categorie: Religie/video/Openbaring
Bijbel College Openbaring deel 3
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
Psalm 55: 18 >’s Avonds en ’s morgens en ’s middags kan ik niet anders dan van bezorgdheid blijk geven en ik kreun, En hij hoort mijn stem.
Numeri 28:1-2> verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn spijze voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult gij waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd.
.
.
.
De metten (matutinae) maken deel uit van het getijdengebed in de Rooms-Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerk. Het woord ‘metten’ komt van het Latijnse woord ‘matutinum’, dat ‘ochtend’ betekent, maar de metten worden meestal ’s nachts of in de zeer vroege ochtend gebeden. Het aanvangstijdstip varieert van ongeveer 3.45 uur tot 6.15 uur. Omdat ze vaak ’s nachts gebeden worden, gebruikt men tegenwoordig de term vigilie (“wake”).
De lauden (laudes) vormen het ochtendgebed van het Heilig Officie of getijdengebed. Het woord lauden is een vernederlandsing van het Latijnse laudes, het meervoud van laus wat lof of lofprijzing betekent.
De priem is een vastgestelde gebedstijd in het traditionele getijdengebed. De priem (of in het Latijn ‘prima’) wordt meestal rond zes of zeven uur ’s ochtends gebeden. In de vernieuwde liturgie van na het Tweede Vatikaans Concilie is de priem komen te vervallen.
De terts is een van de kerkelijke getijden, een van de kleine getijden. Het staat voor het derde uur, dat vroeger varieerde omdat de uren ’s winters korter waren dan ’s zomers. Tegenwoordig wordt de terts meestal gebeden rond negen uur ’s morgens.
De sext is een van de kerkelijke getijden. De sext is een van de zogeheten kleine getijden. Het woord sext staat voor het zesde uur (Latijn: sexta hora), dat vroeger in lengte varieerde, omdat de uren ’s winters korter waren dan ’s zomers. Tegenwoordig wordt de sext meestal gebeden rond twaalf uur ’s middags.
De none (afgeleid van ‘negende’ in het Latijn) is een van de kerkelijke kleine getijden. Het staat voor het negende uur, dat vroeger varieerde omdat de uren ’s winters korter waren dan ’s zomers. Tegenwoordig wordt de none meestal gebeden rond drie uur ’s middags.
Het officie van de none begint zoals de meeste getijden met de aanroep:
De vespers (of het avondgebed) behoren tot de getijden in de kerk en worden gebeden om 17-18 uur. Het woord komt uit het Latijn, van vespera dat avond betekent. In enkele protestantse kerken wordt de term ‘vespers’ gebruikt als aanduiding voor een avonddienst.
De completen vormen het laatste getijdengebed van de dag. Het woord is afkomstig van het Latijnse completorium dat afronding betekent of complere = vullen. Het stamt uit de 6e eeuw.
Het koorgebed van priesters noemt men breviergebed. Het boek waaruit priesters de getijden bidden heet brevier. Het middeleeuwse getijdenboek was bestemd voor de persoonlijke devotie van leken.
.
.

Maria en de Rozenkrans
Repetitieve gebeden en gebedssnoeren hebben voorchristelijke wortels. In het christendom gebruikten de woestijnvaders in de derde eeuw al geknoopte gebedstouwen bij het Jezusgebed. Dat bestaat uit de herhaling van één gebedszin: Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar (of variaties daarvan).
Het bidden van 150 Onze Vaders (in het Latijn Pater noster) en later weesgegroetjes ontstond waarschijnlijk in de abdijen. Monniken die geen Latijn kenden, hadden zo een alternatief voor het psalmgebed. De vader van het kloosterleven, Benedictus (480-547), schreef in zijn regel voor dat monniken wekelijks de 150 psalmen zouden bidden of zingen. Zo rond de 10e eeuw sprak men dan ook van het psalmengebed ter ere van Maria.
De praktijk om te mediteren over het leven van Jezus tijdens de rozenkrans wordt toegeschreven aan de kartuizermonnik Dominicus van Pruisen (1382–1461).
De eerste historische aanwijzingen voor de moderne rozenkrans dateren van ca. 1460. Toen begon de dominicaan Alanus de Rupe (Alain de la Roche, 1428-1475) geïnspireerd door een visioen de rozenkrans te promoten in de vorm van 15 tientjes van telkens één Onze Vader en 10 weesgegroeten. Volgens Alanus werd de rozenkrans aan de Kerk geschonken door de stichter van de dominicanenorde Sint Dominicus (1170-1221). Maar daar zijn geen historische bronnen voor.
Zeker is dat paus Pius V (een dominicaan) in zijn bul Consueverunt Romani Pontifices van 1569 de rozenkrans goedkeurde en zijn vaste vorm gaf. Sindsdien hebben veel pausen de rozenkrans aanbevolen.
De vorm van de rozenkrans bleef onveranderd tot 2002. Toen voegde paus Johannes Paulus II 5 mysteries van het licht toe over het openbare leven van Jezus. De apostolische brief waarin hij dat deed, Rosarium Virginis Mariae, is een boeiend (maar niet zo makkelijk leesbaar) document voor wie zich in de spiritualiteit van de rozenkrans wil verdiepen.
De vroegere paus wilde het verval omkeren waarin de rozenkrans was beland in de jaren 1970-85 vooral door het wegglijden van de aandacht van de mysteries van de rozenkrans. Daarom benadrukt hij ook de contemplatieve en meditatieve dimensie van het rozenkransgebed. Het gaat om de relatie met Jezus, naar het voorbeeld van Maria en met haar hulp.


.
Ende hi sal oerdelen die heyden, ende sal berispen vele volkes.
Ende si sullen smeden haer zwaerde inden ploechyseren,
ende haer speren inden zekelen.
Di lude en sullen ieghen die lude dat zwaert niet opheffen
noch voertmeer en sullen si hem niet meer oeffenen tot stride.
Jacobs huys, coemt ende wandelen wi in ons gods licht.
Het vlaams van de Delftse Bijbel is gemakkelijker te lezen dan het Westnederduits van de Keulse Bijbel.
Ende hey sall ordelen de heyden
ende sal berispen vele volckes
Ende sullen smeden ere swerde in plochiseren
ende ere speer in sichten
Dat volck en sal dat swert
tegen dat volck niet upheven
noch vortmeer en sullen se sich niet oeven toe striden
Jacobs huis kom ende wanderen wy in unses godes licht.
Tachtig jaar later leest de vernederlandste Luthertekst als volgt:
Ende hy sal rechten onder de heydenen,
ende straffen veel volcx.
Dan sullen sy haer sweerden tot ploechijsers,
ende haer spiessen tot seyssenen ende sickelen maken.
Want daer gheen volck zijn en sal,
dat deen mes teghen dat ander op heffe.
Ende sy en sullen voortaen niet meer leeren oorlooghen.
O ghy huys Jacobs coemt herwaerts,
laet ons wandelen int licht des Heeren.
De vrijere vertaling van Luther blijkt bijv. uit de vierde regel (zeisen en sikkels), uit het mes in regel zes en uit de meer omslachtige formulering van de laatste zin.
Vergelijk dit met de:
Ende hy sal richten onder de heydenen,
ende straffen vele volcken:
soo sullen sy hare sweerden tot ploechijseren,
ende hare spiessen tot sickelen maken:
want gheen volck en sal teghen het ander een sweert opheffen,
ende en sullen voortaen niet meer krijgen leeren.
Coemt ghy vanden huyse Jacobs, latet ons wandelen
in den lichte der Heeren.
De Statenvertaling sluit hier betrekkelijk dicht bij aan:
Ende hy sal richten onder de heydenen,
ende bestraffen vele volckeren;
ende sy sullen hare sweerden slaen tot spaden,
ende hare spiessen tot sickelen:
het [eene] volck en sal tegen het [ander] volck geen sweert opheffen,
noch sy en sullen geen oorloge meer leren.
Comt ghy huys Jacobs, ende laett ons wandelen
in den lichte des Heeren.
Vergelijk de spelling en het taalgebruik (bijv. zoals in regel zes) nu eens met een “moderne” Statenvertaling:
En Hij zal rechten onder de heidenen,
en bestraffen vele volken;
en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden,
en hunne spiesen tot sikkelen;
het (eene) volk zal tegen het (andere) volk geen zwaard opheffen,
en zij zullen geen oorlog meer leren.
Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen
in het licht des Heren.
En vergelijk dat nu weer eens met de Nieuwe Vertaling van het NBG:
En Hij zal richten tussen volk en volk
en rechtspreken over machtige natiën.
Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden
en hun speren tot snoeimessen;
geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen,
en zij zullen de oorlog niet meer leren.
Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des Heeren.
U ziet dat de ploegscharen (regel 3) weer terug zijn, maar de volken en heidenen (natiën) in regel 1 en 2 zijn van plaats verwisseld.
Ende hy zal de heydenen oordeelen
ende veel volken straffen
ende zy sullen hare swaarden versmeden tot ploeg-ijseren
ende hare lancien tot seijssenen
Volk tegen volk en salder geen swaart heffen
nog zy en sullen meer ten strijde geoeffent worden
Gy huys van Jacob komt ende laat ons wandelen in ’t licht des Heeren.
Vergelijk dit eens met de Statenvertaling uit 1637.
Hij zal tussen de volkeren scheidsrechter zijn,
en recht verschaffen aan machtige naties:
dan smeden ze hun zwaarden tot ploegijzers om,
en hun lansen tot sikkels;
geen volk trekt zijn zwaard meer tegen een ander,
en niemand oefent zich voor de strijd.
Op, huis van Jakob; laat ons wandelen in Jahweh’s licht!
Hier wordt de verbondsnaam Jahweh gebruikt in plaats van het in protestantse Bijbels gebruikelijke Heere.
Hij zal recht doen tussen de vele volken,
en machtige naties tuchtigen.
Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen
en hun speerpunten tot sikkels.
Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander
en de oorlog leren ze niet meer.
Huis van Jakob, komt,
laat ons wandelen in het licht van Jahwe.
Dit is duidelijk weer wat moderner
Hij zal rechtspreken
tussen machtige volken
en geschillen oplossen tussen talloze naties.
Dan smeden ze hun zwaarden om tot ploegscharen,
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk neemt nog de wapens op,
nooit meer bereidt men zich voor op de oorlog.
Nakomelingen van Jakob,
kom, laten we gaan,
de Heer verlicht onze weg.
De oproep in het laatste vers om in Gods licht te wandelen is hier een verzekering geworden dat dat gebeurt.
Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.
Nakomelingen van Jakob, kom mee,
laten wij leven in het licht van de Heer.
Dan wat meer richting parafrase:
.
Daar zal God als een rechter tegen hen spreken.
Hij zal hun leren wat goed en slecht is.
Dan zullen ze hun zwaarden en speren laten smelten in het vuur,
en zij zullen er gereedschap van maken.
Dan zullen de volken niet meer tegen elkaar strijden,
ze zullen niet meer weten wat oorlog is.
Volk van Israël, kom, ga mee!
Laten we leven zoals de Heer het wil
En tot slot een echte parafrase:
De Here zal internationale geschillen beslechten; alle volken van de aarde zullen hun wapens veranderen in vreedzame gereedschappen;
hun zwaarden zullen zij omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen.
Nergens zal meer oorlog worden gevoerd en niemand zal meer worden opgeleid tot militair.
Och Israël, laten wij wandelen in het licht van de Here en Zijn wetten gehoorzamen.
.
.
.
Hirumb is enige troest in christo
dat is de geordeniert sy to christo
off enige solacie der lyeffde
is enige geselschop des geystes
sint enige inwendyge gheleder der verbarmynghu
soe vervullet myne vroude
up dat gy smaket dat selve
hebbende de selve lievede
eindrachtich volende dat selve.
Uit vergelijking met de volgende vertalingen blijkt duidelijk dat de Latijnse uitgangstekst afweek van de Griekse (regel 2 en 9 bijv.).
Is nu onder u eenige vermaninge in Christo
is daer eenighen troost der liefde
isser eenige gemeijnscap des Geests
isser eenighe hertelijcke liefde ende bermherticheyt
so vervult mijn vruecht
dat ghi eens gemoets ende sins zijt
gelijcke liefde hebt.
Vergelijk dit eens met de Biestkens Bijbel hieronder.
Is’t dat nu onder u eenighe vermaninghe in Christo is,
isser eenige troost der liefde,
isser eenige ghemeynschap des geests,
isser eenige hertelijcke liefde ende barmhertigheyt:
soo vervult mijn vreughde:
dat ghy eens moets ende sins weest,
gelijcke liefde hebbende.
De dichterlijke stijl van Paulus is hier duidelijk weergegeven.
So dan is daer eenige vermaninge in Christo,
is daer eenige vertroostinge der liefde,
is daer eenighe ghemeynschap des Gheests,
zijn daer eenighe hertgrondelijcke bewegingen ende ontfermingen:
So vervult myn blijschap: dat ghy heden eens gesint zijt
eenderley liefde hebbende, eenmoedich ende eenderley gevoelende.
Indiender dan eenige vertroostinge is in Christo,
indiender eenigen troost is der liefde,
indiender eenige gemeynschap is des Geests
indiender eenige innerlijcke bewegingen ende ontfermingen zijn
so vervult mijne blijdtschap,
dat ghy mooght eens gesint zijn,
deselve liefde hebbende
van een gemoet
(ende) van een gevoelen zijnde.
Indien er dan eenige vertroosting is in Christus,
indien er eenige troost is der liefde,
indien er eenige gemeenschap is des Geestes,
indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn,
zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn
dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde.
Deze vertalingen sluiten dicht aan bij die van de Deux Aes Bijbel.
Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus,
indien er enige bemoediging is der liefde,
indien er enige gemeenschap is des geestes,
indien er enige ontferming en barmhartigheid is,
maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn,
één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven.
Hier wordt al een poging gedaan met de vertaling ook de bedoeling van Paulus’ woorden te verduidelijken.
Daarom isser eenig vertroostinge in Christo,
isser eenig solaas der liefden,
isser eenige gemeenschap des geest,
zijnder eenige hartgrondelijke ontferminge,
Soo vervult mijn blijdschap, dat gij een gevoelen moogt hebben,
een liefde hebbende, eendrachtig, een sin hebbende.
Deze (katholieke) vertaling lijkt verrassend veel op de (calvinistische) Deux Aes Bijbel, hoewel uit het Latijn vertaald.
Wanneer dan een vermaning in Christus of een liefderijk woord, geestesgemeenschap, hartelijkheid of deernis nog vat op u heeft
maakt dan mijn vreugde volkomen door eensgezind te zijn,
de onderlinge liefde te bewaren en eenstemmig hetzelfde na te streven.
Bovenstaande vertaling is evenals de volgende duidelijk veel vrijer.
Als dan vermaning in Christus
en liefdevolle bemoediging iets vermogen,
als gemeenschap van Geest, als hartelijkheid en mededogen
u iets zeggen, maakt dan mijn vreugde volkomen
door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde
uw saamhorigheid en eensgezindheid.
Als ik u in naam van Christus mag vermanen
en liefdevol aanmoedigen,
als gemeenschap van Geest en gevoelens van genegenheid
en meeleven u iets zeggen
maak mij dan volmaakt blij door eensgezind te zijn.
Leef in dezelfde liefde, wees gelijkgezind en streef naar eenheid.
De invloed van de vertaalstijl, die ook de Willibrord Vertaling kenmerkt, is hier duidelijk zichtbaar.
In een voorbeeld van een parafrase:
Als u elkaar in Christus helpt, als u elkaar met liefde bemoedigt, als u door de Geest één bent met elkaar, als u zich over elkaar ontfermt en liefdevol met elkaar omgaat, maak mij dan helemaal gelukkig door het onderling eens te zijn en elkaar lief te hebben. Streef – één van hart en ziel – naar echte eenheid.
De vergelijking tussen de laatste twee vertalingen toont duidelijk dat de vertalers verschillende opvattingen hadden (Als ik u…, tegenover: als u elkaar…).
Dan de nieuwe vertaling.
Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zo veel ontferming en medelijden, maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest.
Wat in deze vertaling opvalt, is dat de slotzin niet wordt gepresenteerd als afhankelijk van in eerdere bijzinnen genoemde ‘voorwaarden’, maar als een logisch hoogtepunt, waarbij de eerdere bijzinnen geen voorwaarden meer zijn maar constateringen. In feite staat daar in het Grieks inderdaad telkens een woord dat vaak ‘indien’ betekent, maar dat de vertalers hier kennelijk hebben opgevat als ‘aangezien nu’ wat in principe ook een mogelijke betekenis is.
We eindigen deze reeks door twee moderne uitgaven tegenover elkaar te zetten: de Herziene Statenvertaling (HSV) waar dicht bij de grondtekst is gebleven, en de Bijbel in Gewone Taal (BGT) als een moderne doeltaal gerichte vertaling.
Als er dan enige bemoediging is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innige gevoelens en ontfermingen zijn, maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen.
Christus geeft jullie moed, en hij troost jullie met zijn liefde. Door de heilige Geest zijn jullie met elkaar verbonden. Jullie zijn goed voor elkaar en jullie leven met elkaar mee. Daar ben ik blij om. En mijn vreugde zal volmaakt zijn als jullie helemaal één zijn. Als jullie allemaal hetzelfde willen, het met elkaar eens zijn en allemaal veel van elkaar houden.
.
Spreuken 30:28
“De hagedissen – je kunt ze met de handen vangen, maar ze dringen door tot in het paleis van de koning”
Als laatste van de vier dieren die klein maar wijs zijn noemt Agur de hagedis. Het Hebreeuwse woord betekent ‘vergiftiger’ en daarom is het in sommige oudere vertalingen van de Bijbel vertaald met ‘spin’. Anderen beweren dat de hagedis in vroeger tijden als gevaarlijk werd beschouwd.
In ons land komen we niet zo vaak hagedissen tegen, maar in de warmere landen rond de Middellandse Zee zijn zij een bekende verschijning. In Israël komen verschillende soorten voor: de varaan, de kameleon, de gekko en de skink, en ook de gewone hagedis worden in Leviticus allemaal genoemd als onreine dieren die niet gegeten mochten worden (Leviticus 11:29-31).
.
.
Leviticus 11:29-31
29 Van alle kruipende dieren zijn de volgende dieren onrein voor jullie: wezels, muizen en alle soorten schildpadden. 30 Ook stekelvarkens, krokodillen, hagedissen, slakken en mollen. 31 Deze kruipende dieren zijn onrein voor jullie. Als je ze aanraakt als ze dood zijn, ben je tot de avond onrein.
.
Hagedissen houden van zon, omdat zij koudbloedig zijn en zich door de zon moeten laten opwarmen om kracht op te doen. Daarom ziet men ze vaak zonnebadend op een rots. En omdat hun huid taai en waterhoudend is, drogen zij niet uit. De meeste hagedissen zijn insecteneters en zij vervullen een nuttige rol in de natuur.
Een goed voorbeeld is de smaragdhagedis, die tussen de bodemvegetatie van bossen leeft en o.a. sprinkhanen en rupsen op zijn menu heeft staan. Net als andere reptielen moeten, hagedissen van tijd tot tijd vervellen om te kunnen groeien. Bovendien zijn zij in staat om, als zij in gevaar komen, hun staart af te werpen. Dus, als je er eentje wil pakken, pak hem dan niet bij zijn staart!
Wat de schrijver van Spreuken 30 opviel, was dat deze reptielen overal en op allerlei verschillende plaatsen voorkomen. Zeker de gekko’s, die verticaal kunnen klimmen, en die kennelijk zelfs in het paleis van de koning voldoende insecten konden vinden om daar van te leven
Dat kunnen klimmen, danken zij aan hun extra grote tenen, die van onderen een aantal speciale kussentjes hebben, waardoor zij aan bijna elk oppervlak vast kunnen ‘kleven’. De werking daarvan berust op een speciaal fysisch effect (zgn. van der Waals krachten) dat de mens tot nu toe nog niet heeft kunnen nabootsen.
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
Op het eerste gezicht is het idee van de alwetendheid van God misschien een simpel concept. Maar hoe meer we de Bijbel bestuderen, hoe meer we gaan begrijpen wat een ongelooflijke waarheid dat is. Psalm 147:4-5 zegt:
“Hij bepaalt hoeveel sterren er zijn. Hij heeft ze allemaal een naam gegeven. Onze Heer is geweldig, zijn kracht is heel groot. Zijn wijsheid is grenzeloos.”
God weet niet alleen hoeveel sterren er zijn, maar kent ze ook nog allemaal bij naam. Een recente Australische studie stelde het aantal sterren dat wij kunnen zien vast op 70.000 miljoen miljoen miljoen, oftewel het getal 70 met 22 nullen. Dat betekent dat er meer sterren zijn dan er zandkorrels te vinden zijn op alle stranden en in alle woestijnen samen. In het boek Genesis lezen we de geschiedenis van Jozef, de lievelingszoon van Jakob. De broers van Jozef waren jaloers op hem en bedachten een plan om zich van hem te ontdoen. Ze overwogen hem te doden, maar uiteindelijk verkochten ze hem als slaaf aan vreemdelingen. God wist dat dit zou gebeuren en had al een plan klaar.
Door een aantal gebeurtenissen werd Jozef van slaaf, tot gevangene, tot Egyptisch heerser. Jaren later kon hij zijn gezag en positie gebruiken om voor zijn familie te zorgen toen hun thuisland door een hongersnood werd getroffen. Hoe zou Jozef zich gevoeld hebben toen hij weer met zijn broers verenigd werd? Denk je dat hij wraak wilde? Nee. Hij zei tegen hen:
“Wees daar nu niet verdrietig over. Wees niet boos op elkaar dat jullie mij hierheen hebben verkocht. Want God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie te kunnen redden” (Genesis 45:5).
Jozef begreep de alwetendheid van God. Hij begreep dat de gebeurtenissen in zijn leven dienden voor de redding van zijn familie.
Pasteltekening van John Astria
.
.
Voordat wij geboren werden kende God ons al en had Hij een plan voor ons leven. Hij kent ons beter dan wij ons-zelf. In Matteüs 10:30 staat dat Hij zelfs de haren op ons hoofd heeft geteld. Wij kunnen nog zo ons best doen om dingen geheim te houden voor mensen, maar bij God kan dat niet want Hij kent al onze geheimen.
In Psalm 139:1-4 schreef David:
“Heer, U kent mij door en door. U weet alles van mij, waar ik ook ben. U weet alles wat ik denk. U bent dag en nacht bij mij, U weet alles wat ik doe. U kent elk woord van mij, nog voordat ik het heb gezegd.”
En in Spreuken 15:3 staat:
“De Heer ziet alles wat er gebeurt. Hij ziet de daden van goede en van slechte mensen.”
Hij ziet elke handeling van ons, op ieder moment. En ook al weet Hij alles over ons – het goede en het slechte – Hij houdt van ons. God begrijpt hoe we ons voelen als we het moeilijk hebben omdat Hij onze gedachten en onze gevoelens kent.
“Want de Heer weet alles wat er in je hart en in je gedachten is” (1Kronieken 28:9).
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
De alwetendheid van God is volmaakt. God leert niet steeds bij, maar weet alles direct. Miljoenen jaren voordat Hij de aarde schiep, wist God al dat Hij zijn Zoon Jezus Christus zou sturen om ons te redden van onze zonden:
“Hij was er al voordat de wereld gemaakt werd. Maar pas nu, aan het eind van de tijd, is Hij voor ons gekomen” (1 Petrus 1:20).
God openbaarde Zijn plan aan de profeten in het Oude Testament, zoals Jesaja, die Gods woord verkondigde aan de mensen:
“Daarom zal de Heer u ongevraagd een teken geven: het meisje dat nog maagd is, zal in verwachting raken en een zoon krijgen. Ze zal hem Immanuël noemen” (Jesaja 7:14).
De geboorte, dood en opstanding van Jezus waren geen toeval. Ze waren het gevolg van een goddelijk plan dat God een eeuwigheid geleden heeft vastgelegd zodat wij een persoonlijke relatie met Hem kunnen hebben. We kunnen in die relatie stappen door te bidden tot God, onze zonden te belijden en Hem te vragen in ons leven te komen. 1 Johannes 1:9 zegt:
“Maar als we het aan God vertellen als we het verkeerd hebben gedaan en Hem om vergeving vragen, dan vergeeft Hij ons. Dan wast Hij ons weer schoon van elke ongehoorzaamheid, zoals Hij heeft beloofd. Want Hij doet altijd wat Hij heeft gezegd.”
Voor ons als gelovigen is de toekomst zeker. Niet omdat wij weten wat er gebeuren zal, maar omdat God het weet.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
“Denk aan wat er vroeger is gebeurd. Ik ben God en er is geen andere God. Er is niemand als Ik. Al aan het begin vertel Ik wat er aan het eind zal gebeuren. Ik spreek van tevoren over dingen die nog niet gebeurd zijn. En alles wat Ik van plan was, doe Ik” (Jesaja 46:9-10).
“Wie gaf leiding aan de Geest van de Heer? Wie heeft Hem goede raad gegeven? Met wie heeft Hij overlegd? Wie heeft Hem iets geleerd en wie heeft Hem wijsheid gegeven? Wie heeft Hem gezegd hoe het moet?” (Jesaja 40:13-14).
“U kent elk woord van mij, nog voordat ik het heb gezegd” (Psalm 139:4).
“Heer, U kent mij door en door. U weet alles van mij, waar ik ook ben. U weet alles wat ik denk. U bent dag en nacht bij mij, U weet alles wat ik doe” (Psalm 139:2-3).
“U zag me al toen U mij daar in het donker vormde, waar nog niemand anders mij zag. U zag me al toen ik nog helemaal geen vorm had. Al mijn dagen stonden al in uw boek toen ik nog niet één dag daarvan had geleefd” (Psalm 139:15-16).
“Maar wie kan God zeggen dat Hij het anders moet doen? Wie kan zeggen tegen Hem die over de engelen oordeelt, dat Hij het verkeerd doet?” (Job 21:22).
“Hij bepaalt hoeveel sterren er zijn. Hij heeft ze allemaal een naam gegeven. Onze Heer is geweldig, zijn kracht is heel groot. Zijn wijsheid is grenzeloos” (Psalm 147:4-5).
“En jij, Salomo, houd van de God van je vader. Dien Hem van harte. Want de Heer weet alles wat er in je hart en in je gedachten is. Als je van Hem houdt, zal Hij altijd naar je luisteren. Maar als je Hem verlaat, zal Hij jou ook voor altijd verlaten” (1 Kronieken 28:9).
“Begrijp jij hoe de wolken zijn opgehangen? Begrijp jij iets van de wonderlijke dingen die de volmaakt wijze God doet?” (Job 37:16).
“De Heer ziet vanuit de hemel alle mensen. Vanuit zijn huis kijkt Hij naar de bewoners van de aarde. Hij heeft hen allemaal gemaakt. Hij weet alles wat ze doen” (Psalm 33:13-15).
.
“Wat zijn Gods wijsheid en kennis toch onbegrijpelijk groot! Wat is het moeilijk om zijn plannen te begrijpen en zijn daden uit te leggen!” (Romeinen 11:33).
“Niemand kan zich voor God verbergen. Alles wat we zijn en doen, is zichtbaar voor God. En we zullen tegenover Hem verantwoordelijk zijn voor alles wat we hebben gedaan” (Hebreeën 4:13).
“Ook weet Hij precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. Wees niet bang! Want jullie zijn belangrijker dan een heleboel mussen bij elkaar” (Lukas 12:7).
“Maar als ons geweten toch ongerust is, mogen we er zeker van zijn dat God belangrijker is dan ons geweten. Hij weet alles” (1 Johannes 3:20).
“Jullie weten toch dat twee mussen voor maar één muntje worden verkocht? Toch zal niet één mus doodgaan zonder dat jullie Vader het toestaat. Ook weet Hij zelfs precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben” (Matteüs 10:29-30).
.
.
Dit is de eerste gedrukte Bijbel van ons land. Het is de gedrukte versie van een middeleeuwse vertaling, die dus is gemaakt vanuit het Latijn. Deze vertaling is ontstaan in de omgeving van Brussel, en de taal is daarom Zuid-Nederlands. Hij bevat alleen het OT zonder de Psalmen. De vertaling dateert van ca. 1360 en de druk van 1477.
.
.
Dit is de eerste complete Bijbel die in ons land verscheen. Hij dateert van kort na de Delftse Bijbel (ca. 1480), maar er is een nieuwe vertaling voor gemaakt die dus ruim 100 jaar jonger is dan die van de Delftse Bijbel. De uitgang-staal was ook nu Latijn. Deze Bijbel werd gedrukt te Keulen in het Hoogduits en het Westnederduits. Dat laatste werd gesproken in het oosten van ons land.
.
.
.
.
Luther was de eerste die de Bijbel begon te vertalen uit het Grieks en het Hebreeuws. De Liesveldtbijbel is een vernederlandsing van de Lutherbijbel. Het is daarmee de eerste Nederlandse Bijbel die niet teruggaat op de La-tijnse tekst. Van Liesveldt werkte in Antwerpen; de taal van de vertaling is Brabants. Luther vertaalde nogal vrij, en dit kenmerkt dus ook de Liesveldtbijbel. Deze Bijbel is lange tijd zeer populair geweest in ons land; het was de voornaamste Bijbel van de reformatie.
.
.
De Deux Aes Bijbel is ontstaan in de tweede helft van de zestiende eeuw (eerste druk 1561-62). De vertaling, een bewerking van de Liesveldtbijbel, is een reactie op die volgens Luther die men toch te vrij was gaan vinden. Dit is de voornaamste Nederlandse Bijbel geweest tijdens de tachtigjarige oorlog.
.
.
De Biestkensbijbel is een vertegenwoordiger van de Bijbelvertalingen in gebruik bij religieuze minderheden, in dit geval de doopsgezinden (en lange tijd ook de Luthersen). De eerste druk van ca. 1560 was de eerste Bijbel in ons land waarin de hoofdstukken in verzen waren ingedeeld.
.
De Statenvertaling was een bewuste poging om te komen tot een (reformatorische) standaardbijbel. Bij de verta-ling werd niet uitgegaan van één min of meer toevallig handschrift met de oorspronkelijke tekst, maar van een zo goed mogelijk gereconstrueerde grondtekst (Textus Receptus). Ook werd niet vertaald door één man maar door een groep predikanten. Omdat deze uit het hele land bijeengeroepen werden was de taal van deze vertaling voor het hele land aanvaardbaar. Men heeft zelfs wel gezegd dat de gemeenschappelijke taal er juist door de Staten-vertaling is gekomen. Het vertalen duurde van 1626 tot 1636; de eerste druk dateert van 1637.
.
.
Sinds de negentiende eeuw is de Statenvertaling aanmerkelijk herzien. Spelling en taal werden aanzienlijk gemo-derniseerd, zonder evenwel het wezen van de vertaling zelf aan te tasten.
.
De Leuvense Bijbel was het katholieke antwoord op de steeds grotere verspreiding van protestantse Bijbels. De Moerentorf-versie stamt van 1599 en is dus ouder dan de Statenvertaling. Het was, getrouw aan het standpunt van de kerk, een vertaling uit het Latijn. Moerentorf was geheel alleen verantwoordelijk voor de vertaling. Het was uiteraard een Zuid-Nederlandse vertaling.
.
.
De vertaling door de vereniging Petrus Canisius is de eerste Nederlandse katholieke vertaling die niet meer is uitgegaan van het Latijn, maar van de oorspronkelijke talen. Het Nieuwe Testament werd uitgebracht in 1929 en het Oude in 1937. De complete Bijbel kwam na de oorlog in 1948 beschikbaar.
.
De Willibrord Vertaling is de thans gangbare katholieke vertaling. Hij wordt gekenmerkt door een moderner taal-gebruik, dat echter gepaard gaat met een vrijere opvatting van vertalen (dynamisch-equivalent methode).
.
De Nieuwe Vertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap is kort na de oorlog uitgebracht als een opvolger van de Statenvertaling. Er is aan gewerkt door theologen van verschillende richtingen, om hem acceptabel te ma-ken voor mensen met uiteenlopende kerkelijke achtergrond. Om vooral het conservatieve deel van het publiek niet af te schrikken is het taalgebruik nadrukkelijk conservatief gehouden, zodat het verschil met de oude Staten-vertaling niet te groot zou worden.
.
.
De Groot Nieuws Bijbel is een moderne vertaling in de “omgangstaal”, die door het NBG en de KBS (katholieke Bijbelstichting) gemeenschappelijk is gemaakt en uitgebracht. Het taalgebruik is zeer hedendaags, maar de verta-ling is daardoor wel veel vrijer geworden. In 1996 is er een herziene versie uitgebracht die meer een parafrase is.
.
‘Het Boek’ is een voorbeeld van een zogenaamde parafrase waarbij het verhaal meer naverteld dan vertaald wordt.
.
De Nieuwe Bijbel Vertaling is een tiental jaar geleden verschenen (oktober 2004). Deze wordt beschreven als een interconfessionele vertaling. Aan deze vertaling hebben naast protestantse en katholieke kerken ook de joodse gemeenschap meegewerkt (het Oude Testament). De bedoeling was om in modern Nederlands (doeltaalgericht) zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven. Ook wordt meer aandacht geschonken aan de taalstijl van het origi-neel. Er is momenteel nog enige discussie over deze vertaling.
.
De Herziene Staten Vertaling is een poging om het oude woordgebruik van de Statenvertaling te moderniseren zonder de vertaalprincipes van de Statenvertaling los te laten. De HSV is dan ook wel geschikt als studiebijbel. Wel is het jammer dat voor het Nieuwe Testament de eis vanuit conservatieve kring is ingewilligd om uitsluitend ge-bruik te maken van de Textus Receptus, en dus geen gebruik te maken van alle andere handschriften die sinds-dien ontdekt zijn en de veel betere kennis die er tegenwoordig is. Het Oude Testament is vrij van deze tradities omdat daarvoor een dergelijke standaardtekst niet bestaat.
.
Het doel van de de NBG met de Bijbel in Gewone Taal is een volledig doeltaal gerichte vertaling te zijn. Het leest daardoor wel gemakkelijk. Daarmee lijkt het enigszins op een parafrase. Het is daardoor niet geschikt als studie-bijbel, maar voor dat doel zal het ook niet aangeschaft worden. De vertalers zijn zich sterk bewust dat hun eigen visie op de betekenis van de tekst meer zichtbaar is dan bij andere vertalingen. Hun opvattingen over de beteke-nis worden dus leidend voor de vertaling. Dat heeft er, bijna vanzelfsprekend, wel toe geleid dat bepaalde kerkelijk dogma’s veel beter worden ondersteund dan in een wat meer brontaal gerichte vertaling.
Normaal zou je zeggen, als iemand onbekend is met de Bijbel: lees eerst iets eenvoudigs, en ga daarna met een studiebijbel verder. Het probleem met deze Bijbel is echter dan wel dat je blik al gekleurd is hoe je een tekst op moet vatten. En dan is het de vraag of de schrijver inderdaad bedoelde wat de vertalers er van gemaakt hebben. In sommige gevallen zal dat zeker wel zo zijn, in andere gevallen is dat veel minder waarschijnlijk. Zeker is dat je met deze vertaling minder naar weerklanken kunt luisteren.
.
.
.
.
.
.
De opname is een gebeurtenis in de eindtijd. Het geleerde woord daarvoor noemt men een “eschatologische” gebeurtenis. Het is het moment waarop Jezus Christus voor Zijn Kerk terugkeert en waarop gelovigen “die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en de Heer in de lucht tegemoet [gaan]” (1 Tessa-lonicenzen 4:16-17). Dit is de tijd van de opstanding, waarin elke christen zijn of haar verheerlijkte lichaam ont-vangt. De eersten die hun nieuwe lichaam ontvangen zijn de mensen die als christenen gestorven zijn, daarna volgen de mensen die nog in leven zijn.
.
.
“Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen.”
.
De timing van de opname heeft binnen het christendom een groot debat op gang gezet. Zal deze vóór, tijdens of na de “verdrukking” plaatsvinden? De verdrukking is een periode van zeven jaar die meteen voorafgaat aan de te-rugkeer van Christus en de stichting van Zijn koninkrijk, het millennium, dat dus 1000 jaar zal duren. De eerste 3½ jaar van de verdrukking zal een tijd van schijnbare vrede en samenwerking zijn, en de tweede 3½ jaar van de ver-drukking zal een tijd van oorlog en rampspoed zijn. Halverwege de verdrukking zal de antichrist zichzelf tot God uitroepen en eisen dat alle mensen van de wereld hem aanbidden.
Velen zullen voor de antichrist neerbuigen en hem aanbidden, en als onderdeel hiervan ook zijn merkteken dra-gen (een soort wereldwijde registratie). Sommigen zullen weigeren om de antichrist te aanbidden en zijn merk-teken te ontvangen en velen zullen voor deze daad van ongehoorzaamheid worden gedood. De tweede helft van de verdrukking wordt de “Grote Verdrukking” genoemd. Er zullen in deze periode over de hele wereld uitzonder-lijke catastrofen plaatsvinden: zie Openbaring 3:10, Matteüs 24, Marcus 13 en Lucas 17).
Pasteltekening van John Astria
.
Het voornaamste debat over de opname gaat dus niet over wat deze is, maar wanneer deze zal plaatsvinden ten opzichte van de verdrukking. Samengevat:
het pretribulationisme houdt in dat de opname zal plaatsvinden vóór de periode van de verdrukking
het midtribulationisme stelt dat de opname halverwege de verdrukking zal plaatsvinden
het posttribulationisme zegt dat de opname zal plaatsvinden aan het einde van de verdrukking.
.
.
De pretribulationistische opname is een prachtige hoop voor mensen die in Jezus Christus geloven. Maar het maakt eigenlijk niet uit of we lang genoeg zullen leven om de opname mee te maken, en het maakt ook niet uit of het een opname is vóór, tijdens of na de verdrukking. De enige sleutel tot de eeuwige redding is in al deze gevallen ons geloof in en vertrouwen op Jezus Christus. Zorg dat je veilig bent in je relatie met Christus, en dan maken alle andere dingen werkelijk geen verschil uit.
.
.
“…In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben”.
.
.
“Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn”.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
Zie bericht Tekstuitleg bij Mattheüs 24 in de categorie religie of lees het boek de Openbaring met uitleg
.
.
.
.
Om een vertaling te kunnen maken uit een oude taal, zoals het Hebreeuws of Grieks, naar het Nederlands zijn een aantal keuzes nodig. Het is helaas niet mogelijk om simpel woord voor woord te vertalen.
.
Het eerste probleem is dat de struktuur van de taal anders is.
In de termen van vertalers spreekt men daarom over “brontaalgericht” en “doeltaalgericht”. Om het wat simplis-tisch uit te drukken: met brontaalgericht wordt getracht zo zuiver mogelijk (letterlijk) te vertalen, met doeltaal-gericht wordt getracht het zo op te schrijven als een Nederlander het zou zeggen. Hier komt nog bij dat de Bijbel is opgebouwd uit woorden en beelden, veelal ontleend aan het dagelijks leven. Kenmerken van dit beeld komen dan regelmatig terug. De moeilijkheid daarbij is dat niet alle begrippen in de doeltaal bekend zijn. De keuze daarbij is:
Als Jesaja zegt: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”, en je wilt dat vertalen in de taal van een tropisch land, waar sneeuw onbekend is, dan zoek je een equivalent voor sneeuw. De vertaler wil ideeën zo goed mogelijk overbrengen en kiest daarvoor zo nodig zijn eigen beelden (als ze maar `equivalent’ zijn). Hierin ligt volgens de voorstanders van deze methode de kracht ervan. Maar hierin schuilt ook een risico.
Het zal duidelijk zijn dat de letterlijke betekenis soms verloren gaat wanneer men het ene beeld vervangt door een ander. Een bekend voorbeeld in de Nederlandse vertalingen is (traditioneel) zuurdeeg of (dynamisch equi-valent) gist. Traditionele vertalers streefden naar een zo letterlijk mogelijke weergave. Moderne vertalers willen de tekst interpreteren en vertalen daarom vrijer. Vaak wordt daarbij doeltaal gericht en dynamisch equivalent ge-combineerd.
De term “beter” of “slechter” is hier niet op zijn plaats. Wel zal het duidelijk zijn dat het verdere gebruik van het beeld in de Schrift vaak niet volledig tot zijn recht komt omdat er een ander beeld, met andere kenmerken, wordt gebruikt. De kenmerken van gist zijn nu eenmaal anders dan die van zuurdeeg hoewel ze beide brood laten rij-zen.
.
Vertalen gebeurt niet zomaar lukraak. Er worden zoals gezegd bepaalde vertaalprincipes gehanteerd. En die veranderen soms met de tijd. Vroeger was het gebruikelijk om zoveel mogelijk letterlijk maar ook zogenaamd `concordant’ te vertalen. Dat houdt in dat men zoveel mogelijk eenzelfde woord in het origineel vertaalt met eenzelfde woord in de ontvangtaal. Concordant kan men vervangen door gelijk ; hetzelfde ; net zo ; identiek ; eender ; eenvormig ; exact hetzelfde ; geheel gelijk.
Dat is aan de ene kant consequent en het kan een enorme hulp zijn bij Bijbelstudie. Aan de andere kant kan het ook problemen geven wanneer een woord in de originele tekst twee of meer duidelijk onderscheiden beteke-nissen heeft, waar wij in onze taal nu eenmaal verschillende woorden voor hebben. Concordant vertalen wordt dan ook maar zelden volledig consequent toegepast. Toch werd er in het verleden wel naar gestreefd.
Aan dit concordant vertalen danken wij bijvoorbeeld nog het woord testament (als in Oude en Nieuwe Testament). De vertalers van de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) hebben voor hun vertaling van het typisch Bijbelse woord ‘verbond’ een Grieks woord gekozen dat in de Griekse cultuur testament betekent in de zin van laatste wilsbeschikking.
Dat was voor hen geen bezwaar, want een echt testament kwam in de Joodse cultuur niet voor. De schrijvers van het (Griekse) Nieuwe Testament hebben dat woord overgenomen. De Statenvertaling vertaalt dat overal conse-quent met `testament’ en laat het aan de lezers over om uit te vinden wat dat in het verband betekent. De Nieuwe Vertaling (NBG 1951) richt zich hier op de Oudtestamentische achtergrond en vertaalt `verbond’, behalve in een tweetal passages waar de vertalers gemeend hebben dat inderdaad een testament is bedoeld.
Overigens is met behulp van hulpmiddelen, zoals concordanties (een soort trefwoordenregister van de Bijbel), vaak te zien hoe een origineel woord op verschillende manieren vertaald wordt. Ooit is door een Dr. Strong in zijn concordantie ieder Hebreeuws en Grieks woord van een nummer voorzien. Onder meer in de “Online Bible” kan daarop gezocht worden.
.
Tegenwoordig gebeurt het ook steeds vaker dat de vertaler niet meer pretendeert een vertaling te geven, maar zich toelegt op een zogenaamde parafrase. De parafrase is de logische consequentie, en het eindstation, van de vrije vertaalopvatting. De ‘vertaler’ neemt dan de rol op zich van verteller die het verhaal navertelt in eigen woor-den, ongeveer zoals bij een kinderbijbel (maar dan misschien iets minder extreem). Enkele voorbeelden kunnen dit verduidelijken.
In Marcus 2:22 leest de N.V. van het NBG
“Niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders zal de wijn de zakken doen barsten en de wijn gaat verloren met de zakken. Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken.”
Een in ons land bekende parafrase (Het Boek) geeft hier:
“Wie doet er nu jonge wijn in oude leren zakken? Het leer van oude wijnzakken is hard en stug. Door het gisten van de jonge wijn komen er barsten in. De wijn gaat verloren en de zakken zijn waardeloos. Nee, jonge wijn doet u in nieuwe, soepele wijnzakken.”
In Lucas 5:1-3 leest de NBG vertaling van 1951:
“En het geschiedde, toen de schare op hem aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het meer Gennesaret stond, en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. Hij ging in één van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde de scharen van het schip uit.”
De parafrase voegt allerlei details toe:
“Op een dag was Hij bij het meer van Galilea. De mensen drongen van alle kanten tegen Hem op, want zij wilden horen wat Hij over God zou vertellen. Hij zag twee boten liggen die half uit het water waren getrokken. De vissers stonden iets verderop hun netten schoon te spoelen. Jezus stapte in de boot van Simon en vroeg of hij Hem een stukje van de oever wilde afduwen. Daarna ging Hij zitten om de mensen meer over God te vertellen.”
.
.
De Bijbel is ons door de eeuwen heen ongeschonden overgeleverd. Maar met de vraag of hij ons ook onge-schonden bereikt in onze eigen taal, is een andere. Onze voorouders hebben hun best gedaan dat zo goed mogelijk te doen. Moderne vertalers hangen echter andere opvattingen aan. Daarom zijn de modernste verta-lingen niet altijd de beste voor eigen bijbelstudie, al leest een moderne vertaling vaak veel prettiger.
Bij het beoordelen van vertalingen in zogenaamde ‘omgangstaal’ of ‘hedendaags Nederlands’ gaat het niet uitsluitend om de vraag of zulk taalgebruik op zichzelf geoorloofd is. Belangrijker is dat er bij supermoderne vertalingen vaak veel vrijer vertaald is, waarbij de opvatting van de vertaler een grote rol speelt.
Dat zie je bijvoorbeeld in de Bijbel in Gewone Taal (BGT) waar je leest wat de vertaler denkt dat de schrijver bedoelde. Wie dus de Bijbel zelf wil bestuderen doet er goed aan uiteindelijk terug te grijpen op een meer tradi-tionele vertaling. Daarin kun je veel beter weerklanken herkennen, die essentieel zijn om de Schrift te leren be-grijpen. Voorbeelden van zulke studiebijbels zijn de NBG vertaling van 1951, de Herziene Statenvertaling, en in iets mindere mate de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) die in oktober 2004 uitkwam.
.
.
.
.