Categorie: video
Ezechiël deel 2 : De Geest van het Woord

preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget



Dit is heel belangrijk. Mensen die niet geloven dat God wil dat wij gezond zijn, besteden nauwelijks tijd om zich af te vragen waarom niet iedereen geneest, want ze geloven niet dat het Gods wil is om iedereen te genezen. De mensen die echt verbijsterd zijn, zijn de mensen die wél geloven dat het Gods wil is, maar toch niet zien dat ieder persoon wordt genezen, of ze zien zichzelf niet genezen. Hoe komt het dat dit gebeurt?
Pasteltekening van John Astria
Dit is heel wat anders dan wat de meeste mensen zouden zeggen. Op de vraag ‘waarom denk jij dat mensen niet genezen’, zou waarschijnlijk het meest voorkomende antwoord zijn: ‘omdat ze niet genoeg geloof hadden.’ Natuurlijk is het waar dat als iemand geen geloof heeft, het ontvangen van genezing daardoor wordt aangetast. In ieder voorval waar Jezus genezing aan iemand bediende, was een bepaalde mate van geloof betrokken.
Soms kwam er iemand naar Jezus, zoals de vrouw in Markus 5, die zei:
En zij raakte Zijn kleed aan. Het geloof van God was er en de kracht van God stroomde en deze vrouw werd genezen. En de Heer sprak tot deze vrouw: ‘Uw geloof heeft u genezen’. Dát is een sterk geloof. Dat is een geloof dat zich uitstrekt, en grijpt wat God beschikbaar heeft gemaakt.
Eén van de redenen, volgens de meeste mensen, waarom iemand niet geneest is dus dat hij/zij niet in geloof functioneert. Dat belemmert hem/haar om te ontvangen. Maar dat is niet wat Jezus zei. Jezus zei niet dat het kwam omdat zij weinig geloof hadden.
Sommige mensen denken dat ongeloof hebben hetzelfde is als weinig geloof hebben, en dat een sterk geloof hebben nooit wat te maken kan hebben met ongeloof hebben. Maar dat is niet wat het Woord onderwijst. In Markus 11:23 staat:
Jezus zegt hier dat je tegen deze berg moet spreken. Er wordt van uitgegaan dat je in geloof spreekt. Het is hier: ‘Spreek in geloof én niet twijfelen in je hart.’
16 Jezus vroeg: “Waar hebben jullie ruzie over?” 17 Een man uit de groep antwoordde Hem: “Meester, ik kwam mijn zoon naar U toe brengen. Er zit een geest in hem die maakt dat hij niet kan praten. 18 En als de geest hem aanvalt, gooit hij de jongen op de grond. Dan gaat mijn zoon stuiptrekken. Hij krijgt schuim op zijn mond, knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik heb aan uw leerlingen gevraagd om de geest uit hem weg te jagen. Maar ze konden het niet.” 19 Toen zei Hij tegen hen: “Wat zijn jullie toch ongelovig! Hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij.” 20 Ze brachten de jongen naar Jezus. Toen de geest Jezus zag, gooide hij de jongen op de grond en maakte hem aan het stuiptrekken. De jongen lag met schuim op de mond over de grond te rollen. 21 Jezus vroeg aan de vader: “Hoelang heeft hij dat al?” De vader zei: “Vanaf dat hij een klein kind was. 22 En die geest heeft hem ook al vaak in het vuur en in het water gegooid, om hem te doden. Maar als U iets kan doen, help ons dan alstublieft!” 23 Jezus zei tegen hem:
Met andere woorden, de vader zag de manifestatie bij deze jongen die een toeval had en hij voelde zich wanhopig, gefrustreerd, en hij riep uit: ‘Als U iéts kunt doen. Help ons.’ Hij begon te twijfelen, hij begon te wanhopen. Hij keek naar de situatie en zei: ‘God, ik weet niet zeker of U dit wel aankunt.’ En Jezus keerde zich tot hem en in plaats van dat Hij álle verantwoordelijkheid voor de genezing op zichzelf nam, keerde Hij zich tot die vader en zei:
En kijk hoe vervolgens de vader van deze jongen reageert: ‘En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zei: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.’
Deze gebeurtenis van de vader en de zieke jongen is een duidelijk voorbeeld van tegelijkertijd geloof én ongeloof hebben. Het gaat over krachten zijn die elkaar in evenwicht houden. Ze zullen elkaar ongedaan maken. Ook zijn leerlingen konden om die reden de jongen niet konden genezen. Jezus zei dat het kwam omdat ze ongeloof hadden. En het ongeloof maakt het geloof dat je hebt ongedaan.
Jezus’ leerlingen hadden eerder al demonen uitgedreven, ze hadden gezien hoe ze mensen vrij zetten, en deze keer deden ze precies hetzelfde maar toch kregen ze niet hetzelfde resultaat. Ze waren verbijsterd en waren in de war omdat de genezing weg bleef. En dus vroegen ze: ‘Waarom konden wij hem niet uitdrijven?’ En Hij zei niet:
Matteüs 17: 20
Jezus zegt in feite: als jouw geloof maar pietepeuterig klein is, dan is het nog genoeg om een berg in de zee te werpen. Hij wil duidelijk maken dat je helemaal geen groot geloof nodig hebt. Je hebt gewoon een geloof nodig dat niet wordt uitgevlakt, tegengewerkt door ongeloof, dat in de tegengestelde richting werkt. En om dat te onderstrepen zegt Hij dat als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaad, dan is het al genoeg om een berg te verplaatsen, zonder hem maar fysiek aan te raken, alleen maar door er tegen te spreken.
Hoe kun je geloven als je eer zoekt van anderen en niet de eer zoekt die uitsluitend van God komt. Als je het nodig hebt dat andere mensen je waarderen om je goed over jezelf te voelen, en als je bezorgd bent over de mening van andere mensen, dan is dat vrees voor mensen. En vrees is het tegenovergestelde van geloof. Vrees is in feite geloof in een negatieve richting. Dit is in feite ongeloof wat het geloof uitvlakt. Vele handopleggers en gebedsgenezers krijgen met deze problematiek te maken, net zoals Jezus’ leerlingen. Men moet niet reageren op wat mensen denken of zeggen maar op wat God zegt!
Als mensen bidden om de genezing van iemand en ze zien niet de genezing manifesteren willen ze hun geloof op bouwen en vermeerderen. Ze hebben het denkbeeld dat ze een enorm geloof moeten hebben. Maar in werkelijkheid is dat in strijd met wat Jezus hier onderwijst in Matteüs 17. Hij zegt dat als je geloof maar de grootte van een mosterdzaadje moet hebben om een berg in de zee te werpen.
Het geloof moet dus puur zijn met niets dat het tegenspreekt of tegenwerkt, wat het uitvlakt, en in de tegenovergestelde richting werkt. Ongeloof komt op dezelfde wijze als dat geloof komt. Romeinen 10:17 zegt:
Met andere woorden, geloof komt als we onze aandacht richten op God en op Zijn woorden. Ongeloof komt op gelijke wijze maar in de tegenovergestelde richting, als we onze aandacht richten op wat ménsen te zeggen hebben, op al het negatieve. Als wij al die negatieve dingen in overweging nemen, dan ontkracht dat ons geloof.
De meeste christenen spenderen een extra uur per dag in het Woord in een poging hun geloof op te bouwen, maar de rest van de dag ontkrachten ze dat weer door maar raak te kijken voor de televisie. Ze lezen al het slechte nieuws in de krant. Ze staan toe dat het afvalwater van de wereld door hen heen stroomt, gedachten, mentaliteiten, denkbeelden die tegenovergesteld zijn aan het Woord van God. En dan vragen ze zich af waarom hun geloof niet werkt.
Als wij zouden stoppen met naar ieder ander te luisteren en naar al hún ongeloof en de negativiteit van deze wereld, het cynisme van deze wereld, het anti-goddelijke, het anti-Christus gevoel van deze wereld, als wij nooit naar die gedachten zouden luisteren, zouden wij niet verzocht worden om God niet te geloven.
Vele mensen vragen zich af waarom het voor hen zo moeilijk was om hun genezing te ontvangen? Dat komt omdat hen zó veel ongeloof is geleerd in de zin van: dit kun je niet overwinnen, dit is ongeneeslijk, hier is geen enkele manier voor. En dat ongeloof schakelt hun kleine mosterdzaadje hoeveelheid geloof uit. Jezus zei:
Er is ongeloof dat uit onwetendheid voortkomt.
Soms weerspreken mensen wat God zegt niet om een speciale reden, ze weten gewoon niet beter. Er zijn mensen die helemaal niet weten dat God je gezond wil hebben. Ze hebben er nooit van gehoord. Het is onwetendheid, maar desalniettemin is het ongeloof. De manier waarop je dat soort ongeloof overwint is iemand gewoon de waarheid vertellen. Je laat ze de waarheid van het Woord van God zien.
Het tweede soort ongeloof is het ongeloof dat wordt veroorzaakt door verkeerd onderwijs, verkeerde doctrine.
Sommige mensen is geleerd dat God tegenwoordig geen wonderen doet. Genezing is niet meer voor ons. Die dingen zijn verdwenen met de apostelen. Dat is niet waar, dat is niet wat het Woord van God onderwijst. Maar toch is het hen geleerd. Het is veel moeilijker om ongeloof te overwinnen dat voortkomt uit verkeerde doctrine dan ongeloof dat voortkomt uit onwetendheid. Want je moet éérst de verkeerde doctrine weerleggen en dan de Waarheid onderwijzen. Maar het tegengif is in principe precies hetzelfde. Het antwoord op beide is de waarheid van Gods Woord.
Maar vervolgens is er een derde soort ongeloof, en dat is wat ik natuurlijk ongeloof noem.
Met andere woorden, als jij gewoon voor jezelf of iemand bidt om genezing, en ze vallen dood neer, dan zullen je ogen, je oren, al je zintuigen jou zeggen dat het niet heeft gewerkt. En dat is niet per se onwetendheid, en niet per se verkeerd onderwijs, het is gewoon dat jij hebt geleerd te vertrouwen op wat je ziet, proeft, hoort, ruikt en voelt. Als jij voor je lichaam bidt om te stoppen met pijn doen, maar je lichaam voelt nog steeds pijn, dan vertelt je lichaam je gedachten van natuurlijk ongeloof. Het is niet demonisch en het is niet verkeerd. Je vijf zintuigen zijn niet van de duivel.
Maar als God je iets zou zeggen om te doen, en je fysieke zintuigen zeggen je dat het niet gaat werken, dan moet je in staat zijn verder te gaan dan die vijf zintuigen. Als God wil dat je iets doet dat ingaat tegen wat jij kunt zien, proeven, horen, ruiken en voelen, dan kunnen je natuurlijke vijf zintuigen jou natuurlijke gedachten van ongeloof geven, die je geloof uit kunnen vlakken.
Het is niet een kwestie van gewoon maar meer het Woord bestuderen. Maar je moet in de aanwezigheid van God binnengaan, en jezelf in een dergelijke mate vernieuwen, dat je een zesde zintuig ontwikkelt. Dit is heel belangrijk. Als al jouw zintuigen je zeggen dat vragen om genezing niet heeft gewerkt, dan ben je in staat een zesde zintuig te ontwikkelen dat je zegt dat het wél heeft gewerkt.
Je kunt zover komen dat je geloof net zo werkelijk voor je wordt als wat je ziet, hoort, ruikt, proeft en voelt. Dat doe je door tijd door te brengen in het geestelijke gebied en dat is waar bidden en vasten over gaan. Dit is de logica achter vasten. Vasten verandert niets aan God. Vasten zet God niet in beweging. Vasten en bidden laten ook geen demon weggaan. Er bestaat geen demon die je ooit zult tegenkomen, waar vasten en bidden voor nodig zou zijn als toevoeging aan wat Jezus heeft gedaan om hem uit te drijven. Nee, gebed, de naam van Jezus uitspreken in geloof is in staat met welke demon dan ook af te rekenen.
Je vasten en bidden brengt God dus niet in beweging en ook de duivel niet, maar het beweegt jou en het heeft invloed op jou. God alleen voedt je en je kunt je vlees, het lichaam, dat leren. Als je geen tijd hebt besteed aan vasten en bidden, als je niet in de aanwezigheid van God bent geweest, dan zal je lichaam niet reageren op genezing.
Maar je kunt je zintuigen trainen, je kunt ze oefenen om zowel goed als kwaad te onderscheiden, dat staat in Hebreeën 5:14 . En naarmate je dit doet kun je zover komen dat je meer luistert naar wat geloof te zeggen heeft dan wat je lichaam te zeggen heeft. Meer dan wat je emoties te zeggen hebben, meer dan wat je kunt zien, proeven, smaken, ruiken en voelen. En door dat te doen, verminder je het ongeloof.
Het gaat niet per se om hoe sterk je bent in geloof. Je bent sterk of zwak in geloof, afhankelijk van in hoeverre je het met ongeloof hebt vermengd. Als je veel ongeloof hebt, ben je zwak in geloof, als je weinig ongeloof hebt, ben je sterk in geloof. Dat is een meer correcte beschrijving, terwijl klein geloof en groot geloof niet helemaal passend zijn. De waarheid is dat aan een ieder van ons hét geloof van de Zoon van God is gegeven.
Iedere wedergeboren christen heeft precies dezelfde hoeveelheid en kwaliteit van geloof die Jezus had. Wij hebben helemaal geen ‘geloof’ probleem, maar een ongeloof probleem. Schakel de oorzaken van ongeloof in ons leven uit. Honger ons ongeloof dood. Kom tot het punt waarop we zoveel tijd doorbrengen in de geestelijke wereld, denkend aan de dingen van God, dat we niet eens de gedachten van ongeloof hébben.
Bij de meeste mensen is het voor de bediening van genezing niet dat zij geen geloof hebben, maar het feit dat hun geloof ontkracht wordt door ongeloof. En dat komt omdat zij niet zoveel tijd in de aanwezigheid van God hebben doorgebracht, en dat ze zó gewend zijn aan de wereld, dat ze gedachten van ongeloof denken.
De sleutel tot de overwinning in het christenleven is niet per se om dit enorme geloof te hebben, maar veeleer een eenvoudig kinderlijk geloof, een geloof van de omvang van een mosterdzaadje dat niet wordt ontkracht door ongeloof. Je moet het ongeloof dat in de tegenovergestelde richting trekt, los koppelen, en dan is dat kleine mosterdzaadjegeloof van je genoeg om je naar de overwinning te trekken.
Je kunt geloof hebben en een geweldig mens zijn. Je kunt God liefhebben en geweldig geloof hebben. Maar toch heb je tegelijkertijd ongeloof dat je in de andere richting trekt. Honger je ongeloof uit tot dat je eenduidig denkt aan de dingen van God. Als jij jezelf afsluit, zelfs al is het maar voor een week van vasten en gebed, en je aandacht gericht houdt op de Heer, kan dat grote schade aan jouw ongeloof aanrichten.
Het is niet zo dat je daardoor van God meer kracht ontvangt, het veroorzaakt dat het geloof dat je hebt zoveel beter gaat werken, omdat je het ongeloof vermindert dat in de tegenover gestelde richting trekt. En dat is goed nieuws. God wil dat je gezond bent. En als jij dat gelooft, is het enige wat je hoeft te doen, het ongeloof uithongeren tot jouw geloof de resultaten die je verlangt begint voort te brengen.
.
.
.
.
.
Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.
De woorden van de hemelse stem:
“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”
.
.
Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.
De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.
We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.
Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.
In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.
Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.
De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:
“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”
.
Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.
Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.
Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.
We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.
Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.
Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.
De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.
Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.
Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.
Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.
Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.
Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.
Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.
Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.
Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.
Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:
“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).
.
Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.
De tweede tekst is uit het Hooglied:
“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).
.
Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.
In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.
Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.
We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.
Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.
Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:
“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.
.
Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.
Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:
“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”
.
Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)
De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.
Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.
We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).
Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.
Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.
Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”
In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.
Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.
De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.
Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
De Bijbel geeft ons richting in onze reis door het leven tot aan de oneindigheid, maar leidt ons ook tot een relatie met de God van het universum. Het is een historisch boek dat door de archeologie wordt ondersteund, en een profetisch boek dat al zijn beweringen tot dusver heeft waargemaakt. De Bijbel is Gods brief aan de mensheid, verzameld in 66 boeken die door 40 goddelijk geïnspireerde auteurs zijn geschreven.
Deze schrijvers komen uit alle bevolkingslagen en beslaan een periode van 1,500 jaar. De beweringen van de Bijbel mogen dan wel erg dramatisch of onrealistisch lijken, maar een zorgvuldige en eerlijke bestudering van de Bijbelse geschriften zal aantonen dat deze waar zijn.
.
.
“Wie schreef de Bijbel” is een vraag die met zekerheid beantwoord kan worden door de bijbelse teksten te beschouwen in het licht van extern bewijs waardoor deze worden ondersteund.
.
.
Maar God laat ons niet achter met alleen beweringen in de Bijbel over Zijn goddelijke bediening, hij ondersteunt deze ook met overtuigend bewijs. Het ontwerp van de Bijbel zelf is al een wonder. Geschreven over een periode van meer dan 1,500 jaar door een groot aantal verschillende schrijvers, maar toch is elk boek in de Bijbel consequent wat de boodschap betreft.
Deze 66 boeken praten over geschiedenis, profetie, poëzie, en theologie. Ondanks verschillen in schrijfstijlen en tijdsverschillen, stemmen de boeken van de Bijbel op miraculeuze wijze met elkaar overeen in hun thema, feiten en kruisverwijzingen. Geen enkel mens zou zo een ingewikkelde combinatie van boeken over een periode van 1,500 jaar kunnen plannen.
De Bijbelmanuscripten hebben de tand des tijds overleefd. De meeste geschriften uit de oudheid, die op zwakke materialen zoals papyrus werden geschreven, zijn compleet verdwenen. En toch zijn veel kopieën van het Oude Testament bewaard gebleven. De Dode Zee rollen bijvoorbeeld bevatten alle boeken van het Oude Testament, behalve Ester, en worden teruggedateerd tot voor de tijd van Christus. Er bestaan meer dan 24,000 manuscripten van het Nieuwe Testament, waarvan de oudste kan worden gedateerd tot 24 jaar na Christus.
.
.
.

.
.

.
.
De Bijbel bekrachtigt zijn goddelijke auteurschap ook door middel van vervulde profetieën. Een verbijsterend aantal van 668 profetieën is reeds vervuld en geen enkele hiervan is ooit als onwaar bewezen. Een eerlijke bestudering van bijbelse profetie zal het goddelijke auteurschap van de Bijbel overtuigend bewijzen. Bovendien bevestigt de archeologie de verslagen die in de Bijbel zijn vastgelegd. Geen enkel ander heilig boek komt ook maar in de buurt van de Bijbel wat betreft de hoeveelheid bewijsstukken die zijn goddelijk auteurschap bevestigen.
.
.
“Wie schreef de Bijbel” is inderdaad een vraag die iedereen zich zou moeten stellen. Als deze inderdaad het Woord van de levende God is, dan kan geen enkel boek ons meer inzicht in ons leven geven, of meer hoop voor de toekomst, of een reëel pad naar een relatie met God. Doorzoek de Bijbel met openheid en eerlijkheid en ontdek voor jezelf wat de Schepper van het universum je wilt vertellen!
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.Mantra-meditaties gaan terug tot de oude Vedische tradities. Sindsdien hebben vele culturen waarde gehecht aan de heilige kracht van woorden. In het Sanskriet betekent ‘ Man ‘ gedachten en ‘ tra ‘ bescherming. In vele stromingen wordt ook een helende werking aan mantra’s toegekend door de specifieke trillingsenergie die elk woord opwekt. Geluid en woorden hebben een effect op ons. Mantra’s worden in de moderne tijd gebruikt om psychologie affirmaties op te krikken of onze gezondheid te verbeteren.
We kunnen in onze meditaties mantra’s gebruiken die afstammen uit de yoga of die we zelf bedenken. De mantra’s kunnen zo simpel zijn als een geluid ” om ” of als een zin zoals bijvoorbeeld ” ik hou van mezelf “. Het hangt van je eigen voorkeur, opvattingen en doelstelling af. Mantra meditaties behoren tot meest populaire en vaak toegepaste meditatietechnieken van dit moment.
Als je een mantra zoekt dan raden we je in het begin aan om een woord met een of twee lettergrepen te kiezen. Na verloop van tijd kan je de mantra uitbreiden naar meerdere woorden of een zin. Kies je voor een positieve affirmatie dan is het belangrijk om een affirmatie in de tegenwoordige tijd te kiezen. ” Ik ben gezond ” is beter dan ik ” ik wil gezond ” worden”.
Sommige mantra’s hebben geen betekenis, anderen verwijzen naar goden of Boeddhistische figuren. In sommige stromingen worden bepaalde effecten aan bepaalde mantra’s toegekend. Wil je een dergelijke mantra gebruiken, onderzoeken dan eerst wat de mantra betekent en wat hij met je doet.
Over het algemeen wordt ” Om ” als de moeder der mantra’s gezien. Om is het geluid waardoor het universum is gecreëerd’ en staat voor alle mantra’s en trillingen bij elkaar. Mantra meditaties behoren tot de categorie beginnermeditaties die je de rest van je leven kan beoefenen en verdiepen.
Over het algemeen zijn mantra-meditaties moeilijker dan ademhaling-meditaties. Ook tijdens de dagelijkse activiteiten valt het niet mee zich af te zonderen om luidop mantra’s te citeren.
.
.
..
De persoonlijke mantra: hij is gekoppeld aan een persoon en heeft een persoonlijk en uniek doel. Deze mantra’s worden gegeven door een deskundig spiritueel leraar of door een guru.
De persoonlijk universele mantra: deze mantra kan door ieder spiritueel gemotiveerd mens gebruikt worden en heeft een spiritueel verheffend en specifiek doel. Deze mantra geef je aan jezelf of krijg je van een spiritueel leraar of guru. Enkele voorbeelden van persoonlijk universele mantra’s zijn: er wordt veel van mij gehouden, ik ben ontzettend blij, ik heb alles in meer dan voldoende mate, ik ben diep dankbaar.
De universele mantra’s: deze roepen Goddelijke hulp en energie op.
.
.
.
OM BHUR BHUVA SVAH
TAT SAVITUR VARENYAM
BHARGO DEVASYA DHIMAHI
DHIYO YO NAH PRACHODAYAT
.
..
..
Oh moeder GAYATRI
U die eeuwig bestaat in het verleden, heden en toekomst,
in de drie werelden en in de drie goena’s.
Wij bidden u, verlicht ons verstand en verdrijf onze onwetendheid,
zoals het stralende zonlicht de duisternis verdrijft.
Wij bidden u, maak ons denken zuiver en helder.
.
.
.
..

.
.
Een mantra heeft twee aspecten. De eerste is Manana wat betekent dat alles wat je leert in de geest moet opgenomen worden. Het tweede aspect is Traana wat betekent dat alles in de geest krachtig moet worden verankerd en beschermd. Door God in je geest binnen te halen en Hem daar stevig te verankeren kun je je leven voortzetten zonder zorgen. Door het uitspreken van heilige mantra’s, die god in onze ziel toelaten, kunnen we ons verzekeren van onsterfelijkheid.
.
.
D E M A N T R A
.
Aum: geluid is de basis van de schepping.
Buhr: de aarde, het grove.
Bhuvah: de atmosfeer, de ether, het subtiele.
Svah: de hemel, het oorzakelijke.
Tat: God wordt aangeduid als DAT omdat hij niet in woorden of kan worden weergegeven.
Savitur: staat voor de Goddelijke kracht van de zon
Varenyam: verering.
Bhargo: schittering, luister, verlichting.
Devasya: Goddelijke schittering of genade.
De overblijvende zin vormt het gebed:
Dhimahi: wij overdenken
Dhi yo yo: staat voor intellect.
Nah Prachodayat: verzoeken, aandringen, bidden.
.
.
.
..
.
Mogen alle bewoners van alle werelden gelukkig zijn.
.
.
.

.
.
Het woord Hare is een aanspreekvorm voor de energie van de Heer. De woorden Krishna en Rama zijn aanspreekvormen van de Heer zelf. Zowel Krishna als Rama betekent “ het allerhoogste genoegen ”. Hara is het vermogen voor de allerhoogste vreugde van de Heer wat het mogelijk maakt om tot de Allerhoogste te komen.
De drie woorden Hare, Krishna en Rama bevestigen het verlangen naar de Heer en Zijn energie. Het chanten van de mantra is net als het verlangen van een kind naar zijn moeder. De Allerhoogste openbaart zich aan de toegewijde die deze mantra oprecht chant.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.
De woorden van de hemelse stem:
“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”
.
.
Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.
De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.
We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.
Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.
In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.
Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.
De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:
“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”
.
Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.
Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.
Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.
We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.
Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.
Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.
De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.
Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.
Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.
Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.
Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.
Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.
Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.
Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.
Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.
Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:
“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).
.
Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.
De tweede tekst is uit het Hooglied:
“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).
.
Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.
In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.
Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.
We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.
Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.
Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:
“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.
.
Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.
Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:
“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”
.
Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)
De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.
Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.
We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).
Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.
Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.
Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”
In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.
Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.
De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.
Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Er zijn echter sceptici die graag willen aantonen dat de Bijbel vol fouten staat. Een mooie manier om aan te tonen dat de Bijbel niet Gods Woord is, is natuurlijk door deze zichzelf tegen te laten spreken. Op het internet circuleren verschillende lijsten met vermeende contradicties. Dit artikel is een reactie op twee van die lijsten.
De Bijbel is duizenden jaren geleden geschreven door mensen met een heel andere taal en culturele achtergrond. De oppervlakkige bijbellezer die denkt de Bijbel ‘zomaar’ te kunnen verwerpen op grond van een aantal schijnbare tegenstrijdigheden in een Nederlandse vertaling, verkeert in een illusie. Wanneer je een schijnbare tegenstrijdigheid tegenkomt, trek dan geen overhaaste conclusies, maar volg eerst de volgende stappen:
.
De opsteller van de onderstaande lijst heeft deze stappen duidelijk niet doorlopen. Voor iedere ‘contradictie’ zijn plausibele oplossingen denkbaar.
De ‘contradicties’ staan op volgorde naar de indeling van de Bijbelboeken van de protestantse Bijbels. (Daarbij is telkens uitgegaan van de eerste tekst. Dus voor de contradictie tussen Numeri 25:9 en 1 Korinthiërs 10:8 moet gezocht worden naar die in Numeri.) De teksten komen uit de NBG ’51, tenzij anders aangegeven.
.
.
.
Genesis 3:8,9
8 Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof.
9 En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij?
Jeremia 23:24
24 Zou zich iemand in schuilhoeken kunnen verschuilen, dat Ik hem niet zou zien? luidt het woord des HEREN. Vervul Ik niet de hemel en de aarde? luidt het woord des HEREN.
.
Dat God Adam vraagt waar hij is, wil nog niet zeggen dat Hij dat niet weet. Als een basisschooljuffrouw aan haar klas vraagt hoeveel 7 maal 8 is, betekent dat niet dat ze zelf het antwoord niet weet.
In dit geval had Gods vraag betrekking op het feit dat Adam zich verstopt had omdat hij zich schaamde voor zijn naaktheid, wat een gevolg was van Adam’s ongehoorzaamheid. Gods vraag confronteerde Adam met zijn zonde.
.
.
.
Genesis 3:20
20 En de mens noemde zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is geworden.
Hebreeën 7:1-3
1 Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende,
2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des vredes;
3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos.
.
Met ‘moeder van alle levenden’ wordt de moeder van alle vleselijke mensen bedoeld (behalve Adam). Melchisedek valt waarschijnlijk niet binnen deze categorie. Bijvoorbeeld de leden van de Qumran gemeenschap (de verstoppers van de Dode Zee Rollen, geen christenen maar Judaïsten) zagen Melchisedek als een hemels Wezen. Sommige christenen merken op dat Melchisedek voldoet aan het profiel van Christus (die al bestond voor de schepping). Er is dus geen contradictie.
.
.
.
.
.
Genesis 9:3
3 Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid.
Deuteronomium 14:8
8 Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn. Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken.
.
In Genesis 9:3 staat wat God zei tegen Noach en zijn nakomelingen. De wet in Deuteronomium is specifiek voor de Joden. Later komt er een nieuw verbond, onder Christus als hogepriester, waar al het voedsel rein verklaard wordt. Hier is geen sprake van een contradictie, maar van verschillende fasen in Gods plan met de mensheid.
.
.
.
Genesis 17:10
10 Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde;
Galaten 5:2
2 Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen.
.
Besneden zijn of niet besneden zijn is volkomen irrelevant voor de christen. Maar wat Paulus duidelijk wil maken (en wat blijkt uit de context van Galaten 5) is dat iemand die zich laat besnijden omdat de wet dit voorschrijft, dat eigenlijk doet uit ongeloof in Jezus Christus.
Je laten besnijden om andere redenen (medische redenen, of uit respect voor de tradities van mensen met wie je contact hebt) is echter geen enkel probleem.
.
.
.
Genesis 22:1 (Statenvertaling)
1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
Jakobus 1:13 (Statenvertaling)
13 Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.
.
Merk op dat ik deze teksten in de Statenvertaling heb laten staan, omdat er in de NBG ’51 geen sprake is van een contradictie. In de NBG staat in Genesis 22:1 ‘op de proef stelde’ in plaats van ‘verzocht’. Er is een verschil tussen verleiden en op de proef stellen (testen).
Verleiden = proberen iemand ertoe te bewegen het kwade te doen. Dit is één van satans hobby’s.
Op de proef stellen = iemand in een situatie brengen waar een moeilijke beslissing genomen moet worden (in Abraham’s geval: gehoorzaam zijn aan God, of niet).
Als God ons test doet Hij dat voor ons eigen bestwil. Het is leerzaam, we worden er sterker van en ons vertrouwen in God neemt toe. En als we in moeilijke situaties God blijven navolgen, sterkt dat onze volharding (Romeinen 5:3,4).
Staat de grondtekst dit onderscheid tussen op de proef stellen en verleiden toe? Ja, in Genesis staat er het Hebreeuwse woord ‘nasah’ terwijl in Jakobus het Griekse woord ‘peirazo’ staat. Beide kunnen zowel ‘op de proef stellen’ als ‘verleiden’ betekenen. De juiste vertaling van ‘nasah’ moet, gezien de context, ‘testte’ of ‘op de proef stelde’ zijn. De NBG ’51 heeft dit dus correct vertaald.
.
.
.
Genesis 22:12
12 En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.
Psalmen 44:22
22 zou God dat niet uitvorsen?
Hij toch kent de geheimen des harten.
.
Apologeet James Patrick Holding zegt over Genesis 22:12:
[…] the word used for ‘know’ [‘weet’ in Gen 22:12] is yada, which has broad connotations meaning knowledge (when something was not known before) or familiarity, or observation. In this sense it would suggest that God could not logically act upon human responses until the response was made.
James Patrick Holding, Everywhere That Man Has Went, Does the Bible Indicate that God is not Omnipresent or Omniscient?
.
.
.
Genesis 32:30
30 En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.
Exodus 33:20
20 Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.
.
Gods volle Majesteit kan niet gezien worden (zie context), maar Hij kan wel in een andere vorm aan mensen verschijnen. Opnieuw citeer ik J. P. Holding:
First of all, the Hebrew term ‘face’ has an idiomatic twist which refers to awareness and direct knowledge of presence, without the help or hindrance of a mediator — one might say today, it is a ‘close encounter’ of a personal kind!
Jacob had not seen God’s ‘face’ in this idiomatic sense; nor had anyone else so far.
James Patrick Holding, To Be Seen, or Not to Be Seen, Is the Bible Contradictory Concerning God’s Visibility?
.
.
.
.
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
.
.
.
.
.
.
.
Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.
De woorden van de hemelse stem:
“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”
.
.
Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.
De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.
We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.
Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.
In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.
Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.
De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:
“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”
.
Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.
Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.
Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.
We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.
Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.
Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.
De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.
Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.
Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.
Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.
Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.
Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.
Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.
Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.
Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.
Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:
“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).
.
Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.
De tweede tekst is uit het Hooglied:
“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).
.
Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.
In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.
Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.
We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.
Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.
Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:
“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.
.
Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.
Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:
“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”
.
Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)
De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.
Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.
We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).
Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.
Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.
Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”
In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.
Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.
De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.
Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.
.
.
.
.
Wie zal op deze vragen het beslissende antwoord geven? Wel, dat doet de Bijbel zelf. Nu, en niet eerder, komt de zelfgetuigenis van de Bijbel aan de orde. Als we door de boodschap van de Bijbel tot bekering en geloof in Jezus Christus zijn gekomen, zal de getuigenis dat de Bijbel over zichzelf geeft, voor ons beslissend moeten zijn. We zullen dit getuigenis nu gaan onderzoeken.
01. Het heeft geen zin met ongelovigen te spreken over het gezag van de Bijbel. Men moet eerst de kracht van de Schrift hebben ervaren om over zijn gezag te kunnen praten. Iets anders wordt het, wanneer met belijdt dat de Bijbel een Goddelijk boek is. Dan is er namelijk een basis om van uit te gaan. Hier valt een vergelijking te trekken met het optreden van Paulus. In Handelingen 17:16-31 vinden we een verslag van zijn toespraak tot de heidenen te Athene. Hij haalt hij in deze rede geen Schriftplaatsen aan.
02. Vergelijken we daarmee nu eens de wijze waarop hij in de synagoge te Antiochië de Joden toespreekt, die het Goddelijke karakter van de Schrift erkenden (Handelingen 13:16-41). Er komen 5 aanhalingen uit het Oude Testament in die toespraak voor. In dit geval was het dus op zijn plaats om de bewijskracht van de Schrift te laten voelen. Zo kunnen wij ieder uit de Schrift bewijzen dat de Bijbel het onfeilbaar, onaantastbare Woord van God is. Of men dit getuigenis wil aanvaarden is natuurlijk een andere zaak.
03. Welnu, wat zegt de Bijbel over zichzelf? We beginnen met het getuigenis van het Oude Testament. Zo vinden we in Psalm 119 uitspraken over de wet of Thora, de vijf boeken van Mozes.
Dit doet de psalmist niet één keer, maar vele malen.
04. Vaak ook getuigt iemand in de Bijbel van zijn eigen mondelinge of schriftelijke mededelingen dat het Gods Woord is.
David in 2 Samuël 23: ‘De Geest des Heren spreekt door mij, zijn woord is op mijn tong’
Amos 1: 3: ‘zo zegt de Heer’
Haggaï 1: 3: ‘en eht Woord des Heren kwam door de dienst van de profeet Haggaï
Zacharia 9:1: ‘Godsspraak, het Woord des Heren’.
Hier zouden talloze voorbeelden aan toe te voegen zijn.
05. De Heer Jezus zei over het Oude Testament in het slot van Johannes 5 :
Hier stelt de Heer het gezag van de geschriften van Mozes even hoog als dat van de woorden die Hij zelf spreekt. Zo Sprak de Heer Jezus de woorden van God. (zie Johannes 7:16; 12: 49). Welnu, dan zijn de boeken van Mozes ook Gods Woord.
06. De volkomen betrouwbaarheid van Mozes en de profeten blijkt ook uit Lukas 16. Wat antwoordt Abraham aan de rijke man? ‘Indien zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij ook indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen’. De boeken van het Oude Testament hebben dus, volgens dit woord van de Heer, een nog groter gezag dan een boodschap, die rechtstreeks door een persoon, die uit de doden zou zijn opgestaan, zou worden gebracht.
07. Dat de geschriften van de profeten het absolute Woord van God zijn, volgt ook uit het verwijt dat de Heer de Emmaüsgangers maakt: ‘O, onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben'(Lukas 24).
08. Er zijn twee heel sterk sprekende uitdrukkingen uit de mond van de Heer Jezus, die laten zien hoe onfeilbaar de Schrift is. In Johannes 10: 35 lezen we: ‘De Schrift kan niet gebroken worden’. Zelfs de kleinste lettertekens, de ‘jota’ en de ‘tittel’ staan er niet tevergeefs. Dit blijkt uit de tweede uitspraak, vermeld in Mattheüs 5 vers 18.
09. In al Zijn gesprekken met de Joden heeft de Heiland nooit het gezag van de Schriften aangetast. Integendeel, voor Hem had de Schrift het laatste woord. Regelmatig komen we tegen, dat Hij zegt: ‘Hebt gij nooit of niet gelezen ‘(zie: Mattheüs 21:16; 22:31) en dan citeert hij een tekst uit de Schrift.
10. Zelfs bij de verzoeking in de woestijn verslaat de Heer de satan niet met Zijn eigen woorden. Hij beroept zich tot driemaal toe op de Schriften met: ‘er staat immers geschreven’ (Mattheüs 4). En de satan moet daarvoor wijken.
Laten ook wij, ondanks alles wat er tegenwoordig geleerd wordt, dit voorbeeld van onze Heiland volgen, opdat we bewaard blijven voor een dwaalweg die tot oneer is van Zijn Naam en waarop we ‘schipbreuk lijden aangaande het geloof'(1 Timotheüs 1:19).
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
De term Schriften over de Bijbel wijst naar de veelheid van schrijvers en legt dus ook nadruk op de menselijke kant van de Bijbel. Deze laatste uitdrukking kan gemakkelijk aanleiding geven tot misverstand. In onze tijd wordt meestal over het menselijke element in de Bijbel gesproken om aan te geven dat de Bijbel niet in alles gezaghebbend en betrouwbaar zou zijn.
Zo zien sommigen de Bijbel als een gemengde verzameling van Goddelijke en menselijke uitspraken, waarbij we de Goddelijke er als het ware uit te ziften hebben. Anderen beschouwen de boodschap van de Bijbel als het Goddelijke element dat verpakt zit in menselijke bewoordingen.
.
.
We kunnen in dit verband een vergelijking trekken tussen:
.
.
.
.
.
.
.
01. Jezus Christus is in de wereld gekomen zoals ieder mens. Galaten 4: 4 zegt dat God Zijn Zoon uitgezonden heeft, geboren uit een vrouw. De Bijbel is niet uit de hemel komen vallen, zoals de Efeziërs beweerden van het beeld van de godin Artemis (Handelingen 19: 35), maar is ontstaan net als alle andere boeken. Mensen namen schrijfmateriaal en legden wat ze te zeggen hadden schriftelijk vast.
Hier hebben we in beide gevallen het menselijke element.
02. Jezus van Nazareth is op volkomen natuurlijke wijze geboren, maar werd op een bovennatuurlijke wijze bij de maagd Maria verwekt. Hij is namelijk verwekt door de Heilige Geest (Mattheüs 1:18; Lukas 1: 35).
Zo is de Bijbel geschreven door mensen, maar niet voortgebracht door de wil van de mens. 2 Petrus 1: 21 zegt in dit verband dat de profetie nooit is voortgekomen uit de wil van een mens maar dat deze mensen ‘door de Heilige Geest gedreven’ werden. David zegt in 2 Samuël 23: 2 >De geest des Heren spreekt door mij, zijn woord is op mijn tong. Heel duidelijk zien we hier in beide teksten het Goddelijke element.
03. Jezus Christus is geboren uit het volk Israël? (Romeinen 9: 4, 5) In vers 5 wordt de menselijke kant aangegeven met de woorden: wat het vlees betreft. Die menselijke afkomst in Hebreeën 7:14 vermeldt dat onze Heer uit Juda is gesproten. Ook de Bijbel hebben we aan het volk Israël te danken als het gaat om de menselijke kant van zijn ontstaan.
04. Christus kwam dus niet als volwassen mens in deze wereld, maar als kind en groeide op of nam toe. Hij nam volgens Lukas 2: 52 toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen. Ook de Bijbel kwam niet als compleet boek onder de mensen, maar werd in de loop van ongeveer 1500 jaar samengesteld. Ook de Bijbel groeide op om zo te zeggen. Dit is ook een menselijk element.
05. Toch was Christus reeds in Zijn jeugd volmaakt voor God en als 12 – jarige jongen wijzer dan zijn leermeesters. Men ontzette zich (verbaasde zich) over zijn verstand, zoals Lukas 2 vers 47 (slotverzen) laat zien (vgl. Psalm 119: 99). De eerste vijf boeken van de Bijbel, die je de Bijbel als kind zou kunnen noemen, bevatten reeds alle Goddelijke beginselen en vormen een bron van Goddelijk onderricht. Dit is weer de Goddelijke kant bij beide.
06. De Joden hebben in hun ongeloof de Here Jezus niet anders gezien dan als Jezus, de zoon van de timmerman (Mattheüs 13 slot). Ze hebben Hem zelf ook ‘de timmerman’ genoemd, zoals blijkt uit Marcus 6 vers. Daarbij stelden ze Hem op één lijn met Zijn broers en zussen. Een oprecht zoeker als Nathanaël kwam echter na één ontmoeting met Jezus tot de erkenning: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de koning van Israël (Johannes 1). Zo beschouwt het ongeloof de Bijbel slechts als een verzameling menselijke geschriften, die men op één lijn stelt met alle andere literatuur. Daarentegen neemt ieder die gelooft de Bijbel aan, zoals de Thessalonikers het gepredikte woord van Paulus aannamen, namelijk ‘niet als een woord van mensen, maar als een woord van God (Thessalonika 2:13).
07. Slechts als ‘de man van smarten, veracht door het volk’ kon de Heer de heilaanbrenger worden voor elk die gelooft. Zo kan ook de zondaar alleen behouden worden door ‘het woord des kruis’, dat voor hen die verloren gaan ‘een dwaasheid’ is (1 Korinthe 1).
08. Hoe weinig de mensen van de afkomst van Jezus Christus en dus van Zijn Goddelijke zending wisten, blijkt uit Johannes 7:41 en 42. Ze wisten namelijk niet, dat Jezus van Nazareth te Bethlehem geboren was. Zo staren velen zich wat de Bijbel betreft blind op het menselijke en zien niet zijn koninklijke afkomst.
09. Christus is in alle dingen aan de mensen gelijk geworden, met één uitzondering dat hij niet zondigde (Hebreeën 4:15). Letterlijk staat daar ‘zonder zonde’, dat wil zeggen dat Hij de inwonende zonde niet kende. In Lukas 1: 35 wordt Hij dan ook het Heilige genoemd. Zo komt de Bijbel tot ons in menselijke bewoordingen, echter zonder fouten of ongerechtigheden. Spreuken 30: 5 zegt daarvan: ‘Alle woord Gods is gelouterd ‘ en Psalm 12 vers 7 noemt de woorden des Heren zuivere woorden en vergelijkt ze met gedegen zilver dat zevenvoudig gelouterd is.
.
.
.
.
.
.