Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

De Trachycaprus, de Hennep palm

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

De Trachycarpus is een winterharde palm, die zelfs de Nederlandse winters buiten overleeft. Van nature groeit deze palm in het Himalaya gebergte op grote hoogte. De Nederlandse naam is Hennep palm. De plantenfamilie is Arecaceae (palmenfamilie)

 

 

320px-Trachycarpus_Fortunei

 

 

 

Trachycarpus onderhoud:

 

Water geven

 

Gedurende de zomer dient de Trachycaprus in een vochtige grond te staan. Vooral bij warme dagen, als de palm buiten staat, is dagelijks een flinke scheut water nodig. De grond mag niet uitdrogen in de zomer. Gedurende de winter is het juist beter om de grond droog te houden. Dit voorkomt vorstschade. Bij een standplaats binnen is het beter om gedurende de winter de grond licht vochtig te houden.

De hoeveelheid water is afhankelijk van verschillende factoren, zoals luchtvochtigheid en hoeveelheid licht, daarom is het verstandig om te beginnen met kleinere hoeveelheden water per gietbeurt. Is de grond binnen 2 dagen droog, geef dan iets meer water. Is de grond na 5 dagen nog steeds erg nat, geef dan minder water per keer. Indien de palm buiten staat en de plantenbak is voorzien van drainage gaten zal het overtollige water wegstromen.

 

 

 

Sproeien

 

Het is raadzaam maar niet noodzakelijk om wekelijks de Trachycaprus te sproeien. Vooral bij een standplaats binnen is regelmatig sproeien gewenst.

 

 

trachycarpus fortenei

 

 

 

Standplaats

 

De Trachycarpus wenst veel licht. Buiten kan de palm in de volle zon staan. Plaats deze palm niet in de volle wind, blad zal daardoor sneller afsterven. Een standplaats naast een schutting of muur is ideaal. Wanneer de Trachycarpus binnen staat, dan is minimaal 5 uur direct zonlicht per dag gewenst. Dit betekent dat de Trachycarpus tot 2 meter voor een raam op het zuiden mag staan, of voor een raam op het westen, oosten of noorden.

 

 

 

Minimale temperatuur

 

Overdag: – 12 °C
‘S nachts: – 18 °C

Bescherm de palm bij nachttemperaturen onder de 15 graden. Dit kan met een lichtslang of speciale winter- hoezen voor palmen.

 

 

 

Verpotten

 

Vooral buiten is het belangrijk een zo groot mogelijke pot te nemen voor de Trachycarpus. Hoe groter de wortelkluit wordt, hoe beter de palm bestand is tegen lage temperaturen. Daarnaast is er meer grond aanwezig wat vocht zal vasthouden. Hiermee is de kans op uitdroging kleiner. Gebruik een plantenbak welke 2x zo groot is als de wortelkluit. Bij potten met drainage gaten voeg je eerst een laag hydrokorrels op de bodem.

Vervolgens een laag palmengrond of universele potgrond. Daarop plaats je de wortelkluit en vervolgens kun je de bak vullen met grond tot dezelfde hoogte als de grond voorheen was. Verpot bij voorkeur in de lente. Gedurende die periode herstellen de wortels het snelst. Het is aangeraden om deze palm eens per 3 jaar te verpotten.

Ook is het raadzaam om de bovenste grondlaag elk jaar te vervangen. Trachycarpussen kunnen ook in de volle grond worden geplaatst. Graaf een diep gat, vul deze eerst met een zak hydrokorrels, vervolgens een laag verse aarde en plaats daarop de palm. Vul de grond aan met verse grond.

 

 

 

 

 

Voeding

 

Geef de Trachycarpus vaste voeding. Doseer nooit meer dan de verpakking aangeeft. Voeding in de herfst of winter is overbodig en kan zelfs schadelijk zijn.

 

 

 

Verkleurende bladeren

 

De onderste bladeren zullen op den duur verkleuren en lelijk worden. Dit is een natuurlijk proces en is helaas niet te voorkomen. Wanneer de palm zwarte bladpunten heeft, is dat waarschijnlijk een teken van overmatige watergift. Bruine of gele bladeren zijn eerder een teken van te weinig water. Ook kan de overgang van een schaduwrijke standplaats naar een zonnige locatie tijdelijk zorgen voor gele bladeren. De nieuwe bladeren zijn beter bestand tegen het directe licht.

 

 

 

Snoeien

 

De onderste bladeren van deze palmen worden op den duur minder mooi. Door deze naar beneden te buigen zijn de bladeren eenvoudig met en snoeischaar te verwijderen. Bruine punten mogen met een schaar geknipt worden. Kort de stam niet in, hierdoor zal de palm sterven.

 

 

trachycarpus fortenei groei

 

 

 

Vermeerderen

 

Trachycarpus palmen zijn alleen doormiddel van zaad te vermeerderen.

 

 

 

Bloemen

 

De Trachycarpus kan buiten tot bloei komen. Gele trossen met bloemetjes zullen onderaan de kruin verschijnen.

 

 

 

Giftig?

.

De Trachycarpus is niet giftig.

 

 

Ziektes

 

Dopluis kan voorkomen bij een Trachycarpus. Verwijder besmette bladeren en behandel de palm eventueel met een bestrijdingsmiddel

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “:

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

 

De Strelitzia of de paradijsvogelbloem

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Bird of Paradise, Paradijsvogelbloem, Paradijsvogelplant, Vogelkopbloem of Strelitzia. Een van de meest exclusieve bloeiende kamerplanten. Deze prachtige planten komen van oorsprong uit Zuid-Afrika. De plantenfamilie is Musaceae.

 

 

strelitzia0

 

 

 

Strelitzia onderhoud:

 

Water geven

 

In de zomer heeft de Strelitzia redelijk veel water nodig, ongeveer zoveel dat de grond na een week nog net vochtig is. Voorkom echter dat de wortels in het water staan. In de winter mag de grond verder opdrogen. Geef de plant nog steeds 1x per week water, maar verminder de hoeveelheid. Dit zal de bloei in de lente stimuleren. Indien de Strelitzia in de lente en zomer buiten staat, zal de plant vele malen meer water nodig hebben.

 

 

 

Sproeien

 

Een Strelitzia sproeien is niet noodzakelijk. Het helpt wel stof van de plant te verwijderen zodat meer licht het blad kan bereiken.

 

 

 

 

 

Standplaats

 

Een Strelitzia wenst zoveel mogelijk licht. Plaats deze kamerplanten altijd voor een raam. Het liefst een raam op het zuiden. Dit is een van de weinige kamerplanten die onder direct zonlicht wordt gekweekt. De Paradijs- vogelbloem hoeft daarom niet te wennen aan direct zonlicht. Te weinig licht zal de bloei verminderen en veroorzaakt vaak lelijk blad.

 

 

 

Minimale temperatuur

 

Overdag:  +/- 14 °C
‘S nachts: +/- 6 °C

Plaats de Strelitzia in de winter in een koelere ruimte (zoals de slaapkamer). Dit zal de gezondheid van de plant ten goede komen.

 

 

Strelitzia

 

 

Verpotten

 

Verpot een Strelitzia wanneer deze letterijk uit zijn pot groeit. Natuurlijk is het mooier om direct na de aanschaf de plant te voorzien van een mooie sierpot, dit is dan ook geen probleem. Gebruik een plantenbak waarbij de diameter minimaal 20% breder is dan de vorige. Gebruik universele potgrond gemengd met brekerzand (50/50). Voeg alleen hydrokorrels toe indien er een drainage gat aanwezig is.

 

 

 

Voeding

 

Na 6-8 weken zijn de voedingsstoffen in de aarde verbruikt. Het is dan raadzaam de Strelitzia te bemesten. Gebruik hiervoor vloeibare voeding voor bloeiende kamerplanten. Kijk voor de juiste dosering op de verpakking. Gebruik nooit meer dan aangegeven staat op de verpakking, liever iets minder. Bemesten in de herfst en winter is overbodig en kan zelfs schadelijk zijn.

 

 

 

Verkleurende bladeren

 

De buitenste bladeren zullen na verloop van tijd bruin worden. Dit is een natuurlijk proces waar helaas niks aan te doen is. Je kunt bruine punten verwijderen of het bladstengel 2cm boven de kern afsnijden.

 

 

 

 

 

 

Snoeien

 

Knip eventuele bruine punten. Of snij de bladstengels 2cm boven de kern af. Ook uitgebloeide bloemen 2cm van de basis verwijderen.

 

 

 

Vermeerderen

 

Het vermeerderen kan door middel van zaad. Of Scheuren.

 

 

 

Bloemen

 

Een Strelitzia kan gaan bloeien bij een leeftijd van 4 jaar. Meestal bloeit de Strelitzia vanaf de lente. Niet alle Strelitzia’s komen succesvol tot bloei. Hoe meer bloemen een Strelitzia heeft bij de aanschaf, hoe groter de kans dat de plant het volgende jaar nieuwe bloemen maakt. Een Strelitziakweker die zich richt op de snijbloemen verkoopt daarom vaak zijn planten die niet meer tot bloei komen.

De kans is daarom groot dat een bloemloos exemplaar in de handel niet snel nieuwe bloemen maakt. De bloei van een Strelitzia bevorderd in een koele winter periode, met tempraturen rond de 10 graden. Laat de wortelkluit meerdere malen geheel opdrogen in de winter. Geef de plant veel voeding, warmte en licht in de lente.

 

 

strelitzia-reginae-daniel-mosquin

 

 

Giftig?

 

Strellitzia’s zijn licht giftig. Het blad is schadelijk na inname door dieren of kinderen.

 

 

 

Ziektes

 

De Strelitzia krijgt soms last van schildluis. Het harde blad maakt het eenvoudig om de luis eraf te wrijven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “:

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

mijne kop a4                                                                               JOHN ASTRIA

 

 

 

 

Bleekgele droogbloem : Gnaphalium luteo-album

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte viltige beharing van bladeren en stengels en
– de gele tot oranje bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bleekgele droogbloem is een een- of tweejarige plant van 5 tot 30 (50) cm hoog die vrij algemeen voorkomend is.  Ze groeit op open, vochtige tot natte, kalk- en/of voedselrijke zandgrond, vooral in duinvalleien, op zandplaten en in afgravingen, ook op stenige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bleekgele droogbloem bloeit vanaf juli tot en met oktober met bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De hoofdjes bestaan enkel uit gele tot oranje buisbloemen, ze hebben geen straalbloemen. Het omwindsel bestaat uit witte of gelige, droogvliezige, glanzende omwindselbladen. Dat maakt de plant aantrekkelijk in gedroogde vorm.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengels zijn wit viltig behaard, wat de plant beschermd tegen uitdroging door de zon. De onderste bladeren staan dicht op elkaar (het lijkt daardoor een rozet), zijn spatelvormig en hebben een stompe top. De bovenste bladeren staan verder uit elkaar, zijn lancetvormig en hebben een spitse top. Ze hebben allemaal een iets omgerolde rand.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

bosdroogbloem : kluwens in alle bladoksels, stengel en onderkant bladeren wit viltig.

 

 

 

 

 

moerasdroogbloem : minder viltig dan bleekgele droogbloem, omwindsel bruin of geelachtig, kluwens omgeven door bladeren, die minstens 4x langer zijn dan de kluwens.

 

 

 

 

 

 

bleekgele droogbloem : dicht witte viltige beharing, ook bovenkant van de bladeren, omwindsel wit tot gelig, kluwens van volledig uitgegroeide bloeistengels omgeven door hooguit 2 kleine blaadjes.

 

dwergviltkruid : en andere viltkruiden zijn evenals de droogbloemen viltig behaard, alleen hebben ze veel kleinere bladeren.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig of tweejarig
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 5 tot 30 (50) cm

Bloem
– geel, oranjeachtig
– juli t/m oktober
– hoofdjes in kluwens
– buisvormig
– 5 mm
– omwindsel droogvliezig

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– spatelvormig
– top stomp
– bovenste :
– lancetvormigvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet half stengelomvattend
– 1 nervig
– viltig behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– viltig behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De maagdelijkheid van de lelie

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

.

.

If you have two loaves of bread, sell one and buy a lily

Chinees spreekwoord

Algemeen

.

De symboliek van de lelie is wijdverspreid en dateert al uit de tijd van de oude Grieken en Romeinen. Hun bruiden kregen een kroon van lelies met de hoop op een puur en vruchtbaar leven. De lelie wordt met veel verheven betekenissen geassocieerd: maagdelijkheid, vrede, vruchtbaarheid, puurheid, geestelijke liefde, onschuld, vergankelijkheid, koninklijk, zuiverheid.

.

.

Tijgerlelie

.

.

De witte lelie wordt ook wel Madonna-lelie genoemd en is vaak te zien als religieus symbool in combinatie met de maagd Maria. Dezelfde witte lelie is echter ook op graven te vinden als symbool van de dood. Vaandels en vlaggen in de Middeleeuwen voerden het symbool van de lelie als teken van vrede. De lelie is sinds 1179 ook terug te vinden in het wapen van de Koning van Frankrijk.

.

.

witte lelie

.

.

Soorten

.

Lelies behoren tot het plantengeslacht Liliaceae. Een paar bekende soorten zijn:

Tijgerlelies gespikkelde lelies met hangende bloemen
Oriëntaalse lelies lelies met grote geurende bloemen
Aziatische lelies de “normale” soort lelies met opstaande bloemen
Tulbandtype lelies met sterk teruggeslagen bloembladeren
Trompetlelies lelies met trompetvormige bloemen (bij de Longiflorum zijn de bloemen lang en dun)

.

.

tijgerlelie

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

.

.

   Oriëntaalse lelie

FD12035WH oriëntaalse lelie

.

.

  Aziatische lelie

2211 aziatisch

.

.

tulbandlelie

266px-Lilium_martagon_(flower) tulbaznd

.

.

  trompetlelie

10171trompet

.

.

Kenmerken

.

Een leliebol is geschubd met vlezige bladdelen. Lelies maken in tegenstelling tot andere bollen ook wortels aan de zijde waar de stengel uit de bol komt. De bloem van de lelie is klokvormig. Veel lelies hebben een heerlijke maar ietwat zware geur.

.

Bijzonderheden

.

De Franse lelie is een symbool dat tot op de dag van vandaag kan worden teruggevonden in interieurdecoraties zoals behang, gordijnen, kussens, serviezen en siervoorwerpen, maar ook op veel vlaggen van Franstalige gebieden. Deze Fleur-de-Lys (of fleur-de-lis) heeft een historisch verleden dat terugvoert naar de kroning van Clovis (465 – 511), de koning der Franken.

De maagd Maria zou Clovis een lelie hebben gegeven en de olie voor de zalving van de koning zou uit de hemel zijn komen vallen. Vanaf dat moment werd de lelie een symbool van rechtstreeks van God verkregen macht.

In de loop der eeuwen nam het leliesymbool een steeds belangrijker plaats in. De Franse vlag toonde een tijdlang gouden lelies op een witte ondergrond. Pas na de revolutie tegen Karel X van Frankrijk in 1830 verdween het symbool definitief van de nationale vlag van Frankrijk. Er bestaat overigens enige onduidelijkheid over de naam. Lys of lis betekent in het Frans gewoon lelie, maar het symbool zelf is eigenlijk een gestileerde iris ook wel lis genoemd.

.

.

Franse lelie

.

.

Verzorgingstips

.

  • Gebruik snijbloemenvoedsel voor een betere bloei.
  • Plaats de lelies niet bij rijpend fruit in verband met ethyleenvorming.
  • Vermijd dat er blad in het water hangt.
  • Haal ongeveer drie cm. van de steel af met een scherp mes.
  • Zet lelies niet in de felle zon.
  • Kijk uit voor stuifmeelvlekken op kleding. Mocht er toch een vlek ontstaan, verwijder die dan niet met een natte doek maar met een droge borstel. Andere manieren van reinigen zijn het buitenhangen van de kleding in zon en wind, of het stuifmeel voorzichtig met een plakbandje van de kleding halen.

 

.

.

voorpagina openbaring a4

.

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

mijne kop a4                                                                                      John Astria

Zwarte toorts : Verbascum nigrum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de paars, wollig behaarde meeldraden en
– de purperrode vlek aan de basis van de kroonbladen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zwarte toorts is een overblijvende plant, die 60 tot 150 cm hoog die vrij algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op droge, matig voedselrijke grond in zandige bermen, ruig grasland, duinen, kapvlakten in bossen en op dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zwarte toorts bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen hebben gele kroonbladen, die aan de voet purperrood gevlekt zijn. Ze staan met twee tot tien in dichte kluwens, die samen een aarvormige, meestal onvertakte bloeiwijze vormen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Alle bladeren zijn van onderen zacht viltig behaard, de bovenkant is minder behaard. De onderste bladeren zijn duidelijk gesteeld met hartvormige voet. De bovenste bladeren zijn bijna zittend. Ook de stengel is een beetje viltig behaard.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

keizerskaars : niet of kort aflopende bladeren.

 

 

 

 

 

 

koningskaars : drie van de vijf meeldraden zijn wit wollig behaard. Bladeren lopen langs de steel af tot het vorige blad.

 

 

 

 

 

 

stalkaars : heeft een sterk vertakte, wollig behaarde stengel met talrijke bloeiaren en krijgt daardoor een bossig uiterlijk.

 

 

 

 

 

 

 

melige toorts : alle helmdraden wit wollig behaard, meestal witte bloemen soms geel. Zeer zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

mottenkruid : bruin/rood-achtige bloemknoppen, helmdraden paars wollig behaard.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– helmkruidfamilie (Scrophulariaceae)
– overblijvend
– van zeer zeldzaam tot plaatselijk vrij   algemeen
– 60 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– aarvormige tros
– stervormig
– 1,2 tot 2,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 paars behaarde meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig-eirond
– top spits
– rand gekarteld
– netnervig
– onderkant zacht viltig behaard
– onderste gesteeld met hartvormige   voet
– bovenste bijna zittend

Stengel
– rechtop
– licht viltig behaard
– geribd of meerkantig

zie wildebloemen.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 Canadese fijnstraal : Conyza canadensis (Erigeron canadensis)

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vorm van de plant, lang en dun, en
– de zeer veel kleine bloemhoofdjes met aan de rand
korte witte straalbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Canadese fijnstraal is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. In de 17e eeuw is de plant naar Europa gebracht en sindsdien over heel Europa verspreid. Het is een zeer sterk kruid, dat zelfs bestand is tegen chemische bestrijdingsmiddelen en daardoor moeilijk uit te roeien.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Canadese fijnstraal bloeit vanaf juli tot de herfst met talrijke hele kleine bloemhoofdjes, die in een sterk vertakte lange pluim staan. Elk hoofdje produceert veel vruchtjes met pluis, die zeer licht zijn en makkelijk door de wind verspreid worden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De rechtopstaande, stevige stengel is dun behaard en vooral in de bovenste helft vertakt. De plant groeit op open, droge, voedselrijke, omgewerkte, zandige, braakliggende grond, ook tussen plaveisel en wordt tot 75 cm hoog. Ze kan op zeer voedselrijke plaatsen hoger worden.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Canadese fijnstraal kent veel toepassingen. In Noord-Amerika werd de plant door de indianen gebruikt tegen slangengif, menstruatiepijnen en puisten. Door de samentrekkende werking is het ook een goed middel bij diarree, bloedend tandvlees, aambeien, inwendige bloedingen, bloedende wonden en neusbloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 20 tot 75 cm

Bloem
– korte witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf juli tot de herfst
– lange pluimen
– 3 tot 5 mm breed
– omwindselbladeren geelgroen,
lijnvormig, vliezig, kaal of weinig
behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- of lancetvormig
– top spits
– rand gaaf of fijn getand
– 1-nervig
– gewimperd en verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– bovenaan rijk vertakt
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land-letter B

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Bereklauw  (Umbelliferae)

 

De Bereklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de familie der schermbloemigen. Bij de leden van deze familie zijn de bloeiwijzen opgebouwd als een paraplu, doordat de bloemstelen als spaken uit een as komen. De buitenste zijn langer dan de binnenste, zodat alle bloemen op ongeveer gelijke hoogte komen te staan. Bereklauw is een tweejarige plant en kan behoorlijk groot worden; de holle, behaarde en gegroefde stengel kan een hoogte van wel 2 m bereiken. De bladeren zijn 15-60 cm in doorsnee en net als de stengel ruw behaard; ze zijn verdeeld in breed ovale segmenten met een getande rand.

De witte bloempjes in de opvallende bloemschermen, die verschijnen van juni tot in de herfst, hebben 5 diep ingesneden bloemblaadjes. De buitenste bloemen in het scherm zijn het grootst. De vruchten zijn aanvankelijk groen, maar worden later lichtbruin. Berenklauw is moeilijk te bestrijden, als gevolg van zijn dikke penwortel die een heel eind de grond in gaat. De plant is net zo sterk als hij er uit ziet: het geslacht is dan ook genoemd naar de god Hercules. Komt voor in Europa en Noord-Amerika, vooral in grasland, langs dijken en wegen.

 

 

Gewone bereklauw

 

 

 

 

 

 

 

Boterbloem (Ranunculaceae)

 

Hoe onschuldig zien boterbloemen er uit op  een mooie morgen in mei! De schoonheid van hun goud glanzende bloemen neemt niet weg dat ze een scherp sap bevatten dat fataal kan worden voor vee dat van de planten eet. De boterbloem groeit op een grond die rijk is aan mineralen en berooft borderplanten van het voedsel dat deze nodig hebben. Bovendien scheiden de wortels een stof uit die de groei van naburige planten remt en vertraagt. Alle drie hier genoemde boterbloemsoorten zijn overblijvende planten.

 

 

 

De SCHERPE BOTERBLOEM (Ranunculus acris) bereikt een hoogte van 15 tot 90 cm en heeft stengelbladeren die in vijf slippen zijn verdeeld. De wortels zijn dik en vezelig en de kleine vruchtjes (achenen) hebben een bijna rechte snavel. De afzonderlijk staande bloemen zijn gewoonlijk helder geel maar soms bleker, tot bijna wit toe. Ze hebben vijf bloemblaadjes; dat wil zeggen in het normale geval, er komen namelijk ook gevulde bloemen voor. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De naam van de plant wijst er al op dat het sap zeer scherp is. Deze boterbloem is in ons land zeer algemeen in graslanden, aan wegen en dijken enzovoort. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika.

 

 

 

 

 

 

 

 

De KRUIPENDE BOTERBLOEM (Ranunculus repens) heeft lange stevige wortels en vormt bebladerde uitlopers die wortelen op de knopen, dat wil zeggen de plaatsen op de stengel waar de bladeren ontstaan. De bloeiende stengels, 10-50 cm lang, behaard en voorzien van bladeren, dragen heldergele alleenstaande bloemen met vijf bloemblaadjes. De bloeitijd loopt van mei tot en met juli. De bladeren zijn in drieën verdeeld, waarbij ieder van die drie blaadjes meestal nog weer drie insnijdingen vertoont. Het middelste van de drie blaadjes is lang gesteeld en vaak zo diep ingesneden dat het uit drie afzonderlijke delen bestaat.

De buitenomtrek van het geheel heeft de vorm van een driehoek. Deze soort vormt minder zaad dan de vorige maar hij maakt vele uitlopers, soms wel tot 25 t5oe. Daardoor is hij in staat snel een grote kolonie te vormen en in een enkel groeiseizoen een oppervlakte van meer dan 3 m2 in beslag te nemen. Het verspreidingsgebied is ongeveer als dat van de Scherpe boterbloem. In ons land zeer algemeen op vochtige plaatsen, aan slootkanten en op gestoorde bodems.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KNOLBOTERBLOEM (Ranunculus bulbosus) heeft zijn naam te danken aan de stengel die aan de voet knolvormig verdikt is. De hoogte varieert van 15 tot 30 cm en de bloeitijd valt in mei en juni. De stengels staan rechtop en zijn behaard. De onderste bladeren zijn drietallig, waarbij het middelste van de drie blaadjes langgesteeld is. De bovenste bladeren zitten dicht tegen de stengel en zijn diep ingesneden, tot smalle, vaak lijnvormige segmenten. Alle bladeren zijn in de regel behaard. Een bijzonder kenmerk is dat de vijf geelachtige kelkblaadjes sterk teruggebogen zijn. De bloemkroon is goudgeel van kleur.

De vruchtjes hebben een korte snavel. Deze is enigszins gekromd en dat wijst er op dat de verspreiding gebeurt doordat de vruchtjes zich in de pels van passerende dieren haken. De Knolboterbloem komt in het grootste deel van Europa voor en is in ons land vrij algemeen, vooral in het duingebied, langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg. Groeit op droge zandige plaatsen, langs dijken en wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het SPEENKRUID (Ficaria verna) werd tot voor kort ook tot het geslacht Ranunculus gerekend, zodat we hem voor het gemak maar bij de boterbloemen bespreken. De bladeren van deze plant zijn heel anders dan van de besproken boterbloemsoorten; ze zijn hartvormig en niet ingesneden. Zowel bladeren als bloemen komen afzonderlijk uit de wortelknolletjes. Deze knolletjes raken gemakkelijk los, waardoor Speenkruid zeer moeilijk binnen de perken te houden is, want ieder knolletje wordt binnen een jaar weer een nieuwe plant.

Gewoonlijk zitten ook in de oksels van de bladeren kleine knolletjes die eveneens voor de vermeerdering dienen. De goudgele bloemen lijken veel op die van de boterbloemsoorten, maar ze hebben smallere en meer (8-12) bloemblaadjes. De bloemen verschijnen in de periode van maart tot mei. Speenkruid komt voor in Europa en West-Azië. In ons land zeer algemeen op vochtige, beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Braam (Rosaceae)

 

Meestal hebben we het over Braam alsof dat één bepaalde soort zou zijn. In feite zijn er echter in Europa wel zo ongeveer 400 en in Noord-Amerika meer dan 300 soorten. Het is dan ook geen wonder dat sommige mensen zich speciaal bezighouden met de studie van de Braamsoorten. Er is zelfs een apart woord voor deze specialisten: batologen. Voor ons doel kunnen we echter de Braam toch  maar het best beschouwen als één, zeer vormenrijke soort, die dan wordt aangeduid als ‘Rubus fruticosus (coll.)’.

Bramen zijn die heerlijke vruchten die we in nazomer en herfst verzamelen in heggen en bosranden, om zo uit de hand te eten of jam van te maken. Ook in de tuin vestigen de braamstruiken zich graag in een hek en al snel steken ze dan hun lange doornige armen uit naar alles wat op hun pad komt. Ze moeten zodra ze ontdekt zijn meteen uitgespit worden, anders zullen ze met hinkstapsprong de hele tuin doorgaan, doordat ieder groeipunt wortel schiet en een nieuwe plant vormt.

De verspreiding van de braam wordt nog bevorderd doordat hij zich kan vermeerderen zonder dat bevruchting van de bloemen heeft plaatsgevonden. Deze wijze van vermeerdering, die we ook bij andere planten wel tegenkomen, wordt apomixis genoemd. De bloemen met hun vijf bloemblaadjes, die in kleur variëren van wit tot roze, zitten in groepjes bijeen. De bladeren kunnen zowel uit één geheel bestaan als uit drie of vijf blaadjes zijn samengesteld. Aan de onder- en /of bovenkant zijn ze vaak voorzien van dons; aan de onderkant zijn ze vaak groen of blauwachtig. De stengels zijn overblijvend of tweejarig, klimmend of langs de grond kruipend, met veel of weinig dorens.

Bij al deze variatie blijft één eigenschap onveranderd: het vermogen op elk willekeurig stuk grond een ondoordringbaar struikgewas te vormen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandnetels (Urticaceae)

 

De GROTE BRANDNETEL (Urtica dioica) is een waardevol onkruid met vele goede eigenschappen. Deze overblijvende plant kan in hoogte zeer variëren, van 30 cm tot 3 m; groeit gewoonlijk in grote groepen. De taaie gele wortels zijn sterk vertakt. Zowel de grof gezaagde bladeren als de stengels zijn voorzien van gewone haren en brandharen. De eironde tot langwerpige bladeren groeien met tweeën tegenover elkaar aan de stengel. De bladparen staan steeds als in een kruis om en om, waardoor ze al het aanwezige licht kunnen opvangen om daarmee het bladgroen te maken waaraan de plant zo rijk is. De heel kleine, groene vrouwelijke bloemen hangen in katjes uit de bladoksels, de aren met mannelijke bloemetjes staan rechtop.

De brandharen bestaan uit een holle buis die een bijtend vocht bevat. Bij de geringste aanraking breekt de ronde top van de buis af. Hierdoor ontstaat als het ware een injectienaald die de huid binnendringt waardoor het gif in de wond terechtkomt. De meeste brandharen staan naar boven gericht; het is dan ook het best de plant met een opwaartse beweging – stevig – beet te pakken, waardoor de haren minder gemakkelijk breken. De Grote brandnetel, die bloeit van juni tot in de herfst komt over de hele wereld voor. Bij ons zeer algemeen op stikstofrijke plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KLEINE BRANDNETEL (Urtica urens) een veel minder forse plant dan de vorige. Hoewel hij 60 cm hoog kan worden is hij gewoonlijk veel lager. Bij deze soort ontbreken soms de brandharen. De rangschikking van de bladeren is net als bij de ‘grote broer’. De nerven in het blad lopen van de voet naar de top en zijn niet vertakt zoals bij de vorige soort. De bloeiwijzen zijn kort en rechtopstaand of horizontaal uitstaand. Deze soort begint al in mei te bloeien en gaat hiermee door tot in de herfst. De verspreiding is eveneens wereldwijd. In ons land minder algemeen dan de Grote brandnetel; vooral te vinden op mesthopen en in moestuinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijvoet (Compositae)

 

Hoewel hij als het ware een neefje is van de Chrysanthemums en even aromatisch, ziet BIJVOET (Artemisia vulgaris) er toch heel anders uit. In tegenstelling tot veel andere leden van de familie der samengesteldbloemigen openen de bloemhoofdjes zich nooit. De hoofdjes bestaan uitsluitend uit een toefje roodachtig bruine bloemetjes boven een rond, kelkachtig omwindsel. De hoofdjes zitten aan zijtakken die afwisselend langs de hoofdstengel staan; de staan rechtop of zijn enigszins knikkend. De stengelbladeren zijn veerdelig en zitten dicht tegen de stengel aan; de onderste bladeren zijn kortgesteeld. Aan de bovenkant zijn de bladeren donkergroen, aan de onderkant wit-wollig. De gegroefde, hoekige stengels variëren in hoogte van 0,600 tot 1,20 meter. Bijvoet komt voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond. In ons land zeer algemeen langs wegen en dijken, op ruige plaatsen, in heggen enzovoort. De bloeitijd is juli-september.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Zwarte mosterd : Brassica nigra

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vorm van de plant; groot en wijd vertakt en
– de vruchten, die tegen de stengel aangedrukt zitten en
– de bovenste lancetvormige (niet gedeelde) bladeren en
– de groengele kelkbladen, die tenslotte recht afstaan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zwarte mosterd is een eenjarige plant van open, vochtige, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond in bermen. Ze is algemeen in de rivierengebieden en plaatselijk algemeen de duingebieden. Elders is ze zeldzaam.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zwarte mosterd bloeit vanaf juni tot en met september na de hoofdbloei van herikraapzaad en koolzaad. De kroonbladen zijn iets lichter geel dan die van de genoemde soorten. De kelkbladen zijn groengeel. Bij een vol in bloei staande bloem staan de kelkbladen recht af en zijn de randen ingerold.

De bloeiwijze is een tros. De tros groeit door, maar behoudt min of meer de bolvorm, omdat de onderste bloemen verwelken of een vrucht vormen. De vruchten net onder de tros staan iets van de stengel af, de lagere staan tegen de stengel aangedrukt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn liervormig met 1 tot 3 zijslippen. Ze zijn aan beide zijden verspreid ruw behaard. De bovenste bladeren zijn eirond tot langwerpig, kaal en hebben een getande of gave rand. Alle bladeren zijn gesteeld. Wat verder in de bloeitijd is zwarte mosterd goed te herkennen aan haar vorm; de plant wordt bossig, wijd vertakt met kleine, min of meer ronde trosjes bloemen aan het einde van de stengels en zijstengels.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Grijze mosterd heeft veel weg van zwarte mosterd. Hieronder staan de verschillen.

 

zwarte mosterd
– bloemen geel, 10 tot 15 mm
– kelkbladen tenslotte recht afstaand
– onderste delen van de plant verspreid borstelig behaard
– vrucht 1 tot 2,5 cm lang
– stengels wijd vertakt
– algemeen tot zeldzaam
  grijze mosterd
– bloemen bleekgeel, 7 tot 10 mm
– kelkbladen rechtop
– onderste delen van de plant dicht (grijs) behaard
– vrucht 7 tot 15 mm lang
– stengels al of niet vertakt
– zeldzaam, plaatselijk zeer talrijk in stedelijke gebieden en de   IJsselmeerpolders, elders zeer zeldzaam

 

 

 

 

grijze mosterd

 

 

 

zwarte mosterd

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)

– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 10 tot 15 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– liervormig, 1 tot 3 paar zijslippen
– top stomp
– beide zijden verspreid ruw behaard
– bovenste :
– eirond tot lijnvormig
– getand tot gaafrandig
– top spits
– kaal
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– wijd vertakt
– onderaan verspreid behaard
– vaak bedauwd
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter A

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Akkerklokje (Campanulaceae)

 

Deze plant komt in ons land niet alleen in het wild voor maar ook als sierplant. Ondanks zijn charmante uiterlijk kan het Akkerklokje toch een onkruid worden in de tuin en het is dan moeilijk er van te scheiden – in meer dan één betekenis. Het is een plant van een betoverende schoonheid met zijn lange ranke bloemstengels, bezet met hangende lavendelblauwe klokjes, die naar boven toe overgaan in bleekgroene knoppen.

Maar als u de plant met liefde behandelt komt u in de problemen: hij is bijna onuitroeibaar. Ondergrondse uitlopers kruipen alle kanten uit en produceren nieuwe planten. Bovendien kan een enkele bloeiwijze voor wel zo’n 400 nakomelingen zorgen. De zaden worden verspreid door de wind. Daar de plant praktisch ongevoelig is voor de in aanmerking komende onkruidbestrijdingsmiddelen is er maar één manier om hem uit de tuin te verbannen (als u dat tenminste over uw hart kunt verkrijgen). Trek de wortels uit en blijf steeds opmerkzaam op nieuwe groei. Bij dit alles moet u wel bedenken dat alle soorten van het geslacht Campanula in ons land bij de wet beschermd zijn.

Akkerklokje wordt in bloei tot 1,20 m hoog. De ijle bloemtrossen komen tevoorschijn uit rozetten van hartvormige bladeren. De kortgesteelde bladeren op de bloemstengels zijn ovaal tot lancetvormig. De bloeitijd is van juni tot en met augustus. De officiële naam van Akkerklokje is Campanula rapunculoides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Akkerkool (Compositae)

 

Akkerkool (Lapsana communis) is te herkennen aan de ijle groeiwijze en de compacte groene knoppen die ovaal van vorm zijn. Het is een eenjarige plant die in hoogte varieert van 0,30 tot 1,20 m. De gele bloemhoofdjes lijken op die van de Paardenbloem maar zijn aanzienlijk kleiner. Op een heldere ochtend openen ze zich omstreeks 7 uur en als het licht en de temperatuur gunstig blijven sluiten ze zich weer tussen 3 en 4 uur ’s middags.

De hoofdjes zijn opgebouwd uit slechts weinig bloemetjes (8-15) en ze staan met 15-20 op slanke steeltjes bijeen in een losse pluim. Ze verschijnen van juni tot augustus, soms tot in de herfst. De onderste bladeren zijn lang gesteeld en liervormig veerdelig; de bovenste bladeren zijn eirond tot langwerpig-lancetvormig, kort gesteeld en met een spitse punt. De bladeren zijn dun en gewoonlijk behaard; ze staan afwisselend.

Een plant van gemiddelde afmetingen kan bijna 1000 zaden voortbrengen. Akkerkool komt voor in Europa en Azië en in het oosten van Noord-Amerika. Bij ons algemeen langs ween en dijken, op ruigten en beschaduwde plaatsen. Ofschoon het melksap dat de plant bevat nogal bitter is, werd Akkerkool vroeger gegeten als salade.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

Zulte of zeeaster : Aster tripolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– op herfstasters lijkende lichtpaarse bloemhoofdjes met een geel hartje (soms ontbreken de straalbloemen) en
– de groeiplaats; op zoute of brakke plaatsen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zulte of zeeaster is een overblijvende, soms eenjarige, kale, min of meer vlezige plant van 5 tot 90 cm hoog. Ze komt algemeen voor langs de gehele kust en ze is plaatselijk algemeen in de Lage Landen. Ze groeit op natte, zoute en brakke, zeer voedselrijke grond op schorren en kwelders, in rietlanden, in uiterwaarden, op opgespoten terreinen en aan oevers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot in de herfst. De bloemhoofdjes vormen grote, vaak iets schermvormige pluimen, hebben lichtpaarse straalbloemen (11 – 17 mm lang) en een hartje van gele buisbloemen. Soms ontbreken de straal- bloemen; dat betreft de variëteit discoideus. Deze vorm komt vooral voor in Zeeland en dan vrijwel uitsluitend op de buitendijkse schorren.

 

 

 

 

 

Blad

 

De stengelbladeren zijn smaller dan de rozetbladeren. De rozetbladeren zijn gesteeld, de stengelbladeren zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bladeren kunnen gegeten worden als groente en heten dan lamsoren, niet te verwarren met het plantje lamsoor (Limomium vulgare). Daarnaast is zulte een belangrijke voedingsbron voor bv rotganzen en schapen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast zulte komen er van het geslacht Aster in ons land nog 3 verwilderde soorten voor, alle 3 oorspronkelijk uit Noord-Amerika : smalle aster, gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. Gezien het verschil in milieu zul je zulte niet snel verwarren met één van deze asters. Maar mocht je twijfelen : de omwindselblaadjes van zulte zijn 2 tot 3 mm breed en hebben een stompe punt. Die van de andere asters zijn hooguit 1,5 mm breed en spits of ietsje stomp.

 

 

smalle aster

 

 

 

gladde aster

 

 

 

Nieuw Nederlandse aster

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– (vrij) algemeen
– 5 tot 90 (200) cm

Bloem
– lichtpaarse straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf (april) juli tot in de herfst
– 0,8 tot 2,0 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-, 3- of 5-nervig
– min of meer vlezig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen