Tagarchief: geel

Lemon kwarts

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Lemon kwarts, ook wel lemon citrien genoemd, is een variëteit van kwarts of citrien welke licht of donker geel van kleur is met soms een groenige gloed, en waarbij oranje- of bruintinten ontbreken. Meestal wordt deze variëteit kunstmatig geproduceerd door amethyst en ijzer op hoge temperaturen te verhitten. Ook door bestraling van bergkristal kan een intense lichtgele kleur ontstaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

Etymologie

 

Lemon kwarts is vernoemd naar zijn kleur. Lemon is Engels voor citroen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Lemon kwarts wordt meestal geproduceerd met kwarts uit Brazilië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

Samenstelling: hoofdzakelijk SiO2 met sporen van Al en Fe

hardheid: 7

dichtheid: 2,65

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rode jaspis

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Kenmerken van rode jaspis

 

De rode variëteit van jaspis kan verschillende tinten rood tot roodbruin hebben, De steen is soms egaal rood, maar vertoont vaak vlekken of strepen. Rode jaspis kan een mooie tekening hebben, dankzij de verschillende kleurschakeringen. Een bijzonder soort is de brecciejaspis. Deze bestaat uit kleine fragmenten rode jaspis, die aan elkaar geklit zijn met kwarts.

Rode jaspis is een van de weinige edelstenen die je gewoon tijdens een wandeling kunt vinden op een grindpad, op het strand of in een zandverstuiving. De rode jaspis is geliefd voor ringen, hangers en kralen. En het is een van de belangrijkste heelstenen, die vooral voor de onderste drie chakra’s wordt gebruikt. De jaspis is meestal rood, maar kan ook geel, bruin of groen zijn.

.

.

 

jaspis

.

.

Herkomst van de naam

 

Het woord jaspis komt waarschijnlijk uit een Semitische taal in het Midden-Oosten. Het betekent ‘gespikkelde steen’. Een andere naam is silex. Dit is Latijn voor ‘vuursteen, kwarts’.

.

.

.

.

Door de eeuwen heen

 

Jaspis werd in de Oudheid voor de moeder van alle edelstenen gehouden. De edelsteen wordt genoemd in La-tijnse, Griekse en Hebreeuwse geschriften. Ook documenten van de oude Indusbeschaving (ca 3300-1300 v.Chr.) verwijzen naar deze steen. Jaspis was een geliefkoosd materiaal voor kleine amuletten, sieraden, versiering van het heft van wapens. In het Stenen Tijdperk werden wapens, sieraden en gebruiksvoorwerpen vervaardigd van ro-de jaspis. Er zijn Babylonische rolzegels van rode jaspis gevonden. De oudsten worden geschat op ongeveer 4000 jaar oud. Met je persoonlijk rolzegel gaf je in die tijd je akkoord voor een transactie (vergelijkbaar met je handte-kening nu).

In Egypte sneed men graag scarabeeën uit rode jaspis. Deze amuletten moesten beschermen tegen enge ziektes, heksen en demonen en rampspoed. Scarabeeën die aan doden meegegeven werden, moesten hun eigenaar beschermen tegen onheil in het dodenrijk. Er zijn rode jaspis-amuletten van slangenkoppen gevonden; zo’n slangenkop moest beschermen tegen slangenbeten.

In de Middeleeuwen was de rode jaspis een echte mannensteen. Vanwege de rode kleur werd hij verbonden met Mars, de oud-Romeinse oorlogsgod. Wapens versierd met rode jaspis zouden de kracht en moed van de eigenaar aanmerkelijk versterken. Het zwaard Balmung van Siegfried uit de Nibelungensage had volgens de legende een heft bezet met jaspis. In de Middeleeuwen geloofde men dat een amulet van rode jaspis je scherp van gedachten en snel van actie maakte. Daarnaast zou dit amulet beschermen tegen pech, onheil en onnodige risico’s. Ook in deze tijd was de rode jaspis een geliefde steen voor zegelringen, kralen en sieraden.

De Duitse mystica Hildegard von Bingen (1098-1179) gebruikte graag rode jaspis tegen een groot aantal kwalen en problemen, waaronder beten van insecten, spinnen en slangen, vallende ziekte en maanziekte. Door tijdens het baren een stuk rode jaspis vast te houden, zou de moeder zichzelf en haar kind beschermen tegen boze gees-ten. De Amerikaanse Indianen gebruikten de rode jaspis in rituelen om regen op te roepen. De steen stond bij hen te boek als regenbrenger.

.

.

jaspis rood 2

.

.

2427-Rode-jaspis-engel-nr.6-46x32x17mm-31-gram-1

.

.

Spiritueel

 

* Rode jaspis maakt vasthoudend, doelgericht en wilskrachtig.
* De rode jaspis versterkt de creativiteit, ondersteunt de groei van geesteskinderen. Latent aanwezige talenten en vaardigheden komen tot bloei met rode jaspis, inclusief intuïtie en visionaire gaven.
* Rode jaspis vergemakkelijkt uittredingen en reizen naar andere dimensies. De edelsteen helpt om weer veilig terug te keren.
* Rode jaspis vergroot de liefde voor de medemens en de bereidheid om iets voor anderen te betekenen.
* Rode jaspissoorten helpen negatieve energieën af te vloeien en positieve energieën aan te trekken.
* Jaspis maakt eerlijk en oprecht (ook naar jezelf!).
* Rode jaspis helpt moeilijke situaties te hanteren en vervelende taken uit te voeren.
* Rode jaspis helpt bij het verwerken van oude trauma’s en verdriet

.

.

.

.

Chemische samenstelling

 

 

De rode kleur wordt veroorzaakt door ingesloten ijzeroxide. Rode jaspis kan overgaan in andere kleuren jaspis. De steen kan vlekken of strepen in allerlei kleuren vertonen. Dat is meestal witte kwarts of een andere kleur jaspis.

 

Samenstelling: SiO2 + Fe2O3 of Fe3O2
Hardheid: 6,5 – 7
Glans: mat, vetglans, glasglans
Transparantie: ondoorzichtig
Breuk: schelpvormig, ruw
Splijtbaarheid: geen
Dichtheid: 2,58 – 2,91
Kristalstelsel: trigonaal, microkristallijn

.

.

.

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

John Astria

John Astria

Vertakte leeuwentand : Leontodon autumnalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben en
– de smalle eindslip van de bladeren en
– de vertakte, bladerloze bloeistengels, die onder het hoofdje iets verdikt zijn

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Vertakte leeuwentand is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 7 tot 45 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen op vochtige, voedselrijke, soms brakke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juli tot en met oktober. Ze bloeit met paardenbloem-achtige bloemhoofdjes van 2 tot 3,5 cm, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben. De bloem- hoofdjes zijn geel,  staan aan het einde van de kale of weinig behaarde stengel en zijstengels, en vormen samen een losse pluim. Onder het hoofdje is de bloeistengel iets verdikt. De overgang tussen stengel en omwindsel is geleidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan in een rozet aan de voet van de stengel. Ze blijven ’s winters groen, zijn langwerpig tot lancetvormig, kaal tot weinig behaard en bochtig getand tot veervormig gedeeld met lange smalle eindslip. De overige slippen zijn eveneens smal en staan ver uit elkaar. De bladeren hoger aan de stengel (niet de bloei-stengel) zijn lijnvormig met gave rand. De bloeistengel heeft geen bladeren; wel vrij veel schubvormige bladeren vooral aan het bovenste gedeelte.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Vertakte leeuwentand lijkt veel op gewoon biggenkruid. Het duidelijkste verschil is de bladtop; bij gewoon biggenkruid is de top breed driehoekig, bij vertakte leeuwentand smal langwerpig. Daarnaast verschilt de kleur van de onderkant van de buitenste lintbloemen; bij gewoon biggenkruid zijn ze blauwachtig grijs, bij vertakte leeuwentand rood. Ruige en kleine leeuwentand hebben allebei knikkende knoppen en een onvertakte stengel. Vertakte leeuwentand behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

gewoon biggenkruid

 

 

 

kleine leeuwentand

 

 

 

ruige leeuwentand

 

 

.

In totaal bestaat de groep uit 39 soorten. Ze zijn te verdelen in twee groepen :

 

– de groep met minimaal 2 volwaardige bladeren aan de bloeistengel; zie de pagina “Sleutel gele composieten met blad“.

– de groep met een kale bloeistengel of met hooguit 1 blad of een aantal schubvormige bladeren. Hiertoe behoort vertakte leeuwentand. Zie de pagina “Sleutel gele composieten zonder blad

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 7 tot 45 cm

Bloem
– gele lintbloemen
– vanaf juli t/m oktober
– hoofdjes in een pluim
– 2 tot 3,5 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– veervormig gedeeld
– top stomp
– rand gaaf of bochtig getand
– voet steelachtig versmald
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal of weinig behaard
– rolrond en gegroefd
– vertakt

zie wilde bloemen

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

De Carneool

Standaard

categorie : sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Kenmerken van carneool

 

Carneool is een doorzichtige kwartssoort die meerdere tinten kan hebben, van geel tot oranje tot bruin. Eenkleu-rige carneool is moeilijk te vinden. Zie je steentjes van een paar centimeter of groter met één kleur, dan is de kans groot dat het gaat om geverfde of gebrande chalcedoon.

.

.

.

.

 

Door de eeuwen heen

 

Carneool werd bij de Oude Egyptenaren (vanaf ongeveer 3300 v.Chr.) zeer gewaardeerd en gebruikt als be-schermsteen en als helende steen, een steen die zou helpen tegen bloedarmoede en hevig bloedende wonden zou stelpen. Door het warme Egyptische klimaat werd carneool vaak erg rood, waardoor hij nog meer met bloed werd geassocieerd. Men noemde carneool ‘Bloed van Isis’. Isis is de Egyptische godin van vruchtbaarheid, leven en de dood. Zij heeft een gordel van carneool. Kleine amuletten van carneool, meegegeven aan de doden, zouden helpen om de ziel van de dode veilig te laten reizen naar het dodenrijk.

In het Oude Mesopotamië (ongeveer gelijktijdig met het Oude Egypte) werd carneool gebruikt als helende steen bij klachten aan bloed en spieren, en bij ontstekingen. Carneool was geliefd in zegelringen of zegelrollen, omdat was gemakkelijk loslaat van deze steen. Er zijn vele zegelringen en zegelrollen teruggevonden, in zowel Egypte en Mesopotamië als het Oude Griekenland en het Romeinse Rijk. Op de foto links een schitterende intaglio met carneool uit de 1ste eeuw v. Chr.

De Oude Grieken en Romeinen hielden erg van ringen met carneool. Ze verwerkten liefst de wit-oranje en wit-bruine exemplaren – dat is carneool die overgaat in zuiver kwarts – tot fraaie cameeën (steen met verhoogde afbeelding) en intaglio’s (steen met verzonken afbeelding). Een sieraad of zegelring met carneool zou bescher-men tegen pech en ongelukken. De vrouwen vlochten carneolen kralen in hun haar of droegen haarbanden met carneool. Rode stenen zoals carneool zouden goed helpen bij bloedende wonden en ontstekingen. Men zag rode carneool als zinnebeeld voor de helende en verwarmende werking van de zon. De verschillende tinten carneool werden geïmporteerd uit Mesopotamië, Sri Lanka en India.

In het islamitische Midden-Oosten werden gebeden vanouds in carneool gegraveerd; dat zou een krachtige be-scherming bieden tegen elk mogelijk onheil. Al eeuwen gebruiken boeddhistische monniken in Tibet carneool als helende steen tegen hoofdpijn. De Duitse mystica Hildegard van Bingen (1098-1179) maakte de carneool bekend in Europa. Ze gebruikte trouwens de naam sarder. In de Middeleeuwen gebruikten Europeanen de steen niet al-leen als amulet tegen onheil en ongelukken. Ze gebruikten carneool ook als helende steen bij hoofdpijnen en neusbloedingen, en om het bloeden van gapende wonden te stelpen.

In de 18e eeuw meende men dat een man die een ring met carneool droeg, onweerstaanbaar zou zijn voor vrouwen. De oranjerode variant van carneool is het bekendst. De naam sarder wordt wel gebruikt voor de wat minder doorzichtige, bruinere variant van carneool. De steen wordt ook wel kornalijn genoemd, naar de bruinrode Kornoelje kers. Andere namen zijn bloedagaat en vleesagaat. Een handelsnaam voor oranjerode carneool is sardoliet.

Carneool is een geliefde sier- en heelsteen. Er worden cabochons, kralen en fraaie hangers van gemaakt.
Carneool (vooral de oranje) is een opwekkende en vrolijk makende steen. De vermoeiden krijgen meer energie met carneool. De steen maakt pragmatisch en praktisch, en is goed voor mensen met concentratieproblemen.

.

.

.

.

ruw

.

.

Spiritueel

 

* Carneool heelt de aura. Stress kan gaten slaan in de aura, maar carneool lost stress en problemen op.
* Carneool maakt kalm, doelbewust en pragmatisch. Eenmaal iets begonnen, wordt afgemaakt en tot een goed einde gebracht.
* Je voelt je dankzij carneool onderdeel van een groter geheel en verantwoordelijk voor de gemeenschap. Idealisme en goede doelen worden heel normaal.
* Carneool helpt je leven en dood te accepteren zoals die komen. Carneool laat je angst voor de dood verdwijnen.
* De rode carneool geeft energie, maakt actief, flexibel en verdraagzaam.
* De oranje carneool geeft – nog sterker dan de andere tinten carneool – levensvreugde en plezier, maakt luchtiger en vrolijk, geeft een gevoel van eigenwaarde.
* De gele carneool heeft de sterkste werking op familiebanden en het gevoel bij elkaar te horen.

.

.

carnelian

.

.

.

.

ruw

.

.

Chemische samenstelling

 

Carneool kan verschillende kleuren hebben: geel, oranjerood, donkerrood, bruinrood, donkerbruin. De verschil-lende kleuren zijn afhankelijk van de temperatuur waaronder de steen ontstaat en hoeveelheid ingesloten water. De pure carneool is een geel tot oranje kwarts die water bevat (hydroxide), en die ontstaat bij lagere temperatu-ren. Bij hogere temperaturen verdwijnt het water en wordt de kleur roodbruin tot bruin (oxide), Dit proces van vochtverlies (door verhitting) kan natuurlijk ook kunstmatig een hydroxide in een oxide veranderen. De kleur varieert afhankelijk van de oxidatietoestand van het ijzer.

Vaak toont de steen ook witte lijnen of vlakken. Op die plekken gaat carneool over in zuivere kwarts (chalcedoon). Soms bevat carneool ook zwarte vlekken. Dat is onyx, kwarts met ingesloten koolstof. De steen is duidelijk ver-want met agaat; houd je carneool tegen het licht, dan zie je vaak de randen en banden die zo kenmerkend zijn voor agaat.

.

.

Samenstelling: Ca SiO2 + (Fe, O, OH) + Fe2+ (geel), SiO2 + (Fe, O, OH) + Fe3+ (oranje, rood tot bruin)
Hardheid: 7
Glans: glasglans
Transparantie: doorzichtig, doorschijnend
Breuk: ruw, schelpvormig
Splijtbaarheid: geen
Dichtheid: 2,58 – 2,65
Kristalstelsel: trigonaal

.

.

.

.

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

John Astria

John Astria

 

Clinochloor

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Clinochloor is een groep edelstenen welke groen, grijs, geel, paars, wit of kleurloos kunnen zijn. Een aantal varian-ten van clinochloor zijn serafiniet  (diep groen met zilverkleurige patronen die het licht weerkaatsen en dus een glanzend effect geven), kammereriet (paars), cookeiet en chloriet.

 

 

chlinochloor ruw

 

 

 

clinochloor bewerkt

 

 

 

 

serafiniet ruw

 

 

 

serafiniet bewerkt

 

 

 

 

kammereriet ruw

 

 

 

 

hanger kammereriet

 

 

 

 

cookeiet ruw

 

 

 

 

kwarts met cookeiet

 

 

 

 

chloriet ruw

 

 

 

 

chloriet bewerkt

 

 

 

Etymologie

 

Clinochloor komt van de Griekse woorden klino, wat schuin, en chloros, wat groen betekent.

 

 

clinochloor grijs

 

 

 

clinochloor paars

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

Samenstelling: (Mg,Fe++)5Al(Si3Al)O10(OH)8

hardheid: 2- 2,5

dichtheid: 2,55 – 2,75

 

 

chloriet in kwarts

 

 

 

chloriet in bergkristal

 

 

 

 

 

 

Bostulp : Tulipa sylvestris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

.

.

bostulp

.

.

Goed te herkennen aan

.
– de opvallende, gele, tulp-achtige bloemen, waarvan
– de buitenste drie bloemdekbladen aan de buitenkant groenig zijn

.

.

.

.

Algemeen 

.

Bostulp is een overblijvend, zeer zeldzaam bolgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid- en Zuidoost-Europa. Ze behoort tot de stinsenplanten en je vindt haar dan ook voornamelijk op buitenplaatsen, bij oude huizen en op kerkhoven. Ze is ook te koop als tuinplant. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, kleiige grasgrond. In de schaduw zal ze nauwelijks tot bloei komen. De bollen vormen ondergronds lange uitlopers, waar aan de top een nieuw bolletje wordt gevormd.

.

.

baronfoto_342

.

.

Bloemen

.

Bostulp bloeit in april en mei met alleenstaande, geurende, gele, voor het opengaan knikkende bloemen, die 6 toegespitste bloemdekbladen hebben; drie smalle buitenste bladen, die aan de buitenkant groenig geel zijn en later naar buiten krullen en drie bredere, aan de voet gewimperde binnenste bladen, die zowel aan de binnen- als aan de buitenkant geel zijn.

.

.

.

.

Bladeren

.

’s Nachts en bij regenachtig weer sluiten de bloemen zich en gaan hangen om het stuifmeel te beschermen. De bloemsteel is kaal en rond en draagt 2 of 3 lange, lancetvormige, blauwgroene bladeren. Niet bloeiende bollen hebben maar 1 blad. Spitten, ploegen en schoffelen schijnt een gunstige uitwerking op de bloei te hebben. Vaak bloeien de bollen daarna zeer uitbundig.

.

.

.

.

Algemeen

– leliefamilie (Liliaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam
– 20 tot 50 cm

Bloem
– geel
– april en mei
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 7 tot 8 cm
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wildebloemen

.

.

.

..

3d-gouden-pijl-5271528

..

.

John Astria

Viltig kruiskruid : Jacobaea erucifolia

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

.

.

.

.

Goed te herkennen aan

.
– de gele “kruiskruid” bloemen en
– de tot dubbel geveerde vlakke bladeren met omgerolde randen en
– de viltige beharing, die later op de bovenkant verdwijnt

.

.

.

.

Algemeen

.

Viltig kruiskruid is een overblijvende plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze komt algemeen voor op in de Lage Landen. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende, grazige grond, vooral op beplante dijken en aan slootkanten.

.

.

.

.

Bloem

.

De bloeiperiode is vanaf eind juli tot en met september. Ze begint later te bloeien dan jakobskruiskruid. De gele bloemhoofdjes bestaan uit buisbloemen (in het hart) en 12 tot 15 straalbloemen. Een enkele keer ontbreken de straalbloemen. De hoofdjes staan in schermvormige pluimen. De omwindselbladen hebben meestal geen zwarte top, die van de bloemhoofdjes van jakobskruiskruid wel.

.

.

.

.

Blad en stengel

.

De bladeren zijn tot dubbel geveerd en spinnenwebachtig behaard. De beharing aan de bovenkant verdwijnt later. De bladslippen staan in 1 vlak en de bladrand is iets omgerold. De bladeren van jakobskruiskruid zijn ook tot dubbel geveerd, maar vaak gekroesd, niet behaard en hebben geen omgerolde rand. De stengels zijn groen, soms rood, boven het midden vertakt en evenals de bladeren spinnenwebachtig behaard. Ook die beharing verdwijnt.

.

.

.

.

.

.

Herkennen vergelijkbare kruiskruiden
bezemkruiskruid : blad vlezig en zeer smal

jacobskruiskruid : omwindselbladen met zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

viltig kruiskruid : omwindselbladen zonder zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

duinkruiskruid : zonder straalbloemen / blad (dubbel) geveerd

waterkruiskruid : blad met grote eindslip (ongeveer de helft van het blad) / blad (dubbel) geveerd

schaduwkruiskruid : tanden bladrand opzij gericht / blad langwerpig

rivierkruiskruid : tanden bladrand naar de top gericht / blad langwerpig

moeraskuiskruid : onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht / blad langwerpig

.

.

.

bezemkruiskruid

.

.

jacobskruiskruid

.

.

duinkruiskruid

.

.

waterkruiskruid

.

.

schaduwkruiskruid

.

.

rivierkruiskruid

.

.

moeraskruiskruid

.

.

Algemeen

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf eind juli t/m september
– hoofdjes in schermvormige pluimen
– lint- en straalbloemen
– 12 tot 15 mm
– omwindselblaadjes meestal zonder   zwarte punt

Blad
– vespreid
– tot dubbel geveerd
– top spits
– rand gaaf en omgerold
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, later kaal
– gesteept
– gegroefd

zie wilde bloemen

.

.

.

.

.

.

Watergentiaan : Nymphoides peltata

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de goudgele, gewimperde bloemen
– de kleine, ronde, drijvende bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Watergentiaan is een zout mijdende, overblijvende waterplant, die groeit in stilstaand of zwak stromend, voedselrijk, zoet water in rivierlopen, plassen, kanalen en sloten, vooral op klei. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juli tot en met september. Ze bloeit met goudgele bloemen, die boven het water uitsteken. Ze blijven slechts enkele uren open en dan nog alleen bij helder zonnig weer. De kroonbladen hebben een brede donkerder middenstreep en zijn aan de rand gewimperd.

 

 

 

 

 

Blad

 

De drijvende bladeren zijn nagenoeg rond met een diepe insnijding, waar de steel zit. Ze worden zelden groter dan 10 cm.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– watergentiaanfamilie (Menyanthaceae)
– overblijvend
– algemeen tot ontbrekend
– 90 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 3 tot 5 cm
– 5 kroonbladen
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– rond
– top stomp
– rand gegolfd
– voet hartvormig
– netnervig
– drijvend

Stengel
– rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

Johachidoliet

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Johachidoliet is een calcium-aluminium-boraat. Het mineraal kan licht doorschijnend zijn en is wit tot geel van kleur, met een glasachtige glans.

 

 

 

 

 

 

Etymologie

 

Johachidoliet is vernoemd naar de oorspronkelijke vindplaats, Johachido in Noord-Korea.

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Johachidoliet wordt tegenwoordig nog gevonden in Myanmar (Birma).

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: CaAlB3O7

hardheid: 7,5

dichtheid: 3,4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schermhavikskruid : Hieracium umbellatum

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemenhoofdjes, die
– vaak schermvormig gegroepeerd staan en
– de stengels met veel, zeer smalle, weinig getande bladeren en
– de aan de top naar buiten gebogen omwindselblaadjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Schermhavikskruid is overblijvende plant van 10 tot 120 cm hoog, die groeit op min of meer voedselrijke zandgrond in lichte bossen, (licht beschaduwde) bermen en in de duinen. Ze komt algemeen voor in de Lage Landen en in de duinen langs de gehele kust. Elders is ze aangevoerd met duinzand.

 

 

 

 

Bloem

 

Schermhavikskruid bloeit vanaf juli tot in de herfst. Ze bloeit met paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, die vaak schermvormig of in 2 boven elkaar staande kransen aan het einde van de stengel gegroepeerd staan. Ken- merkend voor schermhavikskruid zijn de naar buiten omgebogen toppen van de onderste en middelste omwindselblaadjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kort behaarde stengels zijn rijk bebladerd met zeer smalle, weinig getande, kort behaarde bladeren. De rozetbladeren zijn in de bloeitijd verdord.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn een aantal havikskruiden, die je op het eerste gezicht zou kunnen verwarren met schermhavikskruid. De uitstaande top van de onderste en middelste omwindselblaadjes is kenmerkend voor schermhavikskruid.

Schermhavikskruid behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

.

In totaal bestaat de groep uit 39 soorten. Ze zijn te verdelen in twee groepen :

 

– de groep met minimaal 2 volwaardige bladeren aan de bloeistengel; hiertoe behoort schermhavikskruid.
Zie de pagina “Sleutel gele composieten met blad“.

– de groep met een kale bloeistengel of met hooguit 1 blad of een aantal schubvormige bladeren.
Zie de pagina “Sleutel gele composieten zonder blad“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli tot in de herfst
– hoofdje
– alleen lintbloemen
– 2 tot 3 cm
– schermvormige pluim of 2 kransen
– stijlen geel

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig
– top spits
– rand gaaf of verwijderd getand
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– kort, zacht behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.