Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Franjekelk : Tellima grandiflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de in een eindelingse, eenzijdige trosstaande groengele, klokvormige, knikkende bloemen met teruggeslagen franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Franjekelk is een overblijvende tuinplant uit Noord-Amerika, die in de Lage landen verwilderd voorkomt en wellicht ingeburgerd is.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in mei en juni met groengele bloemen, die in een eenzijdige tros aan het einde van de stengel staan. De bloemen vallen op door hun franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren. De 5 kelkbladen zijn vergroeid en vormen een opgeblazen, vijftandige kelk. De franje-achtige kelkbladen komen tussen de kelktanden naar buiten en buigen zich in de loop van de bloeitijd helemaal terug.

 

 

 

 

 

Blad

 

De behaarde bladeren zijn in omtrek nagenoeg rond. Ze hebben een hartvormige voet. De rand is gelobd en getand. De onderste bladeren vormen een rozet en zijn lang gesteeld. De stengelbladeren zijn korter gesteeld. Naar boven toe worden de stelen korter; de bovenste bladeren zijn zittend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

steenbreekfamilie (Saxifragaceae)
– overblijvend
– verwilderd, wellicht ingeburgerd
– 30 tot 75 cm

Bloem
– groengeel, soms rozerood verkleurend
– mei en juni
– eenzijdig, aarvormige tros
– klokvormig
– tot 1 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 of 3 stijlen

Blad
– rozet en stengelbladeren
– enkelvoudig
– in omtrek nagenoeg rond
– top spits
– rand gelobd en getand
– voet hartvormig
– handnervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond
– groen tot roodbruin

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Egelboterbloem : Ranunculus flammula

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de 5-tallige, gele, glanzende, vrij kleine boterbloemen en
– de enkelvoudige, langwerpige tot lijnvormige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Egelboterbloem is overblijvende plant van 10 tot 45 cm hoog, soms tot 70 cm. Ze groeit op natte, matig voedselrijke grond in graslanden, trilvenen, op kapvlakten, langs bospaden en vennen. Ze is zeer algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Egelboterbloem bloeit vanaf juni tot en met oktober met licht goudgele, glanzende, 5-tallige bloemen, die je direct herkent als boterbloemen. Ze zijn een stuk kleiner dan de bloemen van grote boterbloem en tonen ieler dan de bloemen van de scherpe boterbloem; de kroonbladen zijn smaller en vallen nauwelijks over elkaar heen. De kelkbladen zijn behaard, groengeel en staan vaak iets van de kroon af.

 

 

 

 

 

 

 

 

scherpe boterbloem

 

 

 

Blad en stengel

 

Jonge, niet bloeiende planten bestaan uit een rozet van lang gesteelde, driehoekige, gekartelde bladeren met afgeronde voet. Vanuit het rozet groeien opstijgende of liggende stengels, die eindigen in een bloeiwijze van een paar alleenstaande bloemen. De liggende stengels wortelen vaak op de onderste knopen, waar nieuwe rozetten gevormd worden. Als de plant bloeit zijn de rozetbladeren inmiddels afgestorven. Later vormt de plant opnieuw een rozet maar dan van elliptische bladeren met een wigvormige voet. De stengelbladeren van bloeiende planten zijn verwijderd en ondiep getand of hebben een gave rand.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 10 tot 45 (70) cm

Bloem
– licht goudgeel
– vanaf juni t/m oktober
– gesteeld alleenstaand
– 5 tot 15 (20) mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lijnvormig
– top spits
– rand ondiep getand of bijna gaaf
– voet wigvormig of afgerond
– kromnervig

Stengel
– rechtop, opstijgend of liggend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Echte valeriaan : Valeriana officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lange, soms bovenaan vertakte stengels en
– de geurende zachtroze tot witte bloemschermen en
– de bladeren, die allemaal geveerd zijn met 9 – 21 paar blaadjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Echte valeriaan is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze heeft veel vocht nodig. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan waterkanten, in grienden en moerasbossen, in ruige graslanden, op kapvlakten en in de duinen. Zodra ze geplukt wordt, gaat ze hangen. Ze wordt 60 tot 120 cm hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Echte valeriaan bloeit in juni en juli. De bloemen zijn zachtroze tot wit en staan in een schermachtige bloeiwijze aan het einde van de stengel. Bloemen in de knop zijn roze. De meeldraden en stijl steken buiten de bloem.

 

 

 

 

 

Stengel

 

De stengels zijn, als ze vertakt zijn, alleen bovenaan vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Echte valeriaan wordt gebruikt in de homeopatie en fytotherapie. De wortel bevat vluchtige olie en valepotriaten, die een zeer effectieve kalmerende werking hebben. Echte valeriaan kan gebruikt worden tegen nervositeit, stress, slapeloosheid en examenvrees. Het is een mild en doeltreffend plantaardig middel zonder gewenning of versuffing.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Kleine valeriaan, tot 40 cm hoog, onderste bladeren ongedeeld en lang gesteeld, tweehuizig (dus mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte planten), staat op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 60 tot 120 cm

Bloem
– roze, wit
– juni en juli
– bijscherm
– buisvormig
– 2,5 tot 5 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 3 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– samengesteld
– oneven geveerd
– top spits
– onderste deelblaadjes rand gezaagd
– bovenste deelblaadjes rand gaaf
– netnervig
– onderste gesteeld, bovenste zittend

Stengel
– rechtop
– soms bovenaan vertakt
– gegroefd
– onderaan verspreid behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauwe zeedistel : Eryngium maritimum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleur van de plant; blauw(grijs)groen en naar boven (meestal) paarsblauw aangelopen en

– paarsblauwe, stekelige bloemhoofdjes met eronder een kraag van brede schutbladen en
– de stekelige, stijve bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Blauwe zeedistel is een overblijvende, wettelijk beschermde, blauw(grijs)groene, stekelige plant, die groeit in de duinen, in de zeereep en op omgewerkte plaatsen bij bebouwing. Ze wordt 30 tot 60 cm hoog en groeit in pollen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Blauwe zeedistel bloeit vanaf juni tot en met augustus met paarsblauwe (soms witte) bolvormige tot eironde hoofdjesachtige schermen (hoofdje). Onder het hoofdje zit een kraag van 4 tot 6 brede, stijve, gestekelde schutbladen en onder elke bloemetje in het hoofdje zit een enkel schutblad met drie lange, stekelige tanden, die je goed voelt als je het hoofdje aanraakt. De vergroeide kelkbladen zijn groen, de kroonbladen van jonge bloemen zijn paarsblauw. Later verbleken ze. De helmdraden zijn ook paarsblauw en steken buiten de bloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladranden en nerven zijn wittig, naar boven soms paarsblauw aangelopen net als de stengels. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste stengelomvattend. Alle bladeren zijn gestekeld.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Een vergelijkbare soort is kruisdistel. Beide soorten verschillen op een aantal punten duidelijk van elkaar, maar het meest in het oog springende verschil is de kleur. Kruisdistel is bleekgroen en nooit blauw aangelopen, blauwe zeedistel is blauw(grijs)groen en vaak naar boven toe paarsblauw verkleurd.

 

 

kruisdistel

 

 

 

Algemeen

 

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– paarsblauw
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje
– 1,5 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand
– bovenste stengelomvattend
– onderste gesteeld
– hand- en netnervig
– blauwgroen

Stengel
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duizendblad : Achillea millefolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de brede, platte schermen, die bestaan uit talrijke witte of roze bloemhoofdjes met 5 straalbloemen en kleiner dan 7 mm en
– de dubbel geveerde, donkergroene, geurende bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Duizendblad is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 15 tot 50 cm hoog. Ze heeft ondergrondse uitlopers en kan zo hele grote bestanden vormen. Ze groeit op vochtige tot droge, omgewerkte, grazige grond. Maaien wordt goed verdragen, want uit de ondergrondse wortels schieten voortdurend nieuwe bloeiende en niet bloeiende stengels omhoog.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Duizendblad bloeit vanaf juni tot en met november met veel kleine witte, soms roze bloemhoofdjes, die bestaan uit (meestal) 5 straalbloemen en in het midden een aantal buisbloemen. De bloemhoofdjes staan samen in een brede, volle, platte, schermachtige bloeiwijze aan het einde van de stengel of zijstengels.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bovengrondse delen bevatten vluchtige olie, bitterstof, looistoffen en flavonoïde. Duizendblad bevordert de spijsvertering en heeft een krampstillende en ontstekingsremmende werking. In de volksgeneeskunde wordt ze uitwendig toegepast bij huidaandoeningen en verwondingen, vanwege de bloedstelpende werking. Voordat hop werd gebruikt bij de bierbereiding, gebruikte men duizendblad. Ook werden vroeger de blaadjes als groente gegeten of in de soep gedaan. Haar naam heeft duizendblad natuurlijk gekregen vanwege de in veel kleine slippen verdeelde bladeren.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilde bertram is het makkelijkst te onderscheiden van duizendblad door de bladvorm. Duizendblad heeft dubbel geveerde bladeren, terwijl wilde bertram ongedeelde bladeren heeft. Daarnaast zijn de bloemhoofdjes van wilde bertram groter en minder talrijk per scherm en hebben ze meer witte straalbloemen. Duizendblad heeft per hoofdje meestal maar 5 straalbloemen.

 

 

wilde bertram

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 15 tot 50 cm

Bloem
– witte, soms roze, straalbloemen
– geel of grijswitte buisbloemen
– vanaf juni t/m november
– scherm
– 3 tot 6 mm

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel geveerd
– top spits
– rand gezaagd of getand
– voet gevleugeld
– veernervig
– bovenkant behaard
– onderste bladeren gesteeld
– bovenste bladeren enigszins   stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– wollig behaard
– alleen bovenaan vertakt
– rolrond of meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brede lathyrus : Lathyrus latifolius

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Brede Lathyrus, Montenach

 

 

Goed te herkennen aan
– de rozerode tot helder roze vlinderbloemen met brede vlag en
– de uit 2 deelblaadjes bestaande, gerankte, blauwgroene bladeren
– en de gevleugelde, blauwgroene stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Brede lathyrus is een overblijvende plant oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa. In de Lage Landen wordt ze aangeboden als tuinplant. Vanuit tuinen is ze verwilderd (via tuinafval) en kan zich hier en daar goed handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met opvallende, grote, aangenaam ruikende vlinderbloemen, die in lang gesteelde trossen van 5 tot 15 bloemen staan. De vlag en zwaarden zijn gelijk van kleur, rozerood tot helder roze, zelden wit. De kiel is wit.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren hebben een gevleugelde bladsteel en bestaan uit twee elliptische tot lancetvormige deelblaadjes met daar tussen een vertakte rank. De deelblaadjes hebben 5 parallel lopende nerven (onderling verbonden door middel van kleinere nerven), zijn 1 tot 4 cm breed en 4 tot 12 cm lang. Zowel de bladeren als gevleugelde stengels zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

aardaker : stengel kantig en niet gevleugeld, hele bloem rozerood tot helder rood.
boslathyrus : vleugels bladsteel 0,5 tot 1,8 mm, gevleugelde stengel, vlag roze, zwaarden roodpaars, kiel geelgroen.
brede lathyrus : vleugels bladsteel 2 tot 4 mm, gevleugelde stengel, vlag en zwaarden rozerood tot helder roze en witte kiel.

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– rozerood tot helder roze, soms wit
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– (15) 20 tot 30 mm breed
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– elliptisch tot lancetvormig
– top stomp met kort spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallel- en netnervig
– rank
– vleugels bladsteel (1,5-) 1,8 – 4 mm

Stengel
– liggend of klimmend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauwe monnikskap : Aconitum napellus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

geheel3-g

 

 

Goed te herkennen aan
– de helmvormige, blauwe of paarsblauwe bloemen in
– een rijkbloemige tros aan het einde van een rechte, stevige stengel

 

 

aconitum

 

 

 

Algemeen

 

Blauwe monnikskap behoort niet tot de inheemse flora van ons land. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit de bergen van West- en Midden-Europa. Ze wordt bij ons gekweekt als tuinplant en kan na verwildering lang standhouden. Ze bloeit vanaf juni tot en met september. Ze groeit op zonnige tot beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De kort behaarde bloemen zijn blauw of paarsblauw, soms met wit en staan aan het einde van de rechte, stevige stengel in rijkbloemige, rechte trossen. Het bovenste bloemdekblad is helmvormig, breder dan hoog. Bij diverse cultivars, die allen tuinmonnikskap genoemd worden, is het helmvormige blad hoger dan breed. Evenals bij gele monnikskap zit de nectar bovenin het helmvormige blad in 2 lang gesteelde honingreservoirs (nectariën). Per bloem ontstaan meestal 3 kokervruchten.

 

 

 

 

 

gele monnikskap

 

 

 

Blad

 

De glanzende bladeren zijn lang gesteeld, onbehaard en handvormig gespleten in 5 tot 7 lijnvormige slippen van ± 0,5 cm breed. De bovenkant is donkergroen, de onderkant is lichter. Naar boventoe worden de bladeren kleiner.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hoewel blauwe monnikskap zeer giftig is, werd ze vroeger gebruikt voor medicijnen tegen jicht, zenuwpijnen, artritis, reuma en mazelen. Zelfs een kleine beetje van de gifstof kan binnen korte tijd de dood veroorzaken. Na aanraking is het verstandig de handen te wassen, omdat de gifstof door de huid heen dringt. In de homeopathie is het een vaak gebruikt middel in acute situaties.

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– verwilderd, lang standhoudend
– 50 tot 150 cm

Bloem
– blauw, paarsblauw, soms met wit
– vanaf juni t/m september
– tros
– buisvormig
– 2 tot 4 cm hoog
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– 5 tot 7 delig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-blauwe-monnikskap

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne-kop-a4

Bosrank : Clematis vitalba

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke trossen roomwitte bloemen met lange meeldraden en
– houtige stengels tot 30 meter hoog

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosrank is een overblijvende, houtige klimplant die vrij algemeen voorkomt. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, kalkhoudende grond aan bosranden, in heggen en in struikgewas. Recent ook in plantsoenen en als bodembedekker op kribben langs de grote rivieren.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bosrank bloeit vanaf juni tot en met augustus met roomwitte bloemen. De bloemen vallen vooral op door de talrijke lange meeldraden. Ze staan in okselstandige en eindelingse trossen. Ze hebben vier, aan beide zijden viltig behaarde bloemdekbladen, die iets teruggeslagen staan, aan de top soms omgerold zijn en spoedig afvallen. De binnenkant van de bloemdekbladen is wit, de buitenkant groenig.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn samengesteld geveerd en bestaan 3 tot 5 glanzende deelbladeren. De bladstelen slingeren zich om takken en stengels van andere planten zodra ze ermee in contact komen. De stengels zijn houtig en kunnen een lengte van 30 meter bereiken. Ze gaan hangen, zodra ze de top van een boom of struik bereikt hebben.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheid

 

Bosrank is giftig en kan huidirritaties veroorzaken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen en toenemend
– tot 30 meter

Bloem
– roomwit
– juni t/m augustus
– tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits
– rand gaaf, gelobd of getand
– voet hartvormig
– netnervig
– glanzend
– rankende bladsteel

Stengel
– klimmend of hangend
– behaard en kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : Stachys sylvatica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze van in schijnkransen staande donker paarsrode lipbloemen en
– de breed eironde, behaarde, gesteelde bladeren (lijken op brandnetelbladeren)

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosandoorn is een overblijvende, bij kneuzing van de bladeren onaangenaam ruikende, behaarde plant van 50 tot 100 cm hoog, die bloeit vanaf juni tot en met augustus op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en aan heggen. Ze kan schaduw goed verdragen. Bosandoorn heeft ondergrondse uitlopers, waardoor ze woekert en grote bestanden kan vormen. Ze is algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een losse schijnaar aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De schijnaar bestaat uit een aantal schijnkransen van meestal 6 donker paarsrode bloemen. De bloemen zijn tweelippig. Onder de helmvormige bovenlip staan de vier meeldraden en de stijl. De 3-lobbige onderlip is groter en heeft een patroon van witte lijnen en vlekken (honingmerk).

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren lijken veel op brandnetelbladeren; zonder bloemen lijkt bosandoorn op brandnetel. De bladeren zijn behaard, breed eirond met een hartvormige voet, spitse top en lange steel. De bovenste bladeren zijn wat minder breed, wel eirond en de steel is korter. De stengels zijn vaak boven het midden vertakt en roodachtig.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vroeger werd bosandoorn gebruikt vanwege wondhelende, krampopheffende en zweetdrijvende eigenschappen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Betonie : helder roze bloemen, bladeren langwerpig met hartvormige voet, zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Stinkende ballote : lichtpaarse bloemen, bladeren eirond met afgeronde voet, zeldzaam voorkomend, sterk ruikend.

 

 

 

 

 

Akkerandoorn : bleekroze bloemen, zelden wit, vrij tot zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : donker paarsrode bloemen, alle bladeren eirond met hartvormige voet en gesteeld, sterk ruikend

 

 

 

 

 

 

Moerasandoorn : roze bloemen, bovenste bladeren zittend en langwerpig.

 

 

 

 

 


Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 50 tot 100 cm

Bloem
– donker paarsrood
– vanaf juni t/m augustus
– schijnkrans
– lipbloem
– 12 tot 18 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– scherp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bont kroonkruid : Securigera varia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de wit/roze bolvormige bloeiwijze en de rijke bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bont kroonkruid is een overblijvende giftige plant van 30 tot 120 cm hoog, die zeldzaam is en voornamelijk te vinden is in de duinen en in stedelijke gebieden. Bont kroonkruid komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en is van daaruit verspreid naar West- en Noord-Europa. Inmiddels is de plant een geaccepteerde inheemse soort. Je vindt haar op matig vochtige, kalkrijke grond op dijkhellingen, langs wegen, spoorwegen en in de duinen. Behalve in het wild voorkomend wordt bont kroonkruid ook ingezaaid voor bodemverbetering, het tegengaan van erosie en als bermbeplanting.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met mooie wit/roze bolvormige 10- tot 20-bloemige schermen, die aan het einde van lange stelen staan. De schermen tonen op afstand roze, maar de individuele bloemetjes in het scherm bestaan uit drie kleuren: een donkerroze vlag, witte zwaarden en lichtroze kiel met donkere punt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bont kroonkruid heeft liggende en opstijgende stengels en kan daarmee grote stukken grond bedekken. De bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 12 paar deelblaadjes en een topblaadje. De ovale blaadjes zijn 6 tot 16 mm lang.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Hoewel bont kroonkruid giftig is, schijnt thee gezet van de plant verlichting te bieden bij astma en nerveuze hartklachten.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 30 tot 120 cm

Bloem
– roze en wit
– vanaf juni t/m september
– bolvormig scherm
– vlinderbloem
– 10 tot 15 mm
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1 nervig

Stengel
– liggend en opstijgend
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen