, (Johannes 1: 14 – 18; 3: 16 – 18), de Verlosser van de mensheid (1 Johannes 4: 14 – 16) en Degene, die voor onze zonden stierf en uit de doden is opgestaan, zodat wij verlost zouden worden van de eeuwige dood. (Handelingen 4: 10-12)
Filippenzen 2: 5 – 8
5 Wees net zo bescheiden als Jezus Christus was. 6 Hij was God. Maar Hij vond dat niet zó belangrijk, dat Hij het niet los kon laten. 7 Nee, Hij heeft zelfs al zijn goddelijkheid opgegeven. Hij kwam naar de aarde om een dienaar te worden. Hij werd helemaal mens. 8 En als mens heeft Hij Zichzelf vernederd door God gehoorzaam te zijn tot de dood. Ja, zelfs tot de dood aan een kruis.
Romeinen 6: 23
23 Het kwaad brengt altijd de dood: het is je loon voor wat je hebt gedaan. Maar de liefdevolle goedheid van God geeft een geschenk: het eeuwige leven, door onze Heer Jezus Christus.
Johannes 1: 14 – 18
14 Het Woord werd een mens en Hij heeft bij ons gewoond. We hebben gezien hoe geweldig en machtig Hij is: Hij, Gods enige Zoon, met dezelfde macht als de Vader, liefdevol, vriendelijk, en vol van waarheid. 15 Johannes de Doper zei van Hem: “Dit is de man over wie ik het had. Hém bedoelde ik toen ik zei: ‘De man die na mij komt, is belangrijker dan ik,’ want Hij was er al voordat ik werd geboren.” 16 Hij is één en al liefde, vriendelijkheid en goedheid. Daarom is Hij ook eindeloos liefdevol, vriendelijk en goed voor ons allemaal. 17 Door Mozes hebben we de wet gekregen, die ons leert wat God van ons vraagt. Door Jezus Christus zijn Gods liefde, vriendelijkheid, goedheid en waarheid naar ons toe gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien. Maar zijn Enige Zoon, die helemaal één met Hem is, heeft ons laten zien wie God is.
.
Johannes 3: 16 – 18
16 Want God houdt zoveel van de mensen, dat Hij zijn enige Zoon aan hen heeft gegeven. Iedereen die in Hem gelooft, zal niet verloren gaan, maar zal het eeuwige leven hebben. 17 Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om de mensen te veroordelen, maar om door Hem de mensen te redden. 18 Iedereen die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Maar iedereen die níet gelooft, ís al veroordeeld. Want hij heeft niet geloofd in de enige Zoon van God.
.
1 Johannes 4: 14 – 16
14 Wij hebben met eigen ogen gezien dat de Vader de Zoon heeft gestuurd als Redder van de mensen. En dat is wat wij aan de mensen vertellen. 15 Als iemand hardop erkent dat Jezus de Zoon van God is, mag hij er zeker van zijn dat God in hem woont en dat hij in God is. 16 We hebben gezien en geloofd dat God heel veel van ons houdt. God is liefde. En als jullie net als God van elkaar houden, blijven jullie in God en blijft God in jullie.
.
Handelingen 4: 10-12
10 Ik wil dat u en het hele volk van Israël weten dat wij dat hebben gedaan namens Jezus Christus uit Nazaret. U heeft Hem gekruisigd, maar God heeft Hem teruggeroepen uit de dood en weer levend gemaakt. Door deze Jezus staat deze man nu gezond vóór u. 11 Jezus is de steen die u, de bouwers, niet goed genoeg vond. Toch is hij de belangrijkste bouwsteen van het gebouw geworden. 12 Niemand anders dan Hij kan de mensen redden. Er is op aarde niemand anders door wie de mensen gered kunnen worden.”
Sommigen verwijzen naar de Statenvertaling van Openbaring 3: 14 als bewijs, dat Jezus Christus een geschapen wezen is, omdat het Hem beschrijft als “het begin der schepping Gods”. Het probleem ligt in de vertaling van het woord “het begin”. (In het Grieks, arche)
Openbaring 3: 14 > zie boven
.
Pasteltekening van John Astria
Christus is “de oorsprong van de schepping Gods”. (Prof. Brouwer, zie ook de Moffatt of NIV vertaling) “Het Begin” zou beter vertaald zijn met “de Beginner” of de “Bewerker”, of de “Schepper” van de schepping. Zoals deze vertalingen duidelijk maken betekent Openbaring 3: 14 niet, dat Jezus het eerste geschapen wezen was; integendeel, Hij is Degene, die schiep en geldt als de oorzaak van die schepping.
Sommigen halen ten onrechte Kolossenzen 1: 15 aan en zeggen dat dit vers betekent, dat Christus als “de eerstgeborene der ganse schepping”, Zelf een deel van die schepping was. Het Griekse woord dat hier vertaald wordt met “eerstgeborene” -prototokos (van proto, “eerste” en tikto, “verwekken”) – geeft niet aan, dat Jezus geschapen was.
Integendeel, het herinnert ons er aan dat door Zijn opstanding Hij de “superioriteit” als “de eerstgeborene uit de doden” had. (Kolossenzen 1: 18; Openbaring 1: 4 – 6) Bovendien – zoals juist opgemerkt in Vine’s Expository Dictionary of New Testament Words – is Kolossenzen 1: 15 een vers “waar Christus’ relatie met de Vader zichtbaar is en deze zin betekent zowel dat Hij de Eerstgeborene was voor de hele schepping en dat Hij Zelf de schepping produceerde. Het is de tweede voorwerpsnaamval, zoals vers 16 duidelijk maakt. Hij schiep Zichzelf niet.
Kolossenzen 1: 18
18 Hij is het Hoofd van de gemeente en de gemeente is zijn Lichaam. Hij is het begin van alles. Hij is de eerste die uit de dood is opgestaan. Zo is Hij dus van alles de eerste. 19 Want God had besloten Zelf in Jezus te komen wonen. 20 Door Jezus’ dood aan het kruis heeft God vrede met ons gesloten. Door Jezus heeft Hij de vriendschap hersteld tussen Hemzelf en alles wat leeft op de aarde en in de hemel.
Openbaring 1: 4 – 6
4 Johannes schrijft dit aan de zeven gemeenten in Asia (= Turkije): Ik bid dat God in alles goed voor jullie zal zijn. En dat jullie vol zullen zijn van de vrede van Hem die is en die was en die komt, de vrede van de zeven Geesten die voor zijn troon staan, 5 en de vrede van Jezus Christus. Hij heeft ons de hele waarheid bekend gemaakt en Hij is te vertrouwen. Hij is de eerste die uit de dood opstond. Hij is de hoogste Koning op aarde. Hij houdt zoveel van ons, dat Hij ons door zijn bloed heeft schoongewassen van onze ongehoorzaamheid aan God. 6 Daarom moeten we Hem alle eer geven! Hij heeft koningen van ons gemaakt en priesters voor zijn God en Vader. Hij regeert voor altijd en eeuwig! Amen! Zo is het!
Een andere belangrijke sleutel om de leerstelling van Paulus te begrijpen vindt U in Hebreeën 7. In de dagen van Abraham was Melchisedek de koning van Jeruzalem en “een priester van God, de Allerhoogste” (Genesis 14: 18 – 20).
Genesis 14: 18 – 20
18 Ook Melchizédek, de koning van Salem, kwam Abram tegemoet. Hij gaf hem en zijn mannen brood en wijn. Melchizédek was een priester van de Allerhoogste God. 19 Hij zegende Abram en zei: “Ik zegen je met de zegen van de Allerhoogste God, de Eigenaar van de hemel en de aarde. 20 En ik dank de Allerhoogste God, die ervoor zorgde dat je al je vijanden hebt overwonnen.” Toen gaf Abram aan Melchizédek een tiende deel van de hele buit.
Paulus schrijft dat Melchisedek bestond van eeuwigheid “zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos”. (Hebreeën 7: 3)
Hebreeën 7: 3
3 Verder wordt er niets over hem gezegd. Zo is hij zonder vader, zonder moeder, zonder voorouders of kinderen, zonder begin van zijn leven en zonder eind van zijn leven. Hij is daarmee gelijk aan de Zoon van God en blijft voor altijd priester.
Melchisedek was “als de Zoon van God en bleef altijd een Hoge Priester. Als Jezus Christus nu onze Hoge Priester is (Hebreeën 5: 10), dan zijn Melchisedek en Jezus Christus één en hetzelfde eeuwige Wezen.
Hebreeën 5: 10
10 Zo maakte God Jezus tot net zo’n Hogepriester als Melchizédek.
Religies, die Jezus Christus als een geschapen wezen beschouwen begrijpen Gods plan van behoud niet.
Jezus Christus is het “Woord”, die “God was” en “met God” was, eeuwig vanaf het begin (Johannes 1: 1-4), vòòr de schepping, die zal terugkomen als “Koning der koningen en Here der heren” (Openbaring 19: 13-16) om duurzame vrede te vestigen op de aarde. (Jesaja 2: 2-4).
Johannes 1: 1-4
1 In het begin was het Woord er. Het Woord was bij God, en het Woord was God Zelf. 2 In het begin was het Woord bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord gemaakt. Werkelijk alles wat er is, bestaat doordat het Woord het heeft gemaakt. 4 In het Woord was het leven, en het leven was het licht voor de mensen.
Openbaring 19: 13-16
3 Zijn kleren waren in bloed geverfd. Zijn naam is: ‘Het Woord van God’. 14 En de hemelse legers, gekleed in schone, witte, linnen kleren, volgden Hem op witte paarden. 15 Uit zijn mond kwam een scherp zwaard, waarmee Hij de ongelovigen verslaat. Hij zal streng over de volken heersen, als met een ijzeren staf. Hij zal Zelf de druiven uitpersen in de druivenpers van de straf van de Almachtige God. 16 Op zijn kleding staat bij zijn bovenbeen zijn naam geschreven: ‘Hoogste Koning en machtigste Heer.’
Jesaja 2: 2-4
2 Als het eind van de tijd is gekomen, zal de berg waarop de tempel van de Heer staat de hoogste berg zijn. Hij zal hoger zijn dan de hoogste bergen, indrukwekkender dan de hoogste heuvels. Alle volken zullen daarheen gaan. 3 Ze zullen zeggen: ‘Kom, laten we naar de berg van de Heer gaan, naar de tempel van de God van Jakob. Want we willen van Hem leren hoe we moeten leven. We willen leven zoals Hij het wil. Want vanuit Jeruzalem zal de Heer zijn wil bekend maken.’ 4 Hij zal rechtspreken over de landen en volken. Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegen. En hun speren zullen ze omsmeden tot snoeischaren. De volken zullen niet meer tegen elkaar strijden. Ze zullen hun bewoners niet meer leren oorlogvoeren.
.
.
Pasteltekening van John Astria
Als vijfde en laatste in de reeks van dingen die een grote indruk op Agur hebben gemaakt, komt een lijst van vier wezens die fier voortbewegen: “Drie hebben een voorname tred, vier schrijden statig voort” (Spreuken 30: 29 – 30). Het zijn de leeuw, de haan, de bok en de koning.
29 Deze drie, nee, deze vier lopen heel statig en deftig:
30 een leeuw, de koning van de dieren
die voor niets of niemand bang is
32 David zei tegen Saul: “Laat niemand de moed verliezen door die Filistijn. Ik zal met hem vechten.” 33 Maar Saul zei tegen David: “Dat kun je niet. Je bent veel te jong. En híj vecht al van jongs af aan.” 34 Maar David zei tegen Saul: “Ik ben gewend om voor mijn vader de schapen te hoeden. Soms roofde een leeuw of beer een schaap uit de kudde. 35 Dan liep ik hem achterna, sloeg hem neer en redde het dier uit zijn bek. En als de leeuw mij dan aanviel, greep ik hem bij zijn manen en doodde hem.
36 Ik heb leeuwen en beren verslagen. Met deze ongelovige Filistijn zal het net zo aflopen. Want hij heeft het leger van de levende God uitgedaagd. 37 De Heer heeft mij gered van de klauwen van leeuwen en beren. Hij zal mij ook redden uit de handen van deze Filistijn.” Toen zei Saul: “Ga dan maar. De Heer zal met je zijn.”
Pasteltekening van John Astria
8 Juda, je zal door je broers worden geprezen. Je zal je vijanden overwinnen. Je eigen broers zullen voor je bui-gen. 9 Je lijkt op een jonge leeuw die na de jacht, als hij zijn prooi heeft opgegeten, op een hoge plaats gaat rusten. Wie zal hem daar durven storen? 10 De koningsstaf zal altijd in zijn hand zijn. Zijn heersersstaf zal altijd regeren, totdat Silo (= ‘Vredevorst’) komt. Alle volken zullen hem gehoorzamen.
5 Toen zei één van de gemeenteleiders tegen mij: “Huil maar niet. Kijk, de Leeuw uit de stam van Juda, de Zoon van David, heeft overwonnen. Daarom mag Hij de zeven zegels losmaken en de boekrol openmaken.”
32 Hij zal een belangrijk mens zijn en Hij zal ‘Zoon van de Allerhoogste God’ worden genoemd. De Heer God zal Hem koning van Israël maken, net als zijn voorvader David . 33 Hij zal voor eeuwig als koning regeren over het volk Israël. Er zal nooit een eind komen aan zijn heerschappij.”
Pasteltekening van John Astria
8 En als mens heeft Hij Zichzelf vernederd door God gehoorzaam te zijn tot de dood. Ja, zelfs tot de dood aan een kruis. 9 Daarom heeft God Hem ook de hoogste eer en de allergrootste macht gegeven. Hij heeft Hem be-langrijker en machtiger gemaakt dan wie dan ook. 10 Want God wil dat iedereen in de hemel, op de aarde en onder de aarde de knieën zal buigen voor Jezus. 11 Hij wil dat iedereen hardop zal toegeven dat Jezus de Heer is. Want dat eert God de Vader!
.
1 Waarom gaan de volken tekeer?
Ze smeden plannen die toch niet zullen slagen.
2 De koningen van de aarde maken zich klaar voor de strijd.
Ze sluiten zich bij elkaar aan en komen in opstand tegen de Heer
en tegen de man die Hij tot koning heeft gezalfd.
3 Ze zeggen: “We willen niet dat zij over ons heersen!
We willen niet dat zij ons vertelle
4 God in de hemel trekt zich niets van hun plannen aan.
De Heer lacht om hen.
5 Dan spreekt Hij woedend tegen hen.
Als ze zien hoe kwaad Hij is, worden ze doodsbang.
6 Hij zegt: “Deze koning heb Ik Zelf uitgekozen
als koning over mijn heilige berg Sion!”
7 De koning zegt:
“Ik zal jullie vertellen wat de Heer heeft besloten.
Hij heeft tegen mij gezegd:
‘Jij bent mijn zoon. Vanaf vandaag ben Ik je Vader.
8 Je mag Mij alles vragen.
Ik zal je alle volken geven.
De hele aarde zal van jou zijn.
9 Je zal streng over hen regeren, als met een ijzeren staf.
Je zal hen vernietigen, zoals je een kruik stukbreekt.’
10 Wees dus verstandig, koningen en leiders!
Luister naar mij en doe wat ik zeg:
11 Dien de Heer met diep ontzag.
Wees vol eerbied blij over Hem.
12 Buig je voor de zoon, zodat hij niet boos op je wordt.
Wacht niet te lang, want straks is het te laat.
Dan zal hij iedereen vernietigen die hem niet gehoorzaamt.
Het is heerlijk voor een mens om op God te vertrouwen!”