Tagarchief: wetenschap

God en de wetenschap.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Bewijst de wetenschap dat God bestaat?

Of toont ze aan dat God een illusie is?

 

De seculiere media en het onderwijs zetten alle zeilen bij om de massa te laten geloven dat er geen bewijs is voor het bestaan van God. Ze projecteren het denkbeeld in onze gedachten dat wetenschap en God haaks op elkaar staan. Niets is echter minder waar. De wetenschap levert heel wat overtuigende bewijzen voor het bestaan van God. Het is zelfs zo dat wetenschap en geloof in God nauw met elkaar verweven zijn.

Diverse grondleggers van de moderne wetenschap verrichtten hun onderzoekingen vanuit een liefde voor God en een verlangen om zijn grootheid te onderscheiden in hetgeen Hij gemaakt heeft. Ook vandaag zijn duizenden wetenschappers overtuigde gelovigen, die ervaren dat God hen stimuleert om betere wetenschap te bedrijven. Zoals Albert Einstein zei:

.

‘Wetenschap zonder religie is lam. Religie zonder wetenschap is blind.’

.

 

Kan de wetenschappelijke methode God bewijzen?

.

Is het mogelijk om op louter wetenschappelijke wijze aan te tonen dat God bestaat? Wetenschappelijke bewijzen worden verkregen door de zogenaamde ‘wetenschappelijke methode’ te hanteren. Volgens de Oxford English Dictionary bestaat de wetenschappelijke methode uit systematische waarneming, meting en experiment, en het formulerentoetsen en aanpassen van hypothesen.’

 

 

De wetenschappelijke methode zet dus de volgende stappen:

.

1) WAARNEMING

2) METING

3) EXPERIMENT

4) FORMULERING

5) TOETSEN

6) AANPASSING

.

 

Kan deze wetenschappelijke methode ook toegepast

worden om na te gaan

of God bestaat of niet?

.

De logica vertelt ons dat, indien God bestaat, Hij de krachtigste realiteit moet zijn die er is. God is dan immers degene die het hele universum geschapen heeft. Het spreekt voor zich dat het niet moeilijk zou moeten zijn om bewijzen te vinden voor de krachtigste realiteit die er is.

 

 

Complexe systemen vereisen externe intelligentie

.

Het hoofdkenmerk van God is dat hij de schepper is van het onzichtbare, het universum en van alle levende organismen. Wat we moeten begrijpen, is dat elk levend organisme bestaat uit vele complexe systemen. Bijvoorbeeld onze ogen, ons brein, verteringssysteem, zenuwstelsel, bloedsomloop, huid, longen, nieren, enzovoort.

Het menselijk lichaam bestaat uit duizenden complexe systemen die perfect functioneren. En niet alleen werken ze individueel, ze vormen tevens een verbijsterend complexe en volmaakte samenhang met elkaar.

 

 

wetenschappelijk bewijs God natuur systemen

 

 

Om te weten of er wel of niet een schepper bestaat, moeten we wetenschappelijk antwoord krijgen op deze vraag: kunnen complexe, functionerende systemen ontstaan ZONDER de invloed van externe intelligentie? Of bewijst de wetenschap dat een complex functionerend systeem altijd een externe intelligentie VEREIST? Om hierop antwoord te krijgen, zullen we de wetenschappelijke methode toepassen.

.

WAARNEMING toont ons dat een complex functionerend systeem nooit ontstaat zonder de hulp van externe intelligentie. Bij elk nieuw systeem dat de mens wil ontwikkelen, is er een grote dosis intelligentie nodig om dat systeem te ontwikkelen. Nooit zal een perfect werkend, complex systeem door toevallige factoren tot stand komen. Duizenden jaren van waarneming door het menselijk ras, bevestigen deze onweerlegbare realiteit.

.

METING brengt aan het licht dat deze externe intelligentie vereist is bij elke fase van het bouwproces van een complex functionerend systeem. Zonder de voortdurende sturing van de externe intelligentie wordt de opbouw van een functionerend systeem onderbroken en teniet gedaan.

.

EXPERIMENTEN hebben alle hetzelfde resultaat: geen enkel complex functionerend systeem komt ooit tot stand zonder de voortdurende sturing van externe intelligentie.

.

We FORMULEREN daarom de hypothese dat geen enkel complex functionerend systeem ooit tot stand komt zonder de ononderbroken sturing, van begin tot einde, van externe intelligentie. De externe intelligentie moet zich het systeem inbeelden, de verschillende elementen verzamelen om het systeem op te bouwen; deze elementen moeten precies de juiste afmetingen en het juiste gewicht hebben en van het juiste materiaal zijn, en dan moeten ze in elkaar worden gepast om het systeem te doen functioneren.

.

We kunnen onze experimenten zo vaak AANPASSEN als we willen om te zien of het resultaat anders is. Maar duizenden jaren ervaring tonen ons dat voor het creëren van complex functionerende systemen er steeds een externe intelligentie vereist is. Nooit heeft een experiment, hoe het ook werd aangepast, aangetoond dat complexe en goed functionerende systemen door toeval en zonder intelligentie tot stand kunnen komen.

 

 

We nemen ook waar dat, hoe complexer een systeem is,

des te meer externe intelligentie

er vereist is om het tot stand te brengen.

 

 

wetenschappelijk bewijs God bestaat intelligentie

 

 

Een klein kind heeft voldoende intelligentie om een speelgoedwagen te bouwen dat voorwaarts beweegt wanneer hij het duwt. Maar het kan geen echte wagen bouwen met een motor en elektronische circuits. Daarvoor is er meer intelligentie nodig. Dus waarneming, meting, experiment en testen tonen aan dat een hoger niveau van complexiteit in een functionerend systeem meer intelligentie vereist om het te bouwen.

Mensen hebben voldoende intelligentie om levenloze machines te maken, zoals horloges, computers, auto’s enzovoort. Deze machines voeren verschillende taken uit. Maar ze zijn beperkt. Ze kunnen zichzelf bijvoorbeeld niet reproduceren, ze kunnen niet groeien, zichzelf niet herstellen, enzovoort. Zulke functies hebben systemen nodig met een complexiteit die een intelligentie vereist die de menselijke capaciteit overstijgt.

De natuur bestaat uit miljoenen complex functionerende systemen die niet alleen kunnen zien, horen, communiceren, rennen, vliegen of zwemmen – ze kunnen zich ook herstellen in geval van beschadiging, ze kunnen groeien, zich vermenigvuldigen, enzovoort. Wederom: deze functies vereisen meer intelligentie dan de menselijke geest bezit.

.

 

Het toepassen van de wetenschappelijke methode

om het bestaan van God te bewijzen,

levert twee onmiskenbare feiten op:

.

– Omdat we waarnemen dat geen complex functionerend systeem ooit tot stand komt zonder de voortdurende sturing van externe intelligentie, moet er een externe intelligentie zijn die de schepping heeft veroorzaakt van de ontelbare complexe functionerende systemen in de natuur.

– Omdat het niveau van complexiteit van de functionerende systemen in de natuur de vermogens van de mens om ze te creëren overstijgt, is de vereiste externe intelligentie voor de schepping van de natuur van een veel hogere orde.

 

.

Is er wetenschappelijk bewijs voor evolutie?

 

Kan de wetenschappelijke methode worden toegepast om evolutie te bewijzen? Evolutie is de hartslag van atheïsme. Het is het ultieme wapen van diegenen die het bestaan van God ontkennen: de wetenschap bewijst evolutie, dus is er geen God nodig.‘ Is het waar dat wetenschap evolutie bewijst? Om dit te ontdekken is het belangrijk het volgende te begrijpen:

.

De kern van evolutie is een welbepaald soort mutaties 

die nieuwe, functionele genetische informatie toevoegen.

.

Eenvoudige organismen met erg weinig genetische informatie evolueerden zogezegd tot een menigte van complexe organismen met extreem grote hoeveelheden genetische informatie.Deze gigantische transformatie gebeurde, volgens de evolutietheorie, via een welbepaald soort mutaties: mutaties die splinternieuwe functionele informatie toevoegen aan de genetische code van de organismen.

Dat is evolutie. Het toevoegen van verbluffende hoeveelheden totaal nieuwe en bruikbare informatie. Dankzij dit soort mutaties zijn alle levende organismen tot stand gekomen uit één oorspronkelijke levende cel. Hou de draad even vast en lees dit:

.

 Dit soort mutaties werden nog nooit, waar dan ook

op onze planeet, waargenomen. 

 

 

wetenschappelijk bewijs God mutaties evolutie

 

 

Er zijn vele soorten mutaties, maar allemaal zullen ze ofwel de genetische informatie wijzigen ofwel informatie verwijderen. Mutaties die splinternieuwe bruikbare genetische informatie toevoegen en zo een organisme doen transformeren in een volledig ander organisme, werden nooit waargenomen in onze wereld.

.

 Honderden jaren van wetenschappelijk onderzoek hebben

nooit één enkele mutatie getoond die nieuwe,

bruikbare genetische informatie toevoegt. 

.

Volgens de evolutietheorie echter zouden dat soort mutaties het meest prominente fenomeen moeten zijn op deze planeet, omdat de honderden miljoenen verscheiden soorten planten, dieren, insecten enz. zogezegd gecreëerd werden door dat soort mutaties.

Alhoewel veel wetenschappers verklaren dat de wetenschap evolutie heeft bewezen, toont de waarheid het tegenovergestelde. Ware wetenschap bewijst dat evolutie een illusie is. Evolutie wetenschappers kunnen komen met zo gezegde bewijzen voor evolutie, maar al wat ze hebben is materiaal dat ze hebben geïnterpreteerd volgens een onbewezen theorie die in sterk contrast staat tegenover de werkelijkheid. Wanner het fundament verkeerd is, is alles wat erop werd gebouwd verkeerd.

.

.

Conclusie: wetenschap bewijst God en ontkracht evolutie.

.

Dit zal voor velen die dit lezen een behoorlijke schok zijn, maar het is de werkelijkheid die wij allen moeten erkennen:

.

1) De wetenschap bewijst het bestaan van God

2) De wetenschap toont aan dat de evolutietheorie fout is

 

Nochtans geloven de meeste mensen dat geloof in God onwetenschappelijk is en geloof in evolutie wetenschappelijk. Hoe is dat mogelijk? Door manipulatie, indoctrinatie en intimidatie van de massa. Niet alles wat we op school en door de media leren is waarheid… Veel van wat er in het brein van de massa wordt gepompt, wordt achter de schermen bestuurd, gedreven door een agenda die de wereld seculier wil maken.

Vele atheïsten beweren dat ze promotors zijn van het vrije denken, maar in werkelijkheid sluiten ze de geest van de mensen voor het vrije denken. Ze creëren de illusie dat wetenschap God overbodig maakt, terwijl het omgekeerde waar is: wetenschap maakt God onvermijdelijk.

 

.

Meer wetenschappelijk bewijs voor God

 

 

wetenschappelijk bewijs God meer bewijsmateriaal-

 

 

Een andere definitie van de wetenschappelijke methode is ‘een verzameling van technieken voor het onderzoeken van fenomenen, het verschaffen van nieuwe kennis, of het corrigeren en de integratie van vorige kennis.’ Eenvoudig gezegd: wetenschap is het waarnemen van realiteiten en trachten die te begrijpen.

.

Wanneer we deze definitie van wetenschap toepassen

om onderzoek te doen naar het bestaan van God,

vinden we nog meer wetenschappelijk bewijs voor God.

.

De wereld en het universum zijn vervuld met waarneembare realiteiten die wetenschappers leiden tot de conclusie dat hun oorsprong zich buiten de natuurlijke wereld bevindt. Dat is de reden waarom wetenschappers als Albert Einstein en Isaac Newton met overtuiging geloofden dat wetenschap naar God wijst (lees verder in dit artikel meer over hun geloof).

 

 

Wetenschap bevestigt wonderen

.

Wanneer we deze wetenschappelijke methode toepassen op bijvoorbeeld het fenomeen van genezingswonderen die over de hele wereld plaatsvinden, en we deze onderzoeken, verkrijgen we nieuwe informatie, namelijk dat er een bovennatuurlijke kracht bestaat die meer genezingsmogelijkheden heeft dan de geneeskundige artsen. Daarom is het geen verassing dat veel artsen met overtuiging geloven in God die de zieken geneest.

Genezingswonderen zijn een reëel fenomeen over de hele wereld. Eerlijke wetenschap zal haar ogen niet sluiten voor deze werkelijkheid, maar haar onderzoeken en zich nieuwe kennis verschaffen, wat leidt tot het corrigeren van voorgaande kennis. Dat is wat dit netwerk van christelijke artsen doet. De uitkomst van hun wetenschappelijk onderzoek is dat er inderdaad een bovennatuurlijke kracht is die actief is wanneer christenen bidden voor de zieken, met de volledige genezing van de fysieke gesteldheid als gevolg.

.

Atheïstische artsen ontkennen deze werkelijkheden gewoonweg,

wat natuurlijk geen wetenschappelijke benadering is.

.

Wetenschap is immers niet je ogen sluiten voor fenomenen, maar ze onderzoeken om zo nieuwe kennis te verkrijgen, die je vervolgens kan integreren in je huidige kennis. Dus, wanneer een wetenschapper gewillig is te kijken naar verschillende genezingswonderen, en daarbij waarneemt dat die genezingen het gevolg zijn van een bovennatuurlijke kracht, dan is dit ook een wetenschappelijk bewijs voor God.

Genezingswonderen kunnen over de hele wereld worden waargenomen. Ze kunnen gemeten worden om te zien of er inderdaad een genezing plaatsvond zonder natuurlijke middelen. En dit kan steeds opnieuw worden herhaald.

Het resultaat van dit wetenschappelijk onderzoek is dat genezingswonderen echt zijn, wat bewijst dat wanneer christenen tot God bidden voor een genezing en die genezing gebeurt, we kunnen besluiten dat wetenschap het bestaan van God bewijst. Dat is een eerlijke toepassing van wetenschap.

.

Wanneer wetenschappers daarentegen de ogen sluiten

voor realiteiten die vanzelfsprekend zijn,

zijn ze niet waardig nog langer wetenschappers te worden genoemd.

.

Want dan doen ze het tegenovergestelde van wetenschap: in plaats van gewillig te zijn onderzoek te doen naar fenomenen en kennis te verschaffen, ontkennen ze die en weigeren ze iets nieuws te leren.

 

.

Beroemde wetenschappers die geloofden dat

er wetenschappelijk bewijs is voor God

 

Veel van de meest briljante pioniers van de moderne wetenschap geloofden in God. Hier vind je een kleine selectie uit de duizenden wetenschappers doorheen de geschiedenis, die overtuigd waren dat er meer bewijs is dat naar het bestaan van God verwijst, dan er is om atheïsme te onderschrijven.

 

 

wetenschappelijk bewijs God isaac newton

 

 

Sir Isaac Newton (1642-1727) bijvoorbeeld, wordt wereldwijd erkend als één van de meest invloedrijke wetenschappers van alle tijden. Hij ontdekte de zwaartekracht en de wetten van de bewegingsleer die het fundament vormen van het merendeel van de moderne fysica. Newton was sterk overtuigd dat de natuur ons overweldigend veel bewijs verschaft voor het bestaan van God.

‘Dit allermooiste systeem van zon, planeten en kometen kan alleen voortkomen uit de raad en heerschappij van een intelligent wezen. En als de vaste sterren het centrum zijn van andere soortgelijke systemen, dat moeten deze, gevormd als ze zijn naar dezelfde raad, alle onderworpen zijn aan de heerschappij van Eén. Dit Wezen bestuurt alle dingen, niet als de ziel van de wereld, maar als Heer over alles.’

Referentie: The General Scholium online, trans. Andrew Motte, 1729

.

 

wetenschappelijk bewijs God albert einstein

 

 

Albert Einstein (1879–1955) wordt beschouwd als de meest invloedrijke wetenschapper van de twintigste eeuw. Einstein heeft revoluties veroorzaakt in het wetenschappelijke begrip van tijd, zwaartekracht en het omzetten van materie in energie. In 1921 won hij de Nobelprijs voor Natuurkunde. Hij was zo intelligent, dat het woord ‘Einstein’ synoniem werd met ‘genie’.

 

Einstein was ervan overtuigd dat er wetenschappelijk bewijs is voor God. Hij zei dat ‘God zichzelf openbaart in de harmonie van wat bestaat.’

 

In een persoonlijke brief aan zesdejaars studente Phyllis Wright, schreef Einstein:

‘Iedereen die op een ernstige manier betrokken is in het nastreven van wetenschap wordt ervan overtuigd dat er een geest is achter de wetten van het universum – een geest die heel erg superieur is ten opzicht van de mens, en in wiens aangezicht wij ons, met onze kleine vermogens nederig moeten voelen.’

Referentie: ‘Dear Professor Einstein: Albert Einstein’s Letters to and from Children’, Uitgegeven door Alice Calaprice, pagina 127-129, Prometheus Books, Amherst, New York, 2002.

Alhoewel Einstein zich nooit verbond tot een bepaalde religie en geen persoonlijke relatie met God zocht, verlangde hij ernaar te weten te komen hoe God het universum schiep, zoals hij schreef in een brief:

‘Ik wil weten hoe God deze wereld schiep. Ik ben niet geïnteresseerd in dit of dat fenomeen, in het spectrum van dit of dat element. Ik wil Zijn gedachten kennen; de rest zijn details.’

Referentie: ‘The life and Times of Einstein’, Ronald W Clarck, pagina 18-19, The World Publishing Company, New York, 1971.

.

wetenschappelijk bewijs God max planck

 

 

Max Planck (1858-1947) was één van de belangrijkste Duitse natuurkundigen van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Hij ontwikkelde de quantum theorie, die een revolutie veroorzaakte in het wetenschappelijke begrip van de atomische en sub-atomische werelden. Hij won de Nobelprijs Natuurkunde in 1918. Hij maakte vele andere bijdragen aan de natuurkunde. In 1937 hield Planck een lezing met de titel “Religion and Naturwissenschaft” waarin hij zei dat God alomtegenwoordig is. Hij sprak vaak over God, en zei:

‘Religie en wetenschap hebben beide een geloof in God nodig. Voor gelovigen staat God aan het begin, en voor de natuurkundigen staat God aan het einde van alle beschouwingen… Voor de eerste groep is Hij het fundament, voor de laatste groep, de bekroning van het bouwwerk van elke algemene wereldbeschouwing.’

Referentie: Scientific Autobiography and Other Papers as translated by F. Gaynor (1949), p. 184

 

 

Doorbreek de indoctrinatie

 

We leven in zogenaamde vrije landen, waar iedereen ervan overtuigd is dat we geloven wat we willen geloven. De realiteit is echter dat de meesten slechts geloven wat het seculiere onderwijs en de media hen hebben opgedrongen.

 

scientific proof of god indoctrination

 

 

Zonder het te beseffen zijn we geïndoctrineerd door seculier onderwijs en media.

Bekende atheïsten zoals Richard Dawkins houden ervan om te verklaren dat elk mens ‘zelf moet nadenken’. Maar als je aandachtig luistert, dan is de boodschap van Dawkins in feite:

‘Je wordt slechts beschouwd als een intelligent mens, als je het bestaan van God ontkent. Als je het waagt het bestaan van God te overwegen, zal ik je het stempel geven van achterlijk, onwetenschappelijk en religieus.’

Dat is uiteraard geen vrijheid van denken, maar intimidatie die het denken van vele miljoenen sluit voor ware wetenschap en gezond, eerlijk en nuchter nadenken. Dat soort indoctrinatie is momenteel dominant in de westerse beschaving. De grote massa wordt gemanipuleerd om te geloven wat een kleine groep machthebbers wil dat men gelooft.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 John Astria

John Astria

De celestijnse belofte ; 2de inzicht

Standaard

categorie : reiki en de aura

.

.

De celestijnse belofte is een boek  van James Redfield. Op een eenvoudige manier en in een pakkende verhaallijn weet hij de basis van energiewerk zoals reiki uit te leggen. Als je het verhaal eraf haalt blijft een zeer overzichtelijke opbouw over hoe energie zich laat opbouwen en hoe je hiermee kunt werken. Het geheel beslaat 11 inzichten.

.

.

slide_29

.

.

1 – toeval
2 – kerk en wetenschap
3 – energiegericht denken
4 – de strijd om energie
5 – ontvankelijk worden voor de universele energie
6 – karakterstructuren
7 – transformatie
8 – intuïtie
9 – de toekomst
10 – het reïncarnatieproces
11 – alles is energie

Alle inzichten moet je begrijpen, maar ook voelen en ervaren. Het is geen theoretisch aanneembaar stuk, het moet echt gevoelsmatig binnenkomen. De verdere inzichten kan je pas ten volle begrijpen als je de voorgaande inzichten begrijpt, voelt en ervaart.

.

2e inzicht – kerk en wetenschap

.

Als we kijken naar deze geschiedenis, dan moeten we terug naar de middeleeuwse kerk. Deze kerk was de samenvoeging van spiritualiteit, macht, wetenschap en de rechtelijke macht. Dit gaf de mens duidelijkheid. Er werd verteld dat er een opperwezen was die voor iedereen zorgde en dat was genoeg wetenschap voor de burger.

Maar de combinatie spiritualiteit en wetenschap werd hoe langer hoe meer een onhoudbare combinatie. De Kerk had namelijk statements over de aarde als middelpunt van het heelal die wetenschappelijk onhoudbaar waren.

Aan het begin van de renaissance ontstond er een langzame splitsing tussen kerk en wetenschap met dien verstande dat deze wetenschap geen onderzoek zou doen naar de relatie tussen mens en God, engelen, wonderen, paranormale verschijnselen en andere aspecten die als domein van de godsdienst en dus de kerk golden.

De vroege wetenschap ging zich zodoende toeleggen op de materiële wereld. De ontdekkingen kwamen snel en werden toegelegd op natuurkunde, scheikunde, wiskunde en andere abstracte deelgebieden. Nieuwe technologieën werden gevonden en energiebronnen ontdekt. De industriële revolutie kwam op gang en de mens werd in kaart gebracht en kon beter gemaakt worden door medicijnen.

De kerk moest geleidelijk inboeten en de oude afspraak tussen kerk en wetenschap begon scheuren te vertonen. Vooral de medische wetenschap had hier een sterke invloed op. De mens raakte zijn zekerheid in zijn herkomst en zijn ware aard kwijt en kreeg daar een wetenschappelijke zekerheid voor terug. De spiritualiteit van de kerk is teruggebracht tot een eenmalig zondagse bijeenkomst wat binnen de christelijke kringen meer een moeten dan een willen is.

.

wetenschappelijke (on)zekerheid

.

Deze wetenschappelijke zekerheid werd geleidelijk obsessief. Het weten werd, en is nu nog steeds, belangrijker dan het voelen. Alles moet bewijsbaar en meetbaar en herhaalbaar zijn. Dezelfde wetenschap, die eerst voor een nieuwe zekerheid zorgde, was midden de  20e eeuw tevens de bron van een grote onzekerheid.

De natuurkunde (Einstein) kwam terug op eerdere uitspraken dat  het universum materialistisch is. Er waren bewijzen en ideeën van ingewikkelde energievelden en -patronen, tijd en ruimte waren niet meer lineair, en eenzelfde elementair deeltje kon op 2 plaatsen tegelijk zijn.

Tegelijkertijd werden atoomwapens uitgevonden en begon de wapenwedloop. Ook kwamen de eerste berichten dat de industriële revolutie ook zijn nadelen had op mens en milieu. De zekerheid die de mens eerst bij de kerk had en later bij de wetenschap bleek een schijnwerkelijkheid.

.

terugkeer naar het spirituele

.

Deze schijnwerkelijkheid resulteerde dat de mens opnieuw op zoek ging naar een nieuwe werkelijkheid. De ervaring leerde dat deze niet gevonden kon worden in de dogmatische kerk en ook niet in de wetenschap. En zo ontstond er in de jaren ’60 en ’70 van de 20e eeuw een variatie van stromingen welke ‘new-age’ en ‘alternatief’ genoemd werd.

Het accent dat bij het 1e inzicht genoemd werd “kritische massa” is ook hier van belang. Pas als een bepaalde groepsgrootte met spiritualiteit bezig is zal het kunnen evalueren. Het 2e inzicht legt dus de nadruk op de terugkeer naar het spirituele. Dat kunnen we nu ook plaatsen omdat de toevalligheden uit het 1e inzicht geen toevalligheden meer zijn maar intuïties die lessen herbergen.

Nu we ons open stellen voor deze intuïtie en ook kennis hebben dat we ons niet kunnen vertrouwen op datgene  wat anderen beweren (kerk, dogma’s en wetenschap) moeten we wel in onszelf gaan zoeken naar de antwoorden.

Dit klinkt logisch, maar is moeilijk. We zijn enorm gebonden aan fundamentele overtuigingen, verwachtingspatronen, structuren, rationele argumentatie, weten in plaats van voelen, regels en orde. Vanuit dat besef leven en handelen we voornamelijk en dit blokkeert de intuïtie. Het loslaten van deze blokkades is het werkterrein van het 2e inzicht.

.

aandachtspunten bij het 2e inzicht

.

wat ik graag wil veranderen is…
ik zou graag meer…
ik blijf maar denken aan…
over een jaar zou ik graag…
ik zou het heerlijk vinden als ik…
waarom zie ik het dan niet ?

.

.

.

voorpagina openbaring a4

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Is de Koolstofdatering een feit of fictie?

Standaard

categorie : religie

 

Is de Koolstofdatering een feit of fictie?

 

 

Koolstofdatering: Feit of fictie?

 

De koolstofdatering datering wordt al tientallen jaren gebruikt om de leeftijd van allerlei materialen en organismen vast te stellen. De methode staat echter ter discussie. Waarom is dat zo en is dat terecht?

 

 

Aannames

 

De koolstofdatering is controversieel. Dat is niet onterecht want er worden vele aannames gedaan in de theorie. Hoewel de theorie in de basis aannemelijk is, is de uitwerking daarvan dat niet. Er worden te veel aannames gedaan. Welke aannames zijn dat?

 

 

1. De aarde is miljarden jaren oud

 

Dit is vastgesteld door radiometrische dateringsmethoden (zoals de koolstofdatering dat ook is). Zoals verderop te lezen is, is de koolstofdatering verre van betrouwbaar. De vraag is of andere dateringsmethoden dat wel zijn. Radiometrische datering is namelijk niet uitvoerbaar zonder de geologische kolom. De geologische kolom is gebaseerd op het feit dat de aarde miljarden jaren oud is. De gebruikte dateringsmethode kan dus alleen een uitkomst geven die past binnen de theorie. De uitkomst is daarmee niet wetenschappelijk en niet objectief. De methode is aangepast op de uitkomst die men wilde zien. Wetenschap wordt hier omgekeerd. In plaats van de uitkomst van een meting als basis te nemen voor een theorie wordt het andersom gedaan. Dat de aarde miljarden jaren oud is, is dan ook geen wetenschappelijk feit, maar een aanname.

 

 

2. Het evenwichtsprobleem kan genegeerd worden

 

Het evenwichtsprobleem luidt als volgt: Het radioactieve koolstof C 14, dat gemeten wordt bij koolstofdatering, ontstaat in de atmosfeer, maar vervalt ook. Op een bepaald moment moet dit met elkaar in evenwicht komen. Dan ontstaat er net zo veel C14 als er vervalt en blijft de hoeveelheid C14 gelijk. De vraag is wanneer dit moment is voor C14. Dit is noodzakelijk om te weten omdat zonder dit evenwicht de start hoeveelheid van C14 niet bekend is bij een meting. Dan kan er geen datering worden gedaan.
Wetenschappers hebben bepaald dat dit 30.000 jaar zou duren. Vervolgens hebben zij gezegd dat het evenwichtsprobleem genegeerd kan worden. Dit komt voort uit de aanname dat de aarde miljarden jaren oud is. De aarde is in dat geval ouder dan 30.000 jaar en C14 is al lang in evenwicht.

Het probleem is echter dat er later is ontdekt dat er nog steeds geen stadium van evenwicht is bereikt voor C14! C14 wordt op dit moment 28 tot 37 procent sneller gevormd dan het vervalt. Dat betekent dat de hoeveelheid C14 in de atmosfeer nog steeds verandert.

 

 

Conclusie hier uit is dat:

 

1: De aarde minder dan 30.000 jaar oud is. Dit moet bellen doen rinkelen bij de wetenschappers. In de wetenschap is het normaal dat er een aanname wordt gedaan. Als echter ergens uit blijkt dat een aanname niet klopt, moet deze opnieuw worden onderzocht en bijgesteld worden. Dit is helaas niet gedaan bij de methode van de koolstofdatering. De onderzoeksresultaten werden aangepast op de aanname dat de aarde miljarden jaren oud is in plaats van dat aannames werden aangepast aan de onderzoeksresultaten. Zo handelen heeft niets met wetenschap te maken, maar meer met de religie van een miljarden jaren oude aarde.

 

2: Er nergens koolstofdatering op toe kan worden gepast. Er moet namelijk bekend zijn hoeveel C14 het onderzochte organisme opnam toen het leefde. Dit is echter niet mogelijk want de hoeveelheid C14 in de atmosfeer verandert nog steeds. Aangezien we niet weten wanneer een fossiel of plant geleefd heeft, kunnen we ook niet vaststellen hoeveel C14 er in die tijd was. Daardoor is het onmogelijk om vast te stellen wat het verval in het materiaal van het dateringsobject voor leeftijd aangeeft. Er zijn te veel variabelen om een betrouwbare, wetenschappelijke berekening te kunnen doen.

 

 

 

 

 

Een dateringsvoorbeeld

 

Laten we de feiten en onzekerheden van de koolstofdatering nu eens toepassen op een voorbeeld.

Stel, we vinden een fossiel. We bepalen de hoeveelheid C14 in het fossiel en we hebben de vervalsnelheid van C14. Daarmee hebben we twee feiten. Aan de hand van deze feiten kunnen we nog niet bepalen hoe oud het fossiel is. Er blijven namelijk veel vragen open:

  • Hoeveel C14 zat erin de fossiel toen het leefde?
  • Verviel de C14 altijd met dezelfde snelheid?
  • Is het besmet met nog meer C14 toen het al die jaren in de grond zat?

Al deze dingen weten we niet en we kunnen er ook niet achter komen. Ze zijn echter zeer bepalend voor de uitkomst van de datering.

 

 

 

Cijfers en feiten vanuit koolstofdatering

 

De uitkomsten die koolstofdatering geven, zijn niet hoopgevend voor het voortbestaan van deze dateringsmethode getuige onderstaande cijfers:

  1. In 1949 ontdekt men koolstofdatering. Men ging meteen testen. De poot van en mammoet bleek 15.000 jaar oud te zijn. De huid bleek echter 21.000 jaar oud. Hoe kunnen twee delen van één dier van verschillende leeftijd zijn? Dat kan niet dus er is in ieder geval één uitkomst verkeerd. Maar hoe weten we of één van beide wel klopt? En als er één klopt, hoe weten ze dan welke dat is? Er is geen manier om dat te bepalen.
  2. 1963: Er werd een levende mossel getest. Hij bleek 2300 jaar oud te zijn. Levend en wel!
  3. 1971:Een pas gedode zeehond werd koolstofgedateerd op 1300 jaar oud.
  4. 1977: Eén lichaamsdeel van Dima, een beroemde baby-mammoet die in dit jaar werd ontdekt, bleek 40.000 jaren oud te zijn na koolstofdatering. Een ander lichaamsdeel was echter 26.000 jaren oud. Hout dat in de onmiddellijke omgeving van het karkas werd gevonden bleek 9000 tot 10.000 jaar oud.
  5. 1984: Levende slakken worden koolstofgedateerd op 27.000 jaar oud.
  6. 1992: Van twee naast elkaar gevonden mammoeten is de één 22.000 jaar oud en de ander 16.000 jaar oud. Welke is juist? Of zijn ze allebei juist of allebei fout? Dit is onmogelijk te zeggen.
  7. Een lijst van koolstofdateringen uit Alaska bevat enkele interessante details. Monster nummer SI454 werd gedateerd als 17.210 jaar oud. Monster SI455 werd gedateerd als 24.410 jaar. Wanneer we de lijst goed bekijken dan zien we dat het hier om dezelfde monsters gaat!
  8. Levende pinguïns werden koolstofgedateerd op 8000 jaar oud.
  9. Koolstofdateringen van aardlagen waarin Dinobotten zijn gevonden zeggen 34.000 jaar. Maar dinosaurussen worden volgens de theorie geacht 70 miljoen jaren oud te zijn. Iemand liet een bot koolstofdateren en de uitkomst was 20.000 jaar oud. Toen vertelde hij dat het om een dinobot ging. De onderzoeker zei: Dan kan het geen 20.000 zijn want dinosaurussen zijn 70 miljoen jaar oud. Als u dat verteld had aan ons hadden we het bot niet gedateerd….. dat is geen wetenschappelijke aanpak.
  10. Een archeoloog groef in een put en vond daar verbrand hout. Hij nam er twee monsters van op verschillende diepte, deed ze in een zakje en liet ze koolstofdateren. Zakje A werd gedateerd op 3000 jaar en zakje B op 4000. Daarna wachtte hij een half jaar, verwisselde de labels van de zakje en liet opnieuw een koolstofdatering doen bij hetzelfde laboratorium. Hij kreeg dezelfde resultaten terug. Zakje A was nog steeds 3000 jaar oud alleen zat het andere monster erin! Met zakje B idem.
  11. Stenen van de maan werden vele malen onderzocht. Ze vonden in één steen een stuk van 10.000 jaar oud en van miljarden jaren oud. Hoe kan één steen twee leeftijden hebben? Hoe kan bovendien vastgesteld worden dat iets ouder is dan 60.000 jaar met koolstofdatering? Dat is onmogelijk want na miljarden jaren is de C14 al lang vervallen.
  12. Volgens het theorieboek werd kool 250 miljoen jaar geleden gevormd in de Carboon periode. Wanneer zij kool testen, heeft dit toch C14. Hoe kan dat? Als alle C14 verdwijnt in 50.000 jaar, waarom bevat kool dan nog C14? Dat toont aan dat de aarde niet miljarden jaren oud is.
  13. Ook diamanten zouden miljoenen jaren geleden gevormd zijn. Zij bevatten echter ook C14. Het is niet mogelijk om een diamant te besmetten met C14 want het is de hardste substantie die we kennen. Dat is een sterk bewijs dat de aarde geen miljoenen jaren oud is, maar duizenden.
  14. Na 60.000 jaar kan C14 niet meer gemeten worden. Toch is bewezen dat men onmogelijk natuurlijke bronnen van koolstof onder de ijstijdlagen kan vinden zonder een flinke hoeveelheid C14. Hoewel zulke lagen worden verondersteld miljarden jaren oud te zijn, zijn conventionele C14 laboratoria op de hoogte van deze onregelmatigheid sinds begin jaren 80. Ze hebben geprobeerd het te elimineren, maar kunnen het niet verklaren. Dit bewijst wederom dat de aarde niet miljarden jaren oud is.

En zo zijn er nog veel meer feiten te noemen. Hieruit blijkt dat problemen met de koolstofdatering niet te ontkennen zijn. Het is een methode die verre van exact is. De cijfers vanaf het ontdekken van de methode tot nu toe laten geen enkele vooruitgang zien. Dat geeft de methode geen recht van bestaan.

 

 

 

 

 

Cijfers aanpassen aan de theorie

 

In 1970 zei men op het Nobel Symposium: Als het resultaat van een koolstofdatering onze theorie ondersteunt dan komt het in de hoofdtekst. Als het niet geheel tegenstrijdig is dan zetten we het in een voetnoot. Als het volledig tegenstrijdig is, dan laten we het weg.

Deze uitspraak weerspiegelt de manier waarop er in het algemeen met koolstofdatering wordt om gegaan. Er blijkt uit dat men zomaar getallen kan kiezen die aan de verwachting voldoen. Getallen die niet aan de verwachtingen voldoen kan men weg laten. Dit is geen wetenschap.

In de praktijk betekent dit dat ongeveer de helft van alle resultaten wordt weg gelaten omdat deze niet passen in de theorie! Iedereen zal het er mee eens zijn dat een methode waarvan de helft van de uitkomsten niet klopt, niet betrouwbaar is. Toch worden cijfers van koolstofdatering als volledig wetenschappelijk en betrouwbaar gepresenteerd.

Wanneer cijfers echter iets anders aangeven dan de theorie, moet de theorie aangepast worden. De cijfers moeten niet aangepast worden aan de theorie. Als een testresultaat van koolstofdatering echter niet past bij de theorie, wordt er nogmaals getest totdat er een bevredigend getal uitkomt. Hieruit blijkt dat de theorie belangrijk is, maar de feiten niet.

Bovendien roept dit enorm veel vragen op.

  • Welke resultaten worden weggelaten?
  • Hoe weet men dat die niet goed zijn?
  • Hoe weet men eigenlijk dat de andere resultaten wel goed zijn?
  • Waarom zijn ze niet beiden fout of beiden goed?
  • Op welke basis wordt een keus gemaakt voor goed of fout?

Zo kunnen we wel vragen blijven bedenken bij deze dubieuze handelswijze.

 

 

 

 

 

Aanpassingen van de theorie

 

Inmiddels is de wetenschap er wel achter dat een aantal zaken niet houdbaar zijn. Zo erkent men nu dat koolstofdatering niet nauwkeurig is indien het organisme in water heeft geleefd of in water bewaard is gebleven (een aantal van bovengenoemde voorbeelden zou dus niet meer gelden).

De wetenschap is begonnen met de brede aanname dat koolstofdatering werkt omdat het past binnen andere bestaande aannames. Gaandeweg komen er bewijzen die het ontkrachten. Die worden eerst weggemoffeld totdat dit niet meer houdbaar blijkt. Dan wordt gezegd dat er nieuwe onderzoeken zijn gedaan en nieuwe bewijzen zijn gevonden waarmee de aangenomen theorie wordt beperkt. Zo wil de wetenschap zichzelf en hun theorieën groot houden en mensen aan het lijntje houden. Terwijl hieruit blijkt dat zij zelf niet nauwkeurig weten hoe één en ander werkt. Hieruit blijkt dus juist hun onkunde en beperkte kennis. Deze aanpassingen zijn er namelijk telkens weer!

Desondanks wordt er vastgehouden aan de originele theorie (met talloze aanpassingen) en wordt de theorie niet verworpen, wat wel de logische conclusie zou moeten zijn.

 

 

 

Kalibratie

 

Koolstofdatering is geen exacte wetenschap. Vaak kloppen uitkomsten niet. Dit wordt voor zover mogelijk recht gebreid door besmetting en kalibratie toe te staan. Kalibratie is het vergelijken van de methode met een standaard. Deze standaard bestaat in dit geval uit het vergelijken met kalibratiecurves. Deze zijn echter opgesteld aan de hand van metingen met andere dateringsmethoden waarvan de meesten net zo min nauwkeurig zijn als de koolstofdatering en waarbij ook wordt uit gegaan van verkeerde aannames. Dit maakt koolstofdatering niet betrouwbaarder.

 

 

 

Geen wetenschap

 

Op deze manier datering toepassen heeft niets meer met wetenschap te maken. Het nare is dat het wel als wetenschap wordt gepresenteerd. Ook worden er allerlei theorieën aan opgehangen die gepresenteerd worden als waar. Wanneer we echter onderzoeken hoe het echt zit, komen we er al gauw achter dat de koolstofdatering en bijbehorende theorieën als een miljarden jaren oude aarde op losse schroeven staan. Nog even en het stort als een kaartenhuis in elkaar.

Neem een monster waarvan bekend is hoe oud het is. Dan blijkt koolstofdatering niet te werken. Neem een monster waarvan de leeftijd niet bekend is en dan wordt ineens aangenomen dat het wel werkt. Dat is geen wetenschap maar een sprookje!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

Standaard

Categorie: religie

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

 

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

ACHTERGROND

 

Bij het benaderen van het boek Openbaring komen we aan bij het laatste hoofdstuk uit Gods verlossingsverhaal dat ons vertelt hoe alles eindigt. Van in het Oude Testament tot aan dit punt hebben we God Zijn verlossingsplan zien uitwerken doorheen Adam, de aartsvaders, de profeten en uiteindelijk Zijn geliefde Zoon Jezus Christus. Nu dat we aan het einde van dit verlossingsplan zijn geraakt, zien we deze Jezus weer opnieuw. Eigenlijk is het deze Jezus die het centrale thema vormt van het gehele boek. Het boek Openbaring onthult bovenal de majesteit en glorie van de Here Jezus. Doorheen het boek Mattheüs lezen we van Zijn geboorte als de Zoon van David, Zijn onderwijs en onderwijs, terwijl Hij hier op aarde verbleef en evenzeer Zijn dood en opstanding. Al deze dingen bevestigen Zijn goddelijkheid en dat Hij de Messias is. Maar waar het boek Mattheüs Christus presenteerde in Zijn eerste nederige komst, geeft het boek Openbaring Hem nu in Zijn tweede komst hoog en verheven weer. Ieder visioen en beschrijving van Hem in het boek Openbaring is vol van majesteit, macht en glorie. In dit boek worden de hemelen geopend en kunnen de lezers net zoals Stefanus (Hand.7:56) vooruitziende beelden zien van de opgestane verheerlijkte Zoon van God.

De context geeft aan dat we in het jaar 96n.C. zitten, tijdens de regeerperiode van Domitianus van Rome. De Gemeente onderging in deze periode een grote vervolging. Johannes was verbannen naar een eiland dat gekend stond als Patmos (Op.1:9). Ondanks deze vervolging groeide de Gemeente verder en verspreidde ze zich op een snel tempo doorheen de provincie Asia (niet beperkt tot de steden die genoemd worden in Openbaring). Het is aan deze lijdende gemeente in Asia dat het boek Openbaring is geschreven (1:4). Dit getuigenis over de komende heerlijkheid van Jezus Christus werd opgeschreven en de wereld in gestuurd door de apostel Johannes om Zijn lijdende gemeente aan te moedigen om te volharden te midden van deze vervolging. Hun harten en gedachten werden bepaald bij de bevestigende waarheid dat Christus op een dag zal komen en voor eens en altijd zal overwinnen, regeren en de zijnen tot Zichzelf nemen.

 

Christus’ openbaring ingeleid (Openbaring 1:1-3)

 

De discipel Johannes had een speciale plaats in het hart van Jezus. Hij had veel met Hem gewandeld en gepraat hier op aarde en wordt in de Evangeliën verschillende keren beschreven als de discipel die de Here liefhad (Joh.13:23; 20:2; 21:7,20). In het Evangelie van Johannes zien we veel van deze speciale relatie. Vele jaren zijn nu voorbij gegaan sinds de dood en opstanding van de Here Jezus en Johannes blijft trouw zijn Heer volgen (Joh.19:35; 21:24; 1 Joh.1:2; 4:14). Johannes is nu zelfs zijn oudere dagen al lijdend aan het doorbrengen omwille van zijn getuigenis van Christus (1:9). Doordat hij het onderwijs en de wonderen van Jezus van dichtbij had kunnen mee volgen, is Johannes nu een trouwe getuige van Gods Woord en Zijn Zoon Jezus Christus (Op.1:2). Met dit allemaal in gedachten is het haast vanzelfsprekend dat Jezus nu net hem, Zijn geliefde vriend en discipel, verkiest om deze openbaring van de komende dingen bekend te maken.

Johannes begint het weergeven van deze openbaring met een erg informatieve inleiding en vermaning. Deze brief is de openbaring die God heeft gegeven aan Zijn Zoon Jezus betreffende de dingen die in de toekomst nog staan te gebeuren. Christus, die reeds gekruisigd en opgestaan was, zit nu op Zijn plaats bij de Vader in de hemel (Heb.1:3). Het eerste bewijs dat de Vader het gehoorzaam leven van Zijn Zoon behaagde was Zijn opstanding; het tweede de hemelvaart en het derde was het sturen van de Heilige Geest. Doordat Hij Zijn Vader op elk mogelijke manier had behaagd, had God Jezus nu een openbaring gegeven om bekend te maken aan Zijn dienaren op aarde. Jezus had Zijn geliefde vriend Johannes gekozen om deze boodschap aan Zijn volk te delen.

Na deze boodschap door een engel van de Heer te hebben ontvangen, schreef Johannes trouw op wat hij over de verrezen Christus had gehoord en gezien. Omdat de gebeurtenissen die hierin beschreven staan spoedig zullen plaatsvinden, vermaant Johannes anderen die Christus volgen om deze woorden luidop te lezen, er gehoor naar te geven en ze te bewaren tot de wederkomst van Christus. De wetenschap dat de gebeurtenissen die worden weergegeven in het boek Openbaring spoedig zullen plaatsvinden zou iedere christen moeten motiveren (zowel nu als toen) om voor de Heer een heilig en gehoorzaam leven te leiden (2Pet.3:14). Degenen die gehoorzaam zijn aan zulk een waarschuwing worden in de ogen van God als gezegend aanschouwd.

 

 

Christus die verheerlijkt hoort te worden onder de 7 gemeenten te Asia (Openb1: 4-8)

 

Na de verzen 1-3 gaat Johannes verder met het uitbreiden van de inleiding van zijn brief. Het is in deze uitbreiding dat we aanwijzingen vinden over de verdere inhoud van de brief. Dat Johannes zo uitbreidt over de rol van Jezus in 1:5-6 suggereert de centrale plaats die Christus inneemt in dit boek en in de eindtijd. Een deel van die rol zal bestaan uit het meedelen van genade en vrede aan de zeven gemeenten van de Romeinse provincie Asia. Johannes herkende hier de vervolging die die Gemeente destijds meemaakte. Omwille van die vervolging begreep de apostel hoe nodig de zegen van zowel genade als vrede was in moeilijke tijden als deze. Nog interessanter is dat deze zegen van de complete drie-eenheid komt.

Hij “Die is en Die was en Die komt” omkadert de bron van de gehele zegen (1:4, 8). Dit was een punt dat Johannes graag benadrukte door dit gedeelte van het hoofdstuk in te kapselen met deze zin. “De zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn” verwijst mogelijk naar de zevenvoudige Geest uit Jesaja 11:2 of een andere analogie voor de Geest van God. De interpretatie laat ons toe om de “zeven Geesten” hier te zien als de derde persoon van de Drie-eenheid; het werk van de Heilige Geest in de 7 gemeenten!  Als we de zeven Geesten hier lezen als Gods Geest houden de verzen 4 en 5 een zegening in van de Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ongeacht of Johannes al dan niet hiernaar verwijst, hij sluit op zijn minst af met Jezus omdat Zijn rol het centrale element is. Uiteindelijk is het ook net door hun trouw aan Jezus dat de lezers van Johannes tegenstand ondervinden uit de synagoge en van Rome.

Johannes geeft hier in vers 5 drie benamingen die weer die de persoon van Jezus beschrijven en in verzen 5-6 drie uiteenzettingen over Zijn werk. Iedere benaming van Jezus in vers 5 geeft een speciale bemoediging aan de lijdende Gemeente: Jezus had getuigd, was uit de dood verrezen en regeert nu. Dat Jezus “de Eerstgeborene uit de doden” wordt genoemd wil zeggen dat Hij de eerste was die ooit verrezen is uit de doden, en dat Hij van al degenen die ooit uit de dood zullen zijn verrezen Hij de grootste plaats inneemt. Deze opstanding was vooral relevant voor de christenen die weldra omwille van Zijn Naam de dood tegemoet zouden treden.

Als de “Eerstgeborene was Jezus’ opstanding een garantie dat degenen die Hem volgden in de dood ook verrezen zouden worden (1 Kor.15:20) – daarom hadden ze niets te vrezen, zelfs niet de dood (Op.1:17-18). Dat Christus ook heerst over de koningen van de aarde was ook verfrissend voor de Gemeente. Dit taalgebruik zinspeelt op Psalm 89:27 waar Gods “eerstgeboren zoon” regeert over “de koningen van de aarde.” Voor de gelovigen die leden onder de vertegenwoordigers van de machtige Caesar was deze benaming van Jezus inderdaad een grote bemoediging!

Bij het opsommen van drie benamingen van Jezus somt Johannes ook drie daden van Jezus op in verzen 5-6: Hij heeft ons lief; Hij bevrijdde ons van onze zonden; en Hij maakte ons tot koningen en priesters. Jezus’ liefde voor ons komt tot uiting in Zijn plaatsvervangende dood. Deze zekerheid van de liefde van Christus zou de lijdende gelovigen bemoedigen; Zijn dood geeft ook een voorbeeld aan degenen die geroepen werden om deel te hebben aan het offer van het Lam in dienst voor Gods missie in de wereld (Op.6:9).

In de verklaring dat Jezus ons tot koningen en priesters heeft gemaakt, herinnert Johannes zijn publiek aan wat God voor hen bewaard heeft; dat is om vertegenwoordigers en aanbidders te zijn (1:6). Als priesters zullen de volgelingen van Jezus aanbidden (Op.4:10-11, 5:8-10) en offeren, zowel de geur van gebed (5:8; 8:4) als het offer van hun eigen levens (6:9). Het plaatsvervangend werk van Jezus voor alle gelovigen gaf dat Johannes los barstte in lofzang voor de verrezen Christus. Door Zijn daad aan het kruis hadden Johannes en zijn lezers alle reden om zich te verheugen. Christus’ vergoten bloed had hun uiteindelijk verlost van hun zonden. Nu waren ze door het offer van Christus door God vergeven zondaren, bevrijd van zonden, dood en hel.

Johannes eindigt zijn groet aan de zeven gemeenten met een bemoedigende belofte (1:7), nog een andere bevestiging van Gods karakter (1:8). De belofte, dat Jezus komt! Dat Jezus zou terugkomen op de wolken geeft Daniël 7:13 en dat degenen die Hem doorstoken hebben rouw zullen hebben weerspiegelt Zacharia 12:10. Jezus zal komen om alles terug recht te zetten en de vervolgers van de Gemeente zullen dat moeten erkennen. Deze hoop dat Christus op een dag terug zal keren en de gelovigen mee zal nemen naar de hemel om voor eeuwig in Zijn nabijheid te leven geeft hoop en troost (Joh.14:1-3; Thess.4:18).

Aan het einde bevestigd Johannes nogmaals dat de gehele geschiedenis in de handen van de Heer is – zowel de toekomst als het heden (1:8). Zijn volk moeten dus niet vrezen dat er ook maar iets zal gebeuren dat buiten Gods plan valt. Hun God is “de Alfa en de Omega” een benaming die zinspeelt op het boek Jesaja waar God wordt aangegeven als de Eerste en de Laatste (Jes.41:4; 44:6; 48:12). Net als “Die is en Die was en Die komt”, is voor God de gehele geschiedenis van begin tot aan het einde hetzelfde.

God is niet enkel Heer over de tijd, maar regeert ook over het universum: Hij is “de Almachtige”, in dit boek een gebruikelijke naam voor God (1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22). Voor de christenen die leden onder Caesar, was de wetenschap dat ze “de Almachtige” dienden iets wat hun kracht verleende. Caesar mag dan wel zijn rijk voor een bepaalde periode hier op aarde regeren, maar God regeert zowel de wereld als haar verloop in de geschiedenis.

 

 

 

 

Christus voorzien (Openbaring 1:9-16)

 

Onmiddellijk na zijn groeten aan de zeven gemeenten begint Johannes met het beschrijven van zijn visioen van de verrezen Christus. Hier identificeert de apostel zichzelf nederig als iemand die het lijden van de Gemeente op dat moment deelde. Om wille van de getuigenis van Jezus was het christendom binnen het Romeinse Rijk een gehate en verachte religieuze sekte geworden. Johannes nam deel aan dit lijden is duidelijk omdat hij door de Romeinen verbannen werd op het het eiland Patmos. De leiders uit Johannes’ gemeenschap hadden hem verstoten uit alles wat hem bekend was.

Terwijl hij op de dag des Heren aanbad hoorde Johannes een luide stem hem instrueren: “Wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.” Johannes moest de openbaring van Jezus Christus op een strategische wijze bezorgen aan deze gemeenten, omdat dit zou zorgen voor een snelle en efficiënte verspreiding van de boodschap. Toen Johannes zich omkeerde en een stem “als van een bazuin” hoorde, zag hij ook “zeven gouden kandelaren” (1:12), die in vers 20 benoemt worden als de zeven gemeenten.

Deze kandelaren waren van goud, omdat goud het meest kostbare metaal was. De Gemeente is voor God de meest prachtige en waardevolle entiteit op aarde – zo waardevol dat Jezus bereid was om het te kopen met Zijn eigen bloed (Hand.20:28). Terwijl dit wezenlijke gemeenten waren op echte locaties, staan de zeven kandelaren symbool voor de soorten gemeenten doorheen de gehele kerkgeschiedenis.

In het midden van de gouden kandelaren zag Johannes “Iemand Die op de Zoon des mensen leek” (1:13). Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de Gemeente, Jezus Christus. Wat het meest van belang is hier is dat Jezus verschijnt tussen de kandelaren (1:12-13; 2:1). Omdat Christus deze kandelaren uitlegt als zijnde de Gemeente in haar volheid (1:20), is Zijn verschijning in het visioen tussen de kandelaren een belangrijke bemoediging voor degenen die leden omwille van Zijn Naam. De bemoediging zit in het feit dat Hij hun niet verlaten heeft. Hij is trouw gebleven aan Zijn belofte die Hij maakte in het Evangelie naar Mattheüs: “Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matth.28:20; Heb.13:5).

Het eerste wat Johannes meedeelde was dat Christus gekleed was “in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel” (1:13b). Het gewaad en de gordel verwijzen terug naar de hogepriester in de tempel in het Oude Testament (Ex.28:4; 39:29; Lev.8:7) en suggereert dat Jezus de Hogepriester is van Zijn volk (Rom.8:33-34). De wetenschap dat hun Hogepriester zich medelevend begaf in hun midden om hun te beschermen en verzorgen gaf extra hoop en troost aan de vervolgde gemeenten.

De rest van Johannes’ visioen van de Mensenzoon licht de goddelijkheid van de verrezen Christus toe, waarvan veel was voorzegd in het boek Daniël. Daniël 7:13-14 verwijst naar een figuur die lijkt op een “zoon des mensen” die zou regeren als Gods vertegenwoordiger. De haren als wol en vergelijking met witte sneeuw (1:14) zinspeelt op God zelf, de “Oude van Dagen” uit hetzelfde gedeelte in Daniël. De stem “als het geluid van vele wateren” (1:15; 19:6) verwijst naar de stem van God zelf als vele wateren in Ezechiël 1:24; 43:2.

Het punt van Jezus’ vlammende ogen, witte haar en bronzen voeten (1:14-15) was dat Hij licht of vuur straalde – enorm gelijkaardig aan vele andere visioenen van God in de Bijbel (Ez.1:27; Dan.7:9-10; Op.21:33; 22:5). Om die reden kon Johannes zijn gezicht enkel beschrijven “zoals de zon schijnt in haar kracht” (1:16c). Johannes’ visioen van de verheerlijkte Heer van de Gemeente bereikte haar hoogtepunt in deze beschrijving van de stralende heerlijkheid van Zijn gezicht. De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte staat was van groot belang voor christenen van eender welke afkomst.

De verrezen Heer is machtig, zelfs goddelijk en kan Zijn volk daarom beschermen en kracht geven voor hun vervolgers. Dit is duidelijk in het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij in Zijn rechterhand zeven sterren vasthoudt (of boodschappers/leiders van de Gemeente) (1:16a, 20a). Het doel van Jezus’ omschrijving was niet om aan de gemeenten Zijn voorkomen mee te delen, maar om Zijn macht te verkondigen. Hij was de regerende Heer van het universum, Degene met de macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef naar de vervolgde christenen om hen eraan te herinneren dat God groter dan hun verzoekingen was.

 

 

Christus’ boodschap (Openbaring 1:17-20)

 

Terwijl het vooruitzicht van Christus bemoedigend zal zijn geweest voor de gemeenten, was Zijn boodschap van nog groter belang. Op een wijze gelijk aan zijn ervaring met de verheerlijking van Jezus op de berg (cf. Matt.7:6) werd Johannes opnieuw met schrik overweldigd bij de verschijning van Christus’ glorie en viel hij “als dood aan Zijn voeten” (1:17). Jezus “legde Zijn rechterhand op” Johannes en sprak tot de bange apostel de rustgevende woorden “wees niet bevreesd” (1:17). Overweldigd door de glorie en majesteit van Christus kon Johannes rust vinden in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving. Deze rustgevende boodschap en zekerheid die Jezus gaf is gebaseerd op zowel wie Hij is en het gezag dat Hij bezit.

Allereerst noemt Jezus Zichzelf “Ik ben” – de verbondsnaam van God (Ex.3:14). Het was met deze naam dat Hij de bevreesde discipelen die Hem op het meer van Galilea zagen lopen geruststelde (Mattheüs. 14:27). Daarna noemt Jezus Zichzelf “de Eerste en de Laatste” wat nog een andere benaming is die in het Oude Testament gebruikt wordt voor God (Jes.44:6; 48:12). Deze benaming bevestigd opnieuw aan Johannes en zijn lezers de goddelijkheid van Christus. Afgeleid van deze naam is het feit dat Jezus al bestond voor alle dingen er waren en zal blijven bestaan tot in de eeuwigheid. Jezus is veel groter en hoger verheven dan eender welke valse god van de omliggende volkeren. Wanneer deze allen zijn gekomen en gegaan, zal enkel Hij nog overblijven.

De hele boodschap van 1:18 heeft ook betrekking op Jezus’ overwinning van de dood. In de Bijbel en Joodse traditie is God de “Levende.” Jezus wordt hier specifiek de “Levende” genoemd omdat Hij, ondanks dat Hij stierf, Hij voor eeuwig leeft. Paulus schreef zelfs dat “Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem” (Rom.6:9). Door uit de dood op te staan garandeerde Jezus eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen ze omwille van Zijn naam de dood in de ogen (20:4). Omdat Christus nu “altijd leeft om voor hen (Zijn volk) te pleiten,” “kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan” (Heb.7:25). Ondanks zijn zondigheid in de aanwezigheid van de glorieuze hemelse Heer had Johannes (en al degenen die in Hem geloofden) niets te vrezen, omdat diezelfde Heer de straf voor zijn zonden had betaald met Zijn dood en verrezen was om nu voor eeuwig zijn advocaat te zijn.

Door Zijn overwinning over de dood heeft Jezus ook “de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf” (Op.1:18). Dat Jezus de sleutels van het dodenrijk bezit geeft aan dat Hij alle macht heeft over de dood. Het zien van zulk een visioen van Christus moet voor Johannes en de Gemeente in de eerste eeuw van grote waarde zijn geweest. In de oude paleizen destijds waren degenen die de sleutels in handen hadden voorname gezagsdragers die konden bepalen of mensen al dan niet in de aanwezigheid van de koning mocht vertoeven. Christus heeft op gelijkaardige wijze het gezag om te beslissen wie sterft en wie leeft; Hij regeert over leven en dood. Door dit te bevatten hadden Johannes en al de verlosten niets te vrezen, omdat Christus hun al van de dood en het dodenrijk had bevrijd door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood gaf aan hen die tot de Gemeente behoren rust en zekerheid, omdat gelovigen niets meer te vrezen hebben.

Aan het eind van het visioen wordt aan Johannes een herinnering gegeven van Zijn goddelijkheid. Op het eerdere gebod van Christus om te schrijven (Op.1:11), wordt nu verder gegaan en aan Johannes wordt gevraagd om drie aspecten op te schrijven. Als eerst “wat u (Johannes) hebt gezien”, het visioen dat hij dus net al gezien en opgeschreven had in verzen 10-16. Ten tweede “wat is”, wat een verwijzing is naar de brieven naar de zeven gemeenten die de toestand van de gemeenten weergaf. En als laatst moest Johannes opschrijven “wat hierna zal geschieden”, de profetische openbaring van de toekomstige dingen die zich ontvouwden in komende visioenen. Christus sluit hier het visioen met Zijn geliefde volgeling door hem te herinneren aan zijn plicht, om de waarheid die hij had geleerd door de visioenen, door te geven.

 

 

Conclusie

 

In het boek Openbaring heeft Christus Zijn Gemeente een erg bemoedigende, maar ook ontnuchterende boodschap gegeven. Doordat de apostel Johannes deze openbaring trouw heeft opgeschreven heeft de vervolgde Gemeente uit die tijd veel rust en zekerheid mogen ontvangen in het feit dat Christus, hun Messias, nu verheerlijkt is. Terwijl ze tegenstand ondervonden, of zelfs de dood door de hand van Caesar, werden ze bemoedigd in het feit dat Christus nog steeds leeft en regeert met Zijn Vader. Hij heeft de dood overwonnen door Zijn leven te geven voor de zonden van mensen. Nu de dood verslagen is blijft enkel de uiteindelijke dag over dat Hij voor de zijnen zal terugkeren. “Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend” (Mc.13:32- 37; 1 Thess.5:2).

Om die reden roept Christus allen uit die tijd op om op Hem te wachten, wat zelfs de dag zelf kan betekenen. De terugkeer van Jezus zal uiteindelijk een einde brengen aan de rebellie van mensen – een gelukkig einde voor Gods volk, maar een tragisch einde voor allen die er voor kiezen om Hem te verwerpen. Omdat deze specifieke tijd onbekend en dichtbij is, mag niemand zijn bekering uitstellen. Er is nooit een goede gelegenheid voor de christenen om zich te hechten aan wereldse bezittingen of voorkomens, omdat Christus op eender welk moment kan terugkeren om rekenschap te vragen voor onze keuzes.

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Wie kiest Christus om Zijn openbaring te geven?

 

Christus had van Zijn Vader een openbaring gekregen om aan de gemeente te geven. De boodschapper die Jezus koos om Zijn openbaring te geven, was niemand minder dan Zijn geliefde apostel Johannes. Hem zou de taak toevertrouwd worden van het brengen van deze openbaring van de dingen die zouden gebeuren aan de kerk. Wie in de toekomst deze openbaring luidop zou lezen, ernaar zou luisteren en het gehoorzaamt, zou in de ogen van God gezegend geacht worden.

 

 

 Wat ervoeren Johannes en de kerkelijke gemeente gedurende deze tijd?

 

Terwijl hij deze openbaring ontving, leed Johannes gevangenschap op een klein eiland, genaamd Patmos. Daar hielde de Romeinse overheid hem, omdat hij getuigenis had gegeven van Jezus Christus. Net als Petrus en Paulus voor hem, leed Johannes voor zijn toewijding aan Christus de Messias. De kerk ervoer een gelijke vervolging. Net als Stefanus jaren daarvoor, bleef de kerk te maken hebben met de tegenstand wegens hun trouw aan de Messias. Over de gehele wereld werden gelovigen gehaat voor het volgen van Jezus Christus.

 

 

 Naar waar stuurt de apostel Johannes de openbaring van Jezus Christus?

 

Terwijl Johannes op de dag des Heren aan het lofprijzen was, hoort Johannes een luide stem die tegen hem zegt: “Schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea” (1:11). Deze zeven gemeenten waren gekozen, omdat ze in de zeven belangrijkste steden gelegen waren waarin Asia verdeeld was. Johannes moest de Openbaring van Jezus Christus strategisch aan de gemeenten brengen, omdat dit een doeltreffende en snelle manier was om de boodschap te sturen.

 

 

 Met welke boodschap groet Johannes de zeven gemeenten?

 

Aan het begin van de brief stuurt Johannes een zeer bemoedigende groet van God en Jezus zelf. De Heer God almachtig, de Alfa en Omega wilde dat ze wisten dat Hij nog de eeuwige Soevereine was. Hij had alles nog in Zijn hand, ongeacht de situatie. Christus wilde dat ze wisten dat Hij van hen hield, Hij hen van zonde bevrijdt had en hen koningen en priesters voor God maakte. Vanwege Zijn werk aan het kruis, hadden Johannes en zijn lezers de grootste reden om verheugd te zijn. Het gevloeide bloed van Christus had hen tenslotte bevrijd van hun zonden. Zij stonden nu als zondaren vergeven voor God, vrijgemaakt van zonden, dood en hel door het offer van Jezus Christus. Daarbij zou Jezus terugkomen voor Zijn volgelingen. Geen andere zekerheid zou een betere bemoediging geweest zijn voor de lijdende gelovigen, dan de wetenschap dat Jezus zou komen om dingen recht te zetten en dat de verdrukkers van de kerk tot de erkenning zullen komen van het verkeerde dat zij gedaan hebben aan Gods dienaren. Deze hoop, dat Christus op een dag zal terugkeren en gelovigen mee naar de hemel zal nemen om voor altijd in Zijn aanwezigheid te zijn, voorzag hen zowel van hoop als wel troost gedurende hun lijden.

 

 

 Wat zag Johannes toen hij zich naar de stem, die sprak, keerde?

 

Toen Johannes zich keerde naar de stem die was als een bazuin, zag hij een als “de Zoon des mensen” die te midden van zeven gouden kandelaren was. Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de gemeente, Jezus Christus. Wat veelbetekenend hier is, is dat Jezus te midden van de kandelaars verschijnt (1:12-13; 2:1). Aangezien Christus uitlegt dat deze kandelaars zijn als de gemeenten in hun volheid (1:20), is Zijn verschijning te midden van de kandelaren Jezus aanwezigheid bij Zijn kerk (Joh.20:19). Dat Jezus in dit visioen aanwezig was bij de kerken, zou een geweldige bemoediging geweest zijn voor degene die lijden voor Zijn naam. De bemoediging hier is dat Christus hen niet verlaten had. Hij was getrouw geweest aan Zijn belofte die Hij in het evangelie van Mattheüs gemaakt had, “En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matt.28:20; ook Heb.13:5).

 

 

 Hoe zag de Zoon des mensen er uit in het visioen van Johannes?

 

De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte toestand, zou voor iedere christen van groot belang zijn. De Een die wij dienen is de Een wiens haar als wit wol is en wiens stem is als geluid van vele wateren. Alles van Hem, van Zijn vurige ogen tot Zijn bronzen voeten straalde Zijn heerlijkheid af. Dat zulk een heerlijkheid gezien kon worden, betekende dat de verrezen Heer machtig is, zelfs God zelf en daarom kan Hij zijn kinderen beschermen en in staat stellen te midden van hun verdrukkers. Dit wordt zichtbaar bij het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij de zeven sterren in Zijn rechterhand vasthoudt (of boodschappers/leiders van de kerk) (1:16a, 20a). Het punt van Jezus’ beschrijving hier was niet om de gemeenten van Zijn verschijning te vertellen, maar om Zijn macht te bekent te maken. Hij was de heersende Heer van het heelal, de Een met macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef over de vervolgde christenen, hen eraan herinnerende dat God groter was dan hun beproevingen.

 

 

 Hoe reageert de apostel Johannes wanneer hij de Zoon des mensen ziet?

 

Op een manier gelijk aan zijn ervaring met de heerlijkheid van Jezus op de berg van de verheerlijking (cf. Matt.17:6), was Johannes weer overweldigd door angst bij de voorstelling van Gods heerlijkheid. De apostel Johannes schrijft dat hij als dood neerviel voor Zijn magnifieke Verlosser Jezus Christus. En net als Hij lang geleden gedaan had bij de verheerlijking op de berg (Matt.17:7), plaatste Jezus Zijn rechterhand op Johannes en gaf de bange apostel de bemoedigende woorden “Wees niet bevreesd” (1:17). Terwijl hij overweldigd is door de glorie en majesteit van Christus, kreeg Johannes de troost in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving.

 

 

 Hoe laat Christus weten wie Hij is, terwijl Hij troost schenkt aan de apostel Johannes?

 

Om Johannes te troosten zegt Jezus, “Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid” (1:17-18). Jezus maakt zichzelf bekend als de Een die de dood heeft overwonnen. Hoewel Hij aan het kruis stierf, kon het graf Hem niet vasthouden. Christus, die uit de doden is opgestaan, zal nooit weer sterven. Dus door op te staan uit de dood heeft Christus niet alleen de dood verslagen, maar garandeerde Hij eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen zij de dood tegemoet vanwege Zijn naam. Dus ondanks Zijn zondeloosheid in de aanwezigheid van de glorieuze Heer van de hemel, hoefde Johannes niet bang te zijn, omdat dezelfde Heer de straf voor zijn zonden had gedragen (en voor degene die in Hem geloofden) en opgestaan was om zijn eeuwige Verlosser te zijn.

 

 

 Wat zegt de verheerlijkte Christus nu over wat Hij nu in bezit heeft?

 

Door Zijn overwinning over de dood, houdt Jezus ook de “sleutels van de dood en van het dodenrijk zelf” in handen (1:18). De mensen in die dagen geloofden dat het dodenrijk (Hades) een Griekse god was die heerste over het rijk van de dood, “het huis van Hades.” “Dood en Hades” vertegenwoordigen daarom de macht van de dood over de schepping. Dat Jezus de sleutel van het dodenrijk had, duidt het feit aan dat Hij alle macht en gezag over de dood heeft. Door dit begrepen te hebben, had Johannes geen angst, evenals al de verlosten, aangezien Christus hem al verlost had van de dood en het dodenrijk door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood, voorzag grote zekerheid voor degene van de gemeenten, aangezien gelovigen niet langer een reden hebben om bang te zijn.

 

 

SAMENVATTING

 

Voordat God de Bijbel eindigde, verlangde Hij dat er nog een openbaring gegeven werd over de dingen die in de toekomst zouden plaatsvinden. Voor degenen uit de vroege gemeenten, zou zijn boodschap een grote bemoediging zijn tijdens de vervolging. Ondanks hun moeilijke omstandigheden blijft God over alle dingen de controle houden. Hij is de Almachtige, de Alfa en Omega, het begin en het einde. Zelfs Christus Zijn Zoon is daar om een bemoediging te geven. Hij die Hem liefheeft en hen bevrijdt heeft van zonden, blijft bij hen. Dit wordt gezien in het visioen van Johannes van de Mensenzoon. Christus, in Zijn volle glorie, verschijnt aan de apostel. In deze ontmoeting bevestigd Christus dat Hij de Levende is, die zonde en dood heeft overwonnen. Johannes schrijft alles wat Christus hem openbaart over de toekomst, getrouw en in gehoorzaamheid op. Van groot belang is het feit dat Christus spoedig zal komen om alle dingen nieuw te maken. Wat er nog rest is de openbaring van Jezus Christus zoals we kunnen zien in het laatst vermelde boek van het Nieuwe Testament.

Dat Christus stierf, is opgestaan en nu leeft blijft een wonderbare waarheid voor vele christenen vandaag. Ieder van ons zou dankbaar moeten zijn dat Christus ons heeft vrijgemaakt van onze zonden door Zijn bloed en dat Hij zijn gemeente blijft liefhebben en er zorg voor draagt. Nu dat de dood is verslagen, is de laatste dag dat Hij voor de Zijnen zal terugkomen, alles wat overblijft. Deze tijd komt spoedig en zal onverwacht zijn. Het is om die reden dat Christus degene oproept om gereed te zijn, want het kan vandaag zijn. Voor degene die niet bij Gods familie behoren, raakt het moment, om zich naar God te keren, op. Christus zal komen en snel, wanneer Hij komt terwijl men Hem nog afwijst, zal hun einde tragisch zijn. Omdat die tijd onbekend is en nader, zou niemand berouw moeten uitstellen.

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

 

Aristoteles

Standaard

categorie : Beroemde mensen

 

 

 

Aristoteles (Stagira 384 – Chalcis 322 v.C.), één van de grootste

wijsgeren uit de oudheid



Aristoteles was in de oudheid, waar filosofie en wetenschap nog niet van elkaar gescheiden waren, een veelzijdig wetenschapper. Vooral zijn logica heeft een grote invloed gehad op de latere filosofie. Het belangrijkste element van deze logica is de leer van de oordelen. Aristoteles ging ervan uit dat alle zintuiglijke kennis in principe waar is. Pas in ons verstand leggen wij echter verbanden tussen de ervaringen, in de vorm van oordelen. Wij zien bijvoorbeeld: vrouw, zwart haar. En we vormen ons vervolgens het oordeel, de vrouw heeft zwart haar. Waarover wij spreken (vrouw) is het subject, wat wij ervan zeggen (zwart haar) is het predicaat.

Het meest algemene predicaat is ‘zijn’. Van alle dingen kan men immers zeggen dat ze zijn. Verder introduceerde Aristoteles de termen syllogisme, inductie en deductie. Van de logica zei Aristoteles dat hij deze opvatte als een leerschool voor het denken. Het is de leer van de principes waarop ons denken gebaseerd moet zijn, willen wij de juiste conclusies trekken uit onze waarnemingen. Aristoteles hield zich ook bezig met biologie. Ook dacht hij na over de wetmatigheid waaraan de natuur onderworpen is (hetgeen wij nu natuurkunde zouden noemen). Zo stelde hij bijvoorbeeld dat ‘worden’ niet de overgang is van niets naar iets, maar van potentie (het zaadje) naar verwerkelijking (de boom).

 

 

 

 

 

1.Leven

 

Zijn vader Nicomachus schreef  boeken over medische en fysische onderwerpen. Aristoteles is vroeg wees geworden. Op zijn zeventiende jaar vertrok hij naar Athene en werd in de Academie van Plato opgenomen, die hij na Plato’s dood (347) verliet. Daarna kwam hij aan het hoofd van een platonische gemeenschap in Assos te staan, trok echter spoedig naar Lesbos, en werd in 342 door koning Philippus naar Macedonië ontboden om de opvoeding van de veertienjarige Alexander te verzorgen. Hij keerde in 335 naar Athene terug, waar hij dertien jaar lang in de Peripatos (wandelgang) van het Lykeion heeft gedoceerd.

Ten gevolge van een anti-Macedonische reactie na Alexanders dood (323) werd hij als collaborateur beschouwd en aangeklaagd wegens goddeloosheid. Anders dan Socrates, die de gifbeker dronk, verliet hij de stad, zeggende dat hij de Atheners een tweede vergrijp aan de filosofie wilde besparen. Een jaar later stierf hij in Chalcis.
Persoonlijke bijzonderheden over hem zijn nauwelijks bekend. Uit zijn testament leren wij hem als een zorgzaam huisvader kennen en als een humaan meester voor zijn slaven. Van enkele vrienden weten wij alleen dat zij hem zijn leven lang trouw gevolgd hebben.

De overgeleverde briefwisseling met Alexander is vermoedelijk een vervalsing, en ongeloofwaardig is het bericht dat de koning zijn studies met een enorm bedrag steunde en op zijn expedities een staf van geleerden meenam om dieren en planten voor hem te verzamelen. De twee boeken die Aristoteles aan Alexander opdroeg, zijn verloren gegaan, maar wel is bekend dat hij daarin o.a. schreef dat het voor een koning niet nodig was om filosoof te zijn (dit tegen Plato), maar wel om naar het advies van een wijsgeer te luisteren.

 

2. Leer

 

De wijsbegeerte van Aristoteles draagt een sterk speculatief karakter en toont voortdurend de invloed van Plato, maar daarnaast is een uitgesproken belangstelling voor de empirische werkelijkheid merkbaar, die hem ertoe bracht om vrijwel alle gebieden van wetenschap in zijn filosofie te betrekken (wis- en geneeskunde zijn opvallende uitzonderingen).

 

 

 

2.1 De logica 

 

De logica beschouwt Aristoteles zelf niet als onderdeel van de filosofie: het is een leerschool voor het denken, en de daarop betrekking hebbende geschriften hebben later de naam Organon (= werktuig) gekregen. Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun valse redeneringen. Hij gaat ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz. Onze waarnemingen zijn op zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid; fouten ontstaan doordat wij die waarnemingen verkeerd met elkaar verbinden en daardoor foute conclusies trekken.

Voor een adequate kennis van de werkelijkheid moeten de begrippen in hun samenhang met de werkelijkheid overeenkomen. De niet verder te herleiden elementen van de kennis zijn de Categorieën, dwz. de verschillende vormen waarin men zich uitspreekt over het bestaande. Wanneer wij een oordeel uitspreken, is datgene waarover wij spreken ‘subject’, wat wij ervan zeggen is het predicaat. Om dat predicaat tot uitdrukking te brengen beschikken wij over een aantal categorieën:

de substantie (ousia), bijv. mens of paard;

de kwantiteit, bijv. twee ellen lang;

de kwaliteit, bijv. rood of blauw;

de relatie, bijv. dubbel, groter;

en verder de categorieën: plaats, tijd, handelen en ondergáán.

Wanneer zij zonder verbinding gebruikt worden, drukken zij geen bevestigend of ontkennend oordeel uit (man, blank, gisteren); daartoe moeten zij verbonden worden (de man is blank), en het oordeel is waar of onwaar naarmate de verbinding overeenkomt met de verbindingen in de werkelijkheid. De eenvoudigste vorm van een oordeel is: A is B (kataphasis, bevestiging) of: A is niet B (apophasis, ontkenning). Uit twee oordelen (premissen genaamd), die één term (de ‘middenterm’) gemeen hebben, kan een syllogisme gevormd worden (= sluitrede bijv. A is B; B is C: ± A is C).

De mogelijkheden van het syllogisme zijn door Aristoteles zorgvuldig afgebakend, en het zeer verfijnde systeem van vormen van syllogismen heeft zich nog tot na Immanuel Kant kunnen handhaven. Steeds gaat hij van het algemene naar het bijzondere (deductie). Van de omgekeerde weg, die van het bijzondere uitgaat om tot conclusies ten aanzien van het algemene te komen (inductie), heeft hij in zijn natuurwetenschappelijke geschriften gebruikgemaakt. Strikt genomen zou alleen volledige inductie, waarbij alle bijzondere gevallen bekend zijn, geldig zijn.

Hij redeneert dat de afzonderlijke dingen uit algemene oorzaken zijn ontstaan; om ze te leren kennen moet men daarom eerst kennis van de algemene oorzaken verwerven. Die kennis is met het verstand door redenering te bereiken. De meest algemene oorzaken zijn onherleidbaar, anders zouden zij een nóg algemenere oorzaak hebben, en zo tot in het oneindige voort. In overeenstemming daarmee zijn de eerste, algemene premissen onbewijsbaar; zij zijn echter zonder meer duidelijk.

De voornaamste is het principium identitatis: A is A en kan niet op hetzelfde ogenblik en ten aanzien van hetzelfde niet-A zijn. Alleen dan is er sprake van een strikt bewijs als het syllogisme uitgaat van ware premissen. Dikwijls moet men echter uitgaan van meningen, waarvan de waarheid niet volstrekt zeker, maar wel waarschijnlijk is. De zgn. praktische filosofie, ethiek, politiek en redekunst, maakt van min of meer waarschijnlijke redeneringen gebruik, en kan daarom niet als strenge wetenschap gelden.

 

 

 

 

 

 

2.2 Ontologie 

 

Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het Zijn, en het Zijn als zodanig is het onderwerp van wat Aristoteles de ‘eerste filosofie’ noemde, die thans metafysica heet. Het woord ‘zijn’ wordt in vele betekenissen gebruikt ( ‘de man is blank’: koppelwerkwoord; ‘de man is’ duidt op het bestaan, enz.). Het blijkt dat kwaliteit, kwantiteit en alle andere categorieën niet kunnen zijn in de betekenis van bestaan: dat kan men alleen zeggen van een ousia (substantie, of wezen); een mens bestaat op zichzelf, maar blank op zichzelf bestaat niet.

Nu is ons weten volgens Aristoteles afhankelijk van de waarneming die aan het weten voorafgaat. Wij nemen echter alleen afzonderlijke dingen waar (de eigenlijke substanties). Dus zou ons weten slechts betrekking kunnen hebben op afzonderlijke dingen. Plato had gesteld dat het algemene (de Idee) het wezenlijke was en dat de afzonderlijke dingen daar deel aan hadden. Volgens Aristoteles bestaat het algemene niet buiten de dingen (als idee), maar in de dingen; het is voor het verstand te begrijpen.

 

 

2.3 Natuurfilosofie 

 

De dingen om ons heen zijn in een voortdurend wordingsproces betrokken. Worden is een beweging van de ene toestand naar de andere. Fysica is de leer van de bewegingen en de oorzaken daarvan. Oorzaken (aitia) zijn materie, vorm, bewegende oorzaak en doel. Bij een huis kan men de vorm onderscheiden van het doel (beschutting van de bewoners), bij een levend wezen vallen vorm en doel samen. Anderzijds is de bewegende oorzaak van een huis de vorm in de gedachte van de architect, die dezelfde is als de actuele vorm van het huis.
Vandaar dat de vier oorzaken vaak gereduceerd worden tot twee: vorm en materie. De eerste is actief, de tweede passief, en de ongevormde materie staat tot de gevormde als potentie, mogelijkheid (dynamis) tegenover actualiteit (energeia): worden is een overgang (beweging) van potentialiteit naar actualiteit (zie ook act).

Parmenides van Elea krijgt daardoor een afdoend antwoord: worden is niet de ondenkbare overgang van het niets naar het iets, maar van nog-niet-iets-zijn naar verwezenlijking. Uit zaad + voedsel ontstaat de actuele boom. De vier elementen: aarde (droog en koud), water (vochtig en koud), lucht (vochtig en warm), vuur (droog en warm) kennen ook voortdurende overgangen. Zij hebben hun eigen bewegingen: aarde en water rechtlijnig naar beneden, lucht en vuur evenzo naar boven, en daar zij ieder een eigen ‘plaats’ hebben, bestaat er een natuurlijke stratificatie. Door verandering van één van de twee eigenschappen (bijv. van koud naar warm) kunnen zij in elkaar overgaan. Die verandering wordt o.a. door reflectie van de zonnewarmte op aarde en door afkoeling in de hogere lagen veroorzaakt, en daardoor ontstaan de weersverschijnselen.

Boven de sfeer van de maan heerst een ander element, de aether, dat niet verandert (de aether wordt ook ‘vijfde lichaam’ genoemd, de quinta essentia van de middeleeuwen). Om die maansfeer heen ligt een groot aantal sferen, wier gecompliceerde kringlopen de voor ons ongelijkmatig schijnende bewegingen van de planeten veroorzaken; zij worden alle omsloten door de gelijkmatig bewegende uiterste sfeer van de vaste sterren, en het rustend middelpunt is de aarde. De hemellichamen, ‘goddelijk’ geheten, zijn uit aether gevormd, maar hun goddelijkheid is niet volmaakt, omdat zij bewegen.

Beweging is altijd een overgang van potentialiteit naar actualiteit, en de godheid kan niets potentieels meer hebben: dat zou aan zijn volmaaktheid afdoen. God is dus buiten de sferen en Hij is indirect de oorzaak van hun bewegingen. De sferen bewegen zich uit verlangen naar God, die de Onbewogen Beweger is. De enige activiteit die God kan uitoefenen, is het denken. Niet aan andere dingen – want dan zou Hij zich met materie bezighouden: Hij denkt de volmaakte actualiteit, en dat is Hij zelf: zijn denken is denken van het denken.

Terwijl Aristoteles de ruimte als begrensd denkt door de buitenste hemelsfeer, poneert hij dat de tijd oneindig is. Daar tijd en beweging onafscheidelijk samengaan, heeft de beweging van de kosmos geen begin gehad en zal nooit ophouden. Deze leer van de eeuwigheid van de wereld is voor latere Aristotelici een schooldogma geweest, dat zowel in het christendom als in de islam aanleiding was tot polemieken. Hier op aarde kan door de beperkte mogelijkheden van de materie een ononderbroken kringloop niet plaatsvinden, maar de natuur tracht deze zo goed als het in haar vermogen ligt te imiteren. Door de zon is er dag en nacht, door de ecliptica (de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen) de wisseling van de seizoenen. Vandaar de mutatie van elementen en de weersverschijnselen. Het leven kent opgang en neergang, geen complete kringloop, maar de ononderbroken opeenvolging van ontstaan en vergaan is de best mogelijke nabootsing daarvan.

 

 

 

2.4 Biologie 

 

In de levende natuur zijn de individuen vergankelijk, maar de soorten eeuwig en onveranderlijk. Wel kent Aristoteles de geleidelijke overgang van het net-niet-meer-levenloze, via planten, tussenvormen tussen planten en dieren, naar hogere dieren, tot de mens toe. Maar hij verwerpt de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe soorten: kruisingen, zoals muildieren, kunnen zich als soort niet handhaven. Lager en hoger gaan samen met de aard van de psychè (ziel, in de zin van levensbeginsel). De laagste vorm is de plantenziel (alleen voeding en voortplanting); dieren hebben de waarnemende ziel, de mens daarenboven het verstand. In de hogere ziel zijn de lagere altijd aanwezig.

Centrum van de levensfuncties én van de waarneming is het hart: de (koude) hersenen dienen als regulateur om de bloedtemperatuur gelijkmatig te houden. Volgens Aristoteles is het mannelijke warm en actief, het vrouwelijke koud en passief. Bij de voortplanting is het mannelijke de vormgever, en in het sperma is de ziel in potentie aanwezig. Het vrouwelijke draagt alleen de materie bij. Toch weet Aristoteles van parthenogenese (voortplanting zonder bevruchting).

In het algemeen komt hij in de nadere uitwerking vaak veel verder dan een star dogmatisme. Hij heeft ruim 500 dieren beschreven en observaties gedaan die soms in onze eigen tijd pas bevestigd zijn, bijv. de beschrijving van de levendbarende gladde haai (Mustelus laevis). In zijn nauwkeurig uitgewerkte erfelijkheidstheorie anticipeert hij op Gregor Mendel met een goed begrip voor dominerende en recessieve factoren. Hij geeft een opmerkelijke schets van een indeling van de dierenwereld op grond van de embryologie. Ook heeft hij herhaaldelijk bepaalde soortkenmerken aangewezen, en is hij zijn tijd vooruit geweest door bijv. sponsen, zeeanemonen e.d. van planten, en walvisachtigen van vissen te onderscheiden.

 

 

 

 

 

2.5 Waarneming 

 

Uitvoerig is de behandeling van de zintuigen, en vooral ook van de vraag hoe verschillende waarnemingen gecoördineerd worden (de waarnemingen van een roos bijv. gaan langs totaal verschillende wegen: men ziet de bloem, ruikt de geur en voelt de doornen). Volgens Aristoteles is dit coördineren het werk van een gemeenschappelijk waarnemingsorgaan. Het complex van de waarnemingen vormt het materiaal voor de herinnering.

Opvallend is in dit verband zijn inzicht in het associatieproces. De mens beschikt niet over natuurlijke wapens (slagtanden, klauwen, horens) en ook het waarnemingsvermogen is slechter dan dat van sommige dieren. Maar alleen de mens bezit verstand. Zeer betwist is de leer van het passieve intellect dat de denkinhoud aan voorafgaande waarnemingen ontleent, en het actieve intellect, dat het denken activeert. Het passieve intellect is met de andere delen van de ziel aangeboren, maar het actieve ‘komt van buiten af’ en is alleen onsterfelijk.

 

 

 

2.6 Ethiek 

 

Het doel ‘waarnaar alles streeft’ is het goede, en het gemeenschappelijk einddoel is de eudaimonia, het geluk. Dat ligt niet in het verwerven van rijkdom, eer of genot, en ook niet in werkloosheid, maar in activiteit. Het hoogste goed is activiteit van de ziel in overeenstemming met haar eigen deugd, en als er meer deugden zijn, met de hoogste. Aristoteles’ leer dat een deugd in het midden ligt tussen twee ondeugden (le juste milieu) is beroemd geworden. Dapperheid bijv. ligt tussen roekeloosheid (te veel) en lafheid (te weinig) in. Dapper zijn is niet: alles te wagen zonder vrees; men dient ook te weten wanneer men moet wijken. Wie goed wil handelen moet een keuze (prohairesis) maken, en wel een meervoudige keuze, die rekening houdt met persoon, tijd, plaats en omstandigheden.

Boven de karakterdeugden staan de verstandelijke. De wijze kiest de hoogst mogelijke deugd die ligt in de intellectuele activiteit, dwz. contemplatie. Het zuivere denken plaatst hem boven het menselijke niveau: de mens bereikt dat niet als mens, maar door het goddelijke in hem. Op de hoge waarde van de vriendschap wordt veel nadruk gelegd, en sociale deugden, zoals de rechtvaardigheid, staan bovenaan, in overeenstemming met de opvatting dat de leer van de samenleving (politikè) in het verlengde van de ethiek ligt. De mens is een gemeenschapswezen (zooion politikon): de staat streeft naar het geluk van de burgers.

Aristoteles wil toezicht op het gezin met het oog op eugenese (verbetering van de erfelijke eigenschappen van het menselijk ras) en geboortebeperking, maar ziet anderzijds de slavernij als een door de natuur gegeven noodzakelijk instituut. Hij overweegt de voor- en nadelen van de verschillende mogelijke constitutievormen, maar blijft merkwaardigerwijze in de tijd waarin door de veroveringen van Alexander enorme statencomplexen ontstonden, staan bij de oude, beperkte stadstaat.

 

 

 

2.7 De retorica 

 

Deze ligt, als verhandeling over de redekunst, gedeeltelijk in het verlengde van de logica, maar komt herhaaldelijk op het terrein van de literatuurbeschouwing. Dit laatste onderwerp is uiterst beknopt behandeld in de Poetika, die van alle werken van Aristoteles het meest gelezen is, en vooral door de leer van de drie eenheden (tijd, plaats en handeling) een verreikende invloed heeft gehad.

 

 

 

3. Werken 

 

Naar het voorbeeld van Plato schreef Aristoteles een aantal dialogen, die in de oudheid druk gelezen zijn, maar verdrongen werden door de wetenschappelijke werken (de fragmenten zijn verzameld door R. Walzer, 21963, en W.D. Ross, 1955). Ook van de grote, onder zijn leiding tot stand gebrachte documentenverzamelingen (o.a. lijsten van opvoeringen van tragedies in Athene, staatsinstellingen van 158 steden, atlas van vergelijkende anatomie, en andere) is alleen een studie over de Staat van de Atheners in 1891 op een papyrus gevonden. De rest is, op een aantal meestal zeer korte fragmenten na, verloren gegaan (laatstelijk uitgegeven door V. Rose in 1886).

Bewaard gebleven zijn de wetenschappelijke werken, die geen literair karakter dragen, maar als min of meer uitgewerkte leerstof voor zijn colleges dienden. Uit een aantal citaten naar niet meer vertegenwoordigde werken blijkt dat de door Andronicus geredigeerde verzameling niet volledig meer is, terwijl anderzijds dictaten en excerpten van leerlingen, geschriften van latere peripatetici (o.a. de Problemata) en opzettelijke vervalsingen (zoals De mundo) erin zijn opgenomen. De bewaard gebleven hoofdwerken van Aristoteles zijn de volgende:

Logica: Categoriae; De interpretatione; Analytica priora en posteriora; Topica.

Ontologie: Metaphysica.

Natuurfilosofie: Physica; De caelo; De generatione et corruptione; Meteorologica; Historia animalium; De partibus animalium; De generatione animalium; De anima, Parva Naturalia.

Praktische filosofie: Ethica Nicomachea; Politica; Rhetorica; Poetica.

 

 

Plato-Socrates-Aristoteles

 

 

 

 

 

 

Dierenrechten volgens de Islam

Standaard

 categorie : religie

.

.

Volgens de wetenschap en de evolutietheorie is de mens niet superieur aan de andere soorten, maar is de mens slechts een soort tussen de soorten. Ook de Koran is deze mening toegedaan en beklemtoont de absurditeit en onwenselijkheid van het antropocentrisme:

“De schepping van de hemel en van de aarde is groter dan de schepping van de mens, maar de meeste mensen weten het niet.” (Koran 40:57)

.

.

hond

.

.In de Koran Notities “”Dierenrechten in de Islam” wordt  een uitgebreide analyse gemaakt van de dierenrechten op grond van de Koran en de Sunna. Daaruit citeren we volgende besluiten :

.

Islam over de plaats van de dieren en hun rechten

.

  • Dieren aanbidden en verheerlijken God.
  • Zoals de mensen een gemeenschap vormen, vormen ook dieren gemeenschappen op zich, en hebben zij dus alle daarmee geassocieerde rechten (recht op gezonde voeding, op beschutting tegen slecht weer, op sociaal leven, op recreatiemogelijkheden, op het zelf grootbrengen van de eigen kinderen, enz).
  • Dieren hebben een bewustzijn (geest en verstand), handelen intelligent en doelgericht en hebben gevoelens; hun gevoelens mogen niet gekwetst worden.
  • Dieren hebben een waardigheid en een schoonheidsgevoel. Zij moeten daarin gerespecteerd worden.
  • Dieren hebben een geboorterecht op hun deel van de natuurlijke rijkdommen, zelfs als er onder de mensen schaarste heerst aan voedsel en water.
  • Dieren hebben recht op waardig fysisch, psychisch en sociaal leven.
  • Dieren hebben recht op aandacht en op een zorgzame behandeling.
  • Goede daden tegenover een dier worden beloond, voor slechte daden tegenover een dier zal men op Oordeelsdag verantwoording moeten afleggen en mogelijks gestraft worden, mogelijks zelfs met eeuwige verbanning naar de hel.

.

.

Islam staat volgende zaken NIET toe

.

  • het slaan van een dier in het aangezicht;
  • het brandmerken van een dier op gevoelige plaatsen zoals het gezicht;
  • het overbelasten van een lastdier;
  • het doden van een dier in het bijzijn van een ander dier (om de gevoelens van het ander dier niet te kwetsen);
  • het doden van een dier op een wrede manier of voor het plezier;
  • het doodmartelen of nodeloos doen lijden van dieren (zelfs al gaat het om de meest schadelijk geachte soorten, zoals schorpioenen enz);
  • het klaarmaken van slachtgerief (scherpen van mes) in bijzijn van het te slachten dier;
  • een dier laten wachten om gedood te worden;
  • een dier vastbinden en dan doden;
  • het versnijden van een voor voedsel gedood dier alvorens lijkstijfheid is ingetreden (door de verplichting zolang te wachten, verzekert Islam dat een dier dat dood lijkt maar waar nog een sprankeltje leven in zit, zeker geen pijn zou toegebracht worden);
  • het tegen elkaar opzetten van dieren en dierengevechten (hanengevechten, stieren- gevechten, …);
  • jachtsporten (vossenjacht,…);
  • het verminken van dieren en verwijderen van een deel van een dier terwijl het in leven is (met als uitzondering wanneer het nodig is om het leven van een dier in nood te redden – vb amputatie is toegestaan en is zelfs een goede daad wanneer dit het leven van een dier in nood kan redden);
  • het vangen van vogels en hen in kooien stoppen zonder enig speciaal doel (dit wordt aanzien als abominabel);
  • het opsluiten van dieren zonder voedsel;
  • het toebrengen van lichamelijke of emotionele schade aan een dier tijdens leven of gedurende de slacht;
  • het begaan van lichamelijke of geestelijke wreedheden tegenover dieren;
  • factory farming (dwz het grootschalig kweken van dieren volgens industriëe veehouderijmethodes)
  • experimenten op dieren;
  • afmaken van dieren voor hun vacht (Islam laat enkel gebruik toe van huiden of pels van gedomesticeerde dieren die een natuurlijke dood stierven of van dieren die gedood werden voor voedsel);
  • het doden van een dier zonder rechtvaardigbare reden (dit is zelfs één van de hoofdzonden);
  • verspilling in het algemeen, en in het bijzonder van producten waarvoor dieren gedood werden;
  • het doden van dieren tijdens oorlog behalve wanneer dit nodig is voor voedsel;
  • het doden van dieren voor voedsel zonder “In de Naam van God” te zeggen (en dit om de mens er nogmaals aan te herinneren dat het leven heilig is en men geen andere reden  mag hebben om het leven van het dier te beëindigen, dan de nood om voedsel;
  • het consumeren van producten van dieren die niet correct geslacht  of tijdens het leven mishandeld werden, vermits die producten daardoor onwettig werden voor consumptie. Dit laatste zou men kunnen aanzien als een preventieve maatregel die er voor zorgt dat muslimboeren hun dieren goed behandelen.

.

.

DE ISLAM IS DE 

TEGENBEWEGING

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

.

.

voorpagina openbaring a4

.

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Hilarion, chohan van de 5de straal

Standaard

categorie : reiki en de aura

.

.

.

.

Hilarion, Chohan van de 5de straal

.

Hilarion is de Heer van de 5e, groene straal die de Goddelijke waarheid, wetenschap, genezing, Goddelijke visie en welvaart vertegenwoordigt.

.

Deze straal correspondeert met het derde oog chakra, die een Goddelijk instrument voor innerlijke visie en concentratie op het Goddelijke plan is. Op het pad van de 5de straal leert de ziel de Goddelijke visie en het onbevlekte concept van haar Goddelijke zelf voor het derde oog te houden. De kracht van de reiniging en de genezing van de ziel samen met de mystieke kennis van muziek wordt aan de adept van de 5de straal gegeven.

De meest bekende reïncarnatie van Hilarion is zijn reïncarnatie als apostel Paulus. In zijn laatste leven was hij Heilige Hilarion, de 4e eeuwse kluizenaar en genezer die destijds ontelbare wonderen verrichte.

De opgevaren meester Hilarion sponsort religieuze leiders, missionarissen, genezers, muzikanten, en wetenschappers die gespecialiseerd zijn in de computer- en ruimtevaart technologie. Hij streeft ernaar de kracht van de Goddelijke Waarheid te verspreiden zodat iedereen de juiste visie over zijn Goddelijke natuur mag ontvangen en het spirituele pad mag bewandelen op weg naar zijn persoonlijke Christusschap. Ook is deze meester bezig de zielen te helpen die geen bewuste kennis hebben van het pad van het individuele meesterschap.

.

“The release of Truth is not just a series of words, concepts or ideas. It is a vibratory action that reaches up to the Godhead and brings the crystal flowing stream of that action into human affairs.”

 “The Truth all mankind seek is based on the irrefutable law that Spirit and Matter are not opposites: they are the twofold nature of God’s being which remain forever as the Divine Polarity.
.
.
 Zijn etherisch retraite verblijf is de Tempel van de Waarheid en is gelegen op het eiland Kreta in Griekenland.

Als de chohan ofwel de Heer van de 5e straal heeft Hilarion ontelbare legioenen engelen van genezing tot zijn beschikking. De aartsengel van de 5e straal die de leiding heeft over de engelen van de groene straal is aartsengel Rafael.

.

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

De Bijbel en de wetenschap.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De Bijbel

 

De Bijbel is geen wetenschappelijk boek, maar een boek over God en over mensen. De Bijbel bestaat uit 66 boeken met geschiedenis, liederen, gedichten, spreuken, profetieën en brieven. Hij is geschreven door meer dan 40 mensen, gedurende een periode van ongeveer 1600 jaar.

De boeken zijn geschreven in het Hebreeuws, Grieks en Aramees. Ze zijn geschreven op de continenten Azië, Afrika en Europa. Er zit een periode van 400 jaar tussen het ‘Oude’ en het ‘Nieuwe Testament’. Toch is de Bijbel een eenheid en alle belangrijke details kloppen. Er zijn tienduizenden manuscripten en fragmenten gevonden. Geen enkel boek uit de oudheid kan daaraan tippen. Daarom kunnen we de Bijbelse geschriften gebruiken om een beeld te vormen van de geschiedenis van de aarde. Dat houdt in dat we uitgaan van een recente schepping (6000 – 8000 jaar geleden)en een grote overstroming die ongeveer jaar 1500 jaar later gebeurde. Deze overstroming werd overleefd door  8 mensen die onze voorouders zijn.

De Bijbel kan zonder problemen als een betrouwbare beschrijving van de geschiedenis gezien kan worden. God wil zichzelf ook bewijzen aan mensen die Hem daarom vragen (dit blijkt uit verschillende delen van de Bijbel, zoals de geschiedenis van de ‘ongelovige Thomas’). Een wetenschapper kan zonder problemen de Bijbel met het volste vertrouwen omarmen, zonder zijn of haar wetenschappelijke integriteit te verliezen. Het is in een Bijbels denkkader geoorloofd om kritische vragen te stellen en ook een antwoord te verwachten!

Er staan ook dingen in de Bijbel die niet wetenschappelijk kunnen verklaard worden. Deze ‘wonderen’ of ‘tekenen’ zijn juist het mooie van de Bijbel omdat ze waargenomen zijn te midden van de alledaagse werkelijkheid.

 

 

Nederlandse Bijbelcompagnie – Statenvertaling 1865

 

 

 

Het Oude Testament

 

Het Oude Testament is door de Masoreten (overleveraars, Joodse geleerden) in een periode van 500 tot 900 na Christus letter voor letter overgeschreven. Elke foute kopie werd vernietigd. De Dode Zee rollen, die dateren uit de periode ca. 250 vóór Christus tot ca. 50 na Christus, werden gevonden in 1947 in grotten bij Qumran. Hoewel deze manuscripten 1000 jaar ouder zijn dan die van de Masoreten, bleken ze daar toch zeer nauwkeurig op aan te sluiten.

Er wordt vanuit een evolutionistisch denkkader vaak aangenomen dat mensen eerst geleidelijk aan gingen praten  en later pas gingen schrijven. Maar in de Bijbel staat dat God de mens helemaal perfect schiep. Adam was zo gemaakt dat hij gelijk kon praten, want hij sprak met God en zijn vrouw (zie Genesis). Daaruit kun je afleiden dat hij waarschijnlijk ook kon schrijven. En zelfs al schreef hij niet; hij was Gods eerste mens en moet dus een perfect geheugen gehad hebben.

Hij heeft 930 jaar geleefd en kreeg veel kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, die onder andere al metaal bewerkten en instrumenten bespeelden. Het is heel waarschijnlijk dat er toen ook al geschreven werd en dat uiteindelijk een aantal van die geschriften meegingen met Noach in de ark. Onze kennis van de vroegste culturen kan alleen maar bevestigen dat taal altijd een hoge mate van complexiteit gehad heeft. Oude talen zijn eerder ingewikkelder dan eenvoudiger.

 

 

 

Het Nieuwe Testament

 

De betrouwbaarheid van de Nieuwe Testamentische geschriften is nog groter dan die van het Oude Testament. Er zijn  24000 manuscripten gevonden en vergeleken. Veel meer dan enig ander werk uit de oudheid. (De Ilias van Homerus komt op de tweede plaats met 643 manuscripten).

Er zijn geen belangrijke verschillen tussen de manuscripten, alleen wat namen en onbelangrijke spelling.
Over de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament wordt door taal- en geschiedkundigen nog minder getwijfeld dan over het Oude Testament. Dat vrijwel alle gevonden oude kopieën identiek zijn is een sterk bewijs dat de geschriften accuraat zijn overgeleverd.
Een ander sterk argument voor de betrouwbaarheid van de inhoud is dat de mensen die het geschreven hebben (behalve Johannes) allemaal een gruwelijke dood gestorven zijn, omdat ze vast bleven houden aan wat ze geschreven hadden over Jezus.

 

 

 

Wetenschap en de Bijbel

 

Wetenschap gaat over het vergaren van kennis en inzicht. Feiten geven inzicht in de dingen die we willen weten. De Bijbel geeft ons bepaalde feiten. Veel van die feiten zijn in de loop der jaren door de wetenschap bevestigd. Dit maakt het waarschijnlijk dat de schrijvers van de Bijbel kennis van zaken hadden en niet puur schreven vanuit de behoefte een religie te stichten. Ze schreven de dingen waarheidsgetrouw op zoals zij ze zagen.
De Bijbel is een boek over geestelijke dingen, met symboliek, leefregels en moraal. Er staan ook dingen in die geschiedkundig kloppen en bevestigd kunnen worden door onze huidige kennis van biologie, natuurkunde, sterrenkunde, archeologie, paleontologie en dergelijke.

 

 

 

Enkele voorbeelden in de Bijbel over wetenschappelijk

correcte uitspraken

.

1.
“Hij hangt de aarde op aan niets.” Dit staat in Job 26:7

2.
Hebreeën 11:3 zegt dat alles wat we zien gemaakt is van dingen die we niet kunnen zien. Dat klopt. We kunnen atomen niet met het blote oog zien. De elementen waaruit atomen bestaan, kunnen helemaal niet gezien worden.

3.
Genesis 1:1 en Hebreeën 1:10-12 gaan over een ‘begin’ en een ‘einde’ van hemelen en aarde. Tijd en ruimte hebben een begin, maar ook een einde. Dat wordt nu ook door wetenschappers erkend, hoewel dat niet altijd zo was.

4.
Genesis 6:15 geeft de perfecte afmetingen voor een stabiel vrachtschip waarmee Noach (met zijn gezin en van elk basistype landdier een paar of een groep) de zondvloed kon overleven.

5.
Leviticus 15:13 geeft instructies voor het wassen met water. Dit moest stromend water zijn, geen stilstaand water. Eeuwenlang hebben mensen zich met stilstaand water gewassen, met alle gevolgen van dien. Vandaag de dag weten we hoe belangrijk het is om zich met stromend water te wassen.

6.
In Deuteronomium 23:12-13 krijgt het volk Israël in de woestijn de opdracht om hun uitwerpselen buiten het kamp te begraven. Ze hadden daarvoor zelfs een schepje in hun standaard uitrusting. Hoeveel mensen zijn er in de middeleeuwen niet gestorven aan ziektes, die voorkomen hadden kunnen worden als ze zich aan deze instructies hadden gehouden?

7.
Job 38:16 spreekt over de ‘fonteinen van de zee (oceaan)’. Deze onderwater fonteinen zijn in de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontdekt. Er zijn inderdaad fonteinen op grote diepte. De fonteinen waarover in Genesis 7:11,12 wordt gesproken waren catastrofaal; misschien veroorzaakt door het scheuren van de aardkorst en magma of gesmolten zout dat de zee instroomde. Mogelijk zijn de huidige fonteinen restanten van die catastrofale gebeurtenis.

8.
Volgens Jona 2:5-6 zijn er bergen in de zee. Ook dit is in de afgelopen eeuw ontdekt.

9.
Leviticus 17:11,14 zegt dat het leven in het bloed zit. Aderlating bij zieke mensen heeft veel slachtoffers geëist . Nu weten we dat essentiële voedingsstoffen en zuurstof door het bloed naar alle delen van het lichaam worden getransporteerd.

10.
Volgens Genesis 1:24 schiep God alle dieren naar hun ‘aard’ of ‘soort’. Dit stemt overeen met wat wetenschappers waarnemen. Honden brengen honden voort. Katten brengen katten voort. Rozen brengen rozen voort. Verschillende soorten kunnen niet gekruist worden. Belangrijker is dat het nog nooit is waargenomen dat een bepaalde soort in een nieuwe is overgegaan. Er zijn bijvoorbeeld wel meerdere ‘soorten’ honden, kippen of paarden, maar daarvan weten we dat ze uit één grondsoort komen.

11.
Volgens Genesis 2:7 en 3:19 is de mens gemaakt van het stof van de aarde. Wetenschappers hebben ontdekt dat het menselijk lichaam bestaat uit ongeveer 28 basis- en sporenelementen, die ook allemaal in de aarde gevonden worden.

12.
In de eerste drie verzen van Genesis wordt de schepping van alle bekende aspecten van onze zichtbare wereld beschreven: tijd, ruimte, materie en energie. Genesis 1:1-3 zegt: “In het begin (tijd) schiep God de hemelen (ruimte) en de aarde (materie). En God zei, laat [er] licht (energie) zijn.” God schiep dus hemel en aarde door eerst licht te maken. We weten dat de materie bestaat uit deeltjes die zo ‘groot’ zijn als een lichtstraal.

13.
In Jesaja 40:22 staat niet dat de aarde plat is, zoals velen hebben beweerd, maar het beschrijft de aarde als een cirkel en de hemel als een tent die ‘uitgestrekt’ is.  Deze Goddelijke handeling van ‘uitrekken’ of ‘uitspreiden’ kan worden gebruikt om te verklaren waarom wij sterrenlicht zien van miljarden lichtjaren ver, terwijl de aarde volgens de Bijbel slechts duizenden jaren oud is.

14.
Psalm 8:8 beschrijft de ‘paden’ van de zee die door de vissen worden genomen. Er zijn inderdaad paden in de oceanen, wij noemen ze ‘zeestromen’,

15.
In een tijd dat er minder dan 5000 sterren zichtbaar waren schreef Jeremia (33:22) dat het aantal sterren ontelbaar was. We weten nu dat het aantal sterren alleen te schatten is.

16.
Petrus voorspelde (in 2 Petrus 3:5-6) dat de zondvloed zou worden ontkend en dat ermee zou worden gespot. En dat gebeurd inderdaad nog steeds, ondanks de vele bewijzen voor een wereldwijde overstroming.

17.
Veel geologen zijn het erover eens dat de continenten aan elkaar hebben gezeten. Genesis 1:9-10 zegt dat het water naar één plek samenvloeide, wat inhoudt dat het land uit één stuk bestond.

18.
God ‘weeft’ of ‘borduurt’ ons in de baarmoeder. (Psalm 139:13-15). Het is inderdaad zo dat onze ‘weefsels’ als een soort ‘borduurwerk’ in elkaar zitten.

19.
Wetenschappers zijn er nu achter dat we allemaal van één set genen afstammen. Handelingen 17:26 en Genesis 5 geven al aan dat we allemaal van één man afstammen.

20.
Genesis 11 verklaart de verschillende taalgroepen en rassen die we nu kennen. De evolutietheorie biedt daar geen goede verklaring voor.

21.
Wetenschap heeft bevestigd dat bladen van bomen als medicijn kunnen dienen (Ezechiël 47:12 en Openbaringen 22:2).

22.
De Bijbel beschrijft de kringloop van het water in o.a. Prediker 1:7 en Job 36:27,28. Het opstijgen van damp uit de zeeën, de regen en de rivieren.

23.
De besnijdenis van jongetjes op de achtste dag is ideaal omdat alleen op die dag de bloedstollingswaarde 110% is.

24.
Het licht volgt een pad volgens Job 38:19. Tot de zeventiende eeuw werd geloofd dat het licht overal direct is. Nu weten we dat het licht inderdaad een weg aflegt.

25.
Archeologie heeft bevestigd dat onze voorouders niet primitief waren, maar dat ze gebruik maakten van legeringen (sommige legeringen kan men niet eens namaken), ze hadden luchtgekoelde gebouwen, maakten instrumenten, bestudeerden de sterren en nog veel meer (Gen. 4:20-22, Job 8:8-10 en 12:12).

26.
Brute holbewoners worden beschreven in de Bijbel (Job 30:1-8). Het waren geen primitieve voorouders, maar verwilderde mensen uit de turbulente periode na de zondvloed. Job is één van de oudste boeken van de Bijbel en is mogelijk niet zo lang na de zondvloed geschreven.

27.
De sterrengroepen Pleiaden en Orion worden beschreven in Job 38:31. De Pleiaden zijn gebonden en Orion is los volgens deze tekst. Dit is inderdaad het geval. De Pleiaden zijn gebonden door gravitatiekrachten en de sterren van Orion bewegen van elkaar af.

28.
Alleen de Bijbel kan verklaren waar het menselijk gevoel voor moraal, schoonheid en muziek vandaan komt. Als het niet door God is ingegeven, waar komt het dan vandaan? Waar komt liefde en altruïsme vandaan? Wat voor nut heeft het? De evolutietheorie heeft daar geen bevredigende verklaring voor.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA