Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Jeremiah 46-49 • Judgment on the nations
.
Jeremia 46-49 . Oordeel over de naties
.
Paul LeBoutillier
.
.




Het is duidelijk dat kwaadspreken over anderen, roddelen, het karakter van satan typeert. Wie roddelt, begeeft zich op het terrein van satan.
Roddel komt vaak voort uit jaloezie, of een slecht zelfbeeld. Er wordt vaak geroddeld over mensen, die andere gewoontes hebben. Roddel stelt iemand in een negatief daglicht en kent geen mededogen of barmhartigheid.
Bij kwaadspreken gaat men voorbij aan de persoonlijkheid en de achtergrond van waaruit iemand handelt. Daarom staat er ook in de tien geboden:
Gij zult geen vals (leugenachtig, misleidend) getuigenis spreken tegen uw naaste. (Exodus 20:16)
Als iemand iets negatiefs over een ander hoort vertellen, wordt dat gewoonlijk weer aan anderen doorverteld en gaat het verhaal een eigen leven leiden. Meestal wordt het steeds pittiger en dramatischer. Iets dat verteld wordt als een veronderstelling, “ik meen te weten dat …”, wordt gaandeweg steeds zekerder en uiteindelijk doorverteld als een vaststaand feit.
Wanneer iemand een persoon, over wie men heeft horen roddelen, voor het eerst ontmoet, zal hij er moeite mee hebben om vrij en open tegenover deze persoon te staan. De eerste indruk is bij voorbaat negatief beïnvloed.
Hierdoor ontstaat argwaan en de ander zal zich, onbewust, eerst moeten bewijzen, om die argwaan weg te nemen.
Stel dat, om wat voor reden dan ook, mijnheer X zich bedrinkt. Het is mogelijk dat dit nooit eerder is gebeurd en ook nadien niet meer, maar net die ene keer heeft iemand dat gezien. Als deze persoon overal gaat rondvertellen, dat hij mijnheer X dronken gezien heeft, dan is de kans reëel dat hij door veel mensen als een dronkaard wordt beschouwd en dat men hem gaat mijden.
Het is duidelijk dat er in het vorige geval een verwijdering ontstaat tussen mijnheer X en zijn omgeving.
Roddel is vaak de oorzaak van geschillen binnen families en hele gemeenschappen kunnen uit elkaar vallen vanwege kwaadsprekerij.
Jezus bad tot zijn Vader:
Ik bid … voor hen, die … in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. (Johannes 17:20-21)
Aan de andere kant zei Jezus:
Wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit. (Mattheüs 12:30 / Lukas 11:23)
Roddelen veroordeelt
Oordelen is niet aan de mens. Zelfs Jezus zei:
Indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. (Johannes 12:47)
Roddel getuigt van onvergevingsgezindheid
Farizeeën kwamen bij Jezus roddelen over een vrouw, die betrapt was op overspel. Ze hadden haar zelfs meegebracht en volgens de wet van Mozes moest zij gestenigd worden, samen met de man waarmee ze overspel gepleegd had. De farizeeën hadden de wet aan hun kant.
Maar Jezus zei:
Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar. (Johannes 8:7)
En toen iedereen afdroop, zonder verder iets te zeggen, zei Hij tot de vrouw:
Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer! (Johannes 8:11)
Wie roddelt heeft niets begrepen van de liefde van Jezus
Paulus schrijft:
Wie zijt gij, dat gij de knecht van een ander oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan. (Romeinen 14:4)
Het is verkeerd om een oordeel over anderen uit te spreken en helemaal verkeerd om dit persoonlijke oordeel rond te bazuinen.
Wie roddelt verstrooit, schaadt mensen en schaadt ook het getuigenis van de gemeente in de wereld, als het beeld van Jezus Christus.
Indien iemand in de fout is gegaan, waarschuwt Paulus:
Broeders (zusters), zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. (Galaten 6:1)
Wie tot in het diepst van zijn hart beseft volkomen aanvaard en vergeven te zijn door Jezus, staat vergevingsgezind in het leven.
De opdracht is:
God lief te hebben boven alles en je naaste als jezelf. (Lukas 10:27)
Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat,
wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt,
dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag.
En de Here zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt.
En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten. (Jesaja 58:9-12)
.ii
Jjj


Pasteltekening van John Astria
1 Daarna riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij Zich. Hij gaf hun de macht om duivelse geesten uit de mensen weg te jagen en om alle ziekten en kwalen te genezen. 2 Dit zijn de namen van die twaalf leerlingen, die Hij ook apostelen noemde: allereerst Simon, die ook Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Jakobus de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. 3 Verder Filippus, Bartolomeüs (= Natanaël), Tomas en de belasting-ontvanger Matteüs. Verder Jakobus de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs die ook Taddeüs wordt genoemd. 4 Verder Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem later heeft verraden.
5 Dit zijn de twaalf leerlingen die Jezus op pad stuurde. Hij beval hun: “Ga niet naar niet-Joodse mensen (heidenen). 6 Ga ook niet naar de steden in Samaria . Ga alleen naar de verdwaalde schapen van het volk Israël. 7 Vertel overal dat het Koninkrijk van God eraan komt. 8 Genees de zieken, maak doden weer levend, verjaag duivelse geesten. Jullie hebben niets voor deze macht hoeven betalen. Vraag er dus ook nooit een beloning voor. 9 Neem geen geld mee. 10 Ook geen reistas voor onderweg. Neem geen extra hemd, extra sandalen of een staf mee. Want een arbeider wordt altijd beloond voor zijn werk. Je zal krijgen wat je nodig hebt.
11 Als je een stad of een dorp binnenkomt, bekijk dan wie het daar waard is dat je bij hem logeert. Blijf bij hem tot je weer uit die stad vertrekt. 12 Als je zijn huis binnengaat, wens de mensen die er wonen dan vrede toe. 13 Als die mensen het waard zijn, zal je vrede over hen komen.
Maar als ze (heidenen) die vrede niet waard zijn, zal je vrede bij je terugkomen. 14 Als mensen niet naar je willen luisteren, ga dan weg uit dat huis of die stad. Klop het stof van je voeten af om hen te waarschuwen. 15 Luister goed! Ik zeg jullie dat het voor de streek van Sodom en Gomorra minder erg zal zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.
16 Ik stuur jullie als schapen onder de wolven. Wees daarom net zo voorzichtig en slim als slangen, en net zo onschuldig als duiven. 17 Maar pas op voor de mensen. Want ze zullen jullie gevangen nemen en voor de rechter slepen. En ze zullen jullie zweepslagen geven in hun synagogen. 18 Jullie zullen ook voor bestuurders van provincies en voor koningen en keizers terecht staan omdat jullie in Mij geloven. Jullie zullen hun en de volken over Mij vertellen. 19 Als ze jullie gevangen nemen, maak je dan geen zorgen wat jullie moeten zeggen. Want jullie zullen de woorden krijgen op het moment dat jullie ze nodig hebben. 20 Want jullie zullen niet zelf spreken. Maar de Geest van jullie Vader zal door jullie heen spreken.
21 En een man zal zijn eigen broer laten doden. Een vader zal zijn eigen zoon laten doden. Kinderen zullen hun ouders laten doden. 22 Iedereen zal jullie haten omdat jullie in Mij geloven. Maar jullie moeten tot het einde volhouden. Dan zullen jullie worden gered. 23 Als de mensen jullie in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar een andere stad. Want luister goed! Jullie zullen niet in alle steden van Israël zijn geweest, voordat de Mensenzoon komt.
24 Een leerling is niet beter dan zijn leermeester. En een slaaf is niet belangrijker dan zijn heer. 25 Voor een leerling is het genoeg om net zo goed te worden als zijn leermeester. En voor een slaaf is het genoeg om gelijk te worden aan zijn heer. Als de mensen de heer van het huis ‘Beëlzebul’ (= de leider van de duivelse geesten) noemen, dan zullen ze de dienaren die in zijn huis wonen, ook zo noemen!
.
.
.
.
.
Kosmos, geboorte, levensloop en sterven van de mens;
zondeval en verlossing door Christus (niet door de engelen);
de H. Drievuldigheid;
Doopsel en de Kerk als lichaam van Christus;
de Kerk als Stad Gods in de loop der geschiedenis, waarin de mysteries van Christus en der gelovigen centraal staan;
de Wederkomst en het Oordeel;
.
.
.
a) Oude Testament,
b) Nieuwe Testament
c) Apocalyps.
.
Dit kader waarbinnen het geheel van Scivias is opgebouwd kunnen we ook leren kennen door uit de tekst van de visioenen die passages te lichten waar sprake is van de Stem uit de Hoge. Als we dan uit de toespraak bij ieder visioen de kernboodschap nemen, en we schrijven al deze boodschappen achter elkaar op, dan hebben we de mooiste samenvatting van de boodschap en de getuigenis van Hildegard, die dan ongeveer als volgt luidt:
.
.
.
.
.
.
“Hildegardis, roep, ja schreeuw het uit, wat je existentieel in één lichtflits, in één mystieke ervaring hebt mogen beleven. Ik, God, dwing je daartoe. Immers, zij die eigenlijk de blijde boodschap, het evangelie moesten verkondigen, laten door zelfzucht verstek gaan.”
“Dit zijn de wegen des Heren. Wie instemt met God zal nooit uit het hemels evenwicht losgerukt worden wees dus niet bang. Immers, in de geschapen, zichtbare dingen openbaart God de onzichtbare geestelijke dingen.”
De grootste openbaring is, dat de tweede Persoon van de H. Drieëenheid voor ons zichtbaar is geworden door de Menswording uit de Maagd Maria. Omdat eens Adam en na hem ieder mens in schuld verstrikt is geraakt, wil Gods Woord zelf, door ook mens te worden, ons hulp bieden en ons terug voeren op de wegen des Heren.
Vóór de Menswording van Christus hield God het uitverkoren volk wel de wet voor. Het bleek dat deze te zwaar was voor hen. Christus heeft die gestrengheid in de mildheid der genade veranderd en zalfde zó de mens die door de wet gewond was geraakt.
Vóór Christus, in Christus’ dagen en na Christus’ helpen de engelen ieder van ons, door Gods boodschappen over de juiste wegen door te geven.
.
.
.
.
.
“Ondanks de tegenwerking van de geestelijkheid die je, om je vrouw-zijn, het spreken wil beletten: Roep toch, zoals Ik het je geopenbaard heb”.
De levende God schiep alles door Zijn Woord en door ditzelfde Woord verlost Hij de mens en brengt hij hem in het hemelse Jeruzalem. Deze verlossingswil ligt in het hart van de H. Drievuldigheid. Daar ligt de bron van alle natuurlijk en geestelijk leven. De hemelse stad Jeruzalem, welke hier op aarde reeds in de Kerk een aanvang neemt, wordt gevormd door levende stenen.
Dat zijn zowel de grote als de kleine gelovigen, gelijk ook een net grote en kleine vissen ophaalt. Iedere gelovige, groot en klein, wordt herboren in het doopsel en ontvangt zijn volwassenheid door de zalving van de H. Geest. Maar de uitgroei naar volwassenheid wordt hevig tegengewerkt door de gevallen engel en zijn trawanten. Christus echter overwint hen.
.
.
.
.
.
.
Nu volgt onder het dynamisch beeld van de opbouw van een stad, weer de verkondiging van dezelfde mystieke verlichting. Justitia, de Gerechtigheid Gods, eist dat de Schepper, die ook de Verlosser is, alle eer toekomt en in trouw geloof aanbeden wordt.
Op het fundament van dit geloof wordt het gebouw van de Gerechtigheid opgetrokken. Vóór het Oude Verbond was alleen de aanleg te zien, denken we slechts aan de aartsvaders. Maar onder de joodse wet en met Christus’ komst ging het gebouw de hoogte in. Omwille van Gods Zoon toont God zich in het Nieuwe Verbond wel mild, maar Hij straft in een scherp oordeel elk verhard gemoed dat de Geest versmaadt.
Het Oude Verbond liet duidelijk zien, wat de eerste voorwaarde is voor de geestelijke opbouw, n.l. in deemoed gehoorzaamheid betuigen aan wie door de Geest in gezag gesteld zijn. Door Christus is het mysterie van de Drieëenheid openbaar geworden, maar net als met het mysterie van de Menswording van de tweede Persoon kan men deze geheimen alleen doorgronden in zover de H. Geest ze wil openbaren.
De Zoon Gods roept alle deugdzamen op om samen de verdedigingsmuur te vormen tegen de vijand, opdat geen gelovige door duivelse list geroofd kan worden. Ieder die zichzelf weet te verloochenen, ontdekt dat de Zoon Gods, die zetelt op hoeksteen in het Oosten, degene is uit wie alles voortkomt en tot wie alles terugkeert.
Wel gaat al het geschapene te gronde, maar de bruid van de Zoon Gods zal in groter heerlijkheid opstaan en in de armen van haar geliefde vallen. Al het geschapene zal overgaan in een nooit eindigend lichtvisioen waar een nieuw lied weerklinkt:
“Lofzang komt de hoogste Schepper toe, door Wie niet alleen de volmaakte gelovigen als engelen en heiligen, maar ook de steeds struikelende gelovigen met de hulp van Zijn genade tot de hemelse glorie worden gevoerd. Amen”.
Als we nu deze samenvatting overlezen, komen twee blijde boodschappen op ons af. In de eerste gaat het over God en het mensgeworden Woord, Christus, en daarna over de Kerk als stad, als een bolwerk met verdedigingsmuren, waarvan alles steunt op één hoeksteen. Die hoeksteen is weer de Christus en zo wordt er een nauw verband gelegd tussen God, Christus en de stad Jeruzalem ofwel de Kerk.
En deze verhouding tussen Christus en de Kerk wordt op het einde bij de wederkomst des Heren geformuleerd in termen van de bruid die in de armen van haar Geliefde zal vallen. Dit is de eerste boodschap door onze profetes verkondigd.
Maar de tweede is wellicht nog belangrijker. Aan de absolute eis van de Justitia, dat aan de Schepper, die tevens de Verlosser is, alle eer moet toekomen, is uiteindelijk volledig voldaan. De wegen des Heren leiden hoe dan ook alle naar God zelf. Daarom hoort Hildegard aan het slot een nieuw lied:
“Lofzang komt de hoogste Schepper toe door Wie niet alleen de volmaakte gelovigen, als engelen en heiligen, maar ook de steeds struikelende gelovigen met de hulp van Zijn genade tot de hemelse glorie worden gevoerd”.
Wat is het nieuwe in dit lied? Dat dank zij het verlossende lijden van Christus ook de zwakke broeders in het geloof het einddoel zullen bereiken. De blijde boodschap, het ware Evangelie, is dat Christus in het hart van de Drieëenheid zich ontfermt over de arme massa.
God kan aanvullen wat er bij ons kleingelovigen ontbreekt en Hij heeft dit ook gedaan. De grootheid van God is dat Hij, toen de hoogste geesten weigerden Hem te aanbidden en in de afgrond vielen, de minste der geesten, de mens, in hun plaats koos. En God heeft kans gezien om de onvolmaakte mens binnen te dragen in Zijn Rijk om de opengevallen plaatsen in te nemen.
Terecht zou iemand kunnen opmerken: Wat Hildegard ons als profetes meent te moeten meedelen, is toch eigenlijk geen nieuws! Wat de leer betreft inderdaad niet, maar wat de beleving en verkondiging ervan betreft wel.
Hier treedt een vrouw naar voren, die ons verzekert geroepen te zijn, om de door God aangewezen bisschoppen en priesters terecht te wijzen. De hele Scivias is gericht tot de geestelijkheid, die volgens de hemelse stem haar plicht verwaarloost.
Maar Hildegard aarzelde lang om deze opdracht te vervullen, wat helemaal niet moeilijk te begrijpen is. Zij was immers een vrouw en vrouwen hadden zeker in háár tijd geen enkele stem in de kerkelijke hiërarchie. Toen zij desondanks begon te spreken, voelde zij het als een bijna onoverkomelijk bezwaar, dat zij geen onderricht had gehad in welsprekendheid.
Het nauwelijks Latijn dat zij kende had ze zich eigen gemaakt door het veelvuldig lezen en zingen van de H. Schrift. En toch moest zij spreken, maar hoe? Terwijl zij over de korte maar hevige ervaring van de Godsontmoeting en verlichting begon na te denken, waaierde het licht uit als een regenboog, of beter als een reeks kerkramen van gebrandschilderd glas in een kathedraal.
Het licht werd haar duidelijk in beelden maar altijd in beelden die in haar geheugen reeds aanwezig waren. Als zij deze dan ook beschrijft, herkennen we veel motieven uit de kerkelijke iconografie van de eerste eeuwen van het christendom.
Evenwel, de bekende beelden waren voor haar niet toereikend om haar strikt persoonlijke ervaring tot uitdrukking te brengen. Voor die momenten ontwerpt Hildegard nieuwe composities van vorm en kleur. Daarom dienen we attent te zijn zodra we, bij het bestuderen van de vijfendertig miniaturen, nieuwe iconografische gegevens tegenkomen.
Bij die nieuwe voorstellingen en kleurencombinaties kunnen we er op rekenen, dat in de tekst hele persoonlijke ontboezemingen onder woorden zijn gebracht en wel zo persoonlijk, dat we van unieke ervaringen van zuiver mystiek gehalte kunnen spreken.
.
.
.
.
.
.
.
De kleuren zijn belangrijk omdat deze miniaturen gemaakt zijn in de 12e eeuw toen de heraldiek een aanvang nam en direct tot volle bloei kwam. Als men de vuistregel van de heraldiek, dat een bepaalde kleur, in welke combinatie ook, bijna altijd dezelfde betekenis heeft, toepast op onze miniaturen, heeft men reeds de eerste sleutel in handen om de gedachtenwereld van Hildegardis binnen te gaan.
En dan is er als hulpmiddel, voor het vinden van de toenmalige betekenis der kleuren, dat het heel dikwijls Hildegardis zelf is, die in de tekst die betekenis aangeeft. De twee metalen kan men ook indelen bij de kleuren, maar voor de miniaturisten van de 11e eeuw hadden deze door de kostbaarheid van het materiaal een zeer bijzondere betekenis.
Wat voor het begrijpen van deze miniaturen ook verhelderend werkt is het feit dat juist de miniaturen het belangrijkste zijn om de diepere zin te achterhalen van de boodschap en het profetische getuigenis, welke Hildegardis vanuit de mystieke verlichting ons wil overdragen.
Naast het feit van de artistieke compositie valt het op dat juist de dertien miniaturen, die een gehele bladzijde beslaan, ook voor Hildegardis de belangrijkste zijn. Zij vormen het grote kader waarbinnen de andere tweeëntwintig miniaturen van een halve of een kwart bladzijde opgesteld staan.
Eigenlijk zijn het er elf die een volle bladzijde beslaan; twee miniaturen nemen bijna een bladzijde in, wat samen een aantal van dertien oplevert.
Dan zijn er zestien miniaturen die precies een halve bladzijde nodig hebben, daar voegen we nog drie aan toe die vanwege de voorstelling een driekwart bladzijde vullen; samen dus negentien halve bladzijde miniaturen.
Tenslotte drie die niet groter zijn dan een kwart bladzijde.
.
De eerste is nr. 4: De prachtige voorstelling van de kosmos, volgens de idee van Ptolomaeus, zoals die in de middeleeuwen algemeen werd aangenomen .
.
.
De tweede is nr. 5: De levensloop van de geestelijke mens.
De derde is nr. 7: Het sterven en het bijzonder oordeel van de mens.
De vierde is nr. 9: De zeldzaam mooie miniatuur van de negen koren der engelen.
De vijfde is nr. 10: De schepping, zondeval en verlossing.
De zesde is nr. 11: De voornaamste van heel de serie, n.l. van de voorstelling van de H. Drievuldigheid.
De zevende is nr. 12: Het sacrament van het Doopsel.
De achtste is nr. 14: Het mysterie van de maagdelijke Kerk.
De negende is nr. 21: Het mysterie van de Stad Gods.
De tiende is nr. 27: Het Oude Testament en de bekering tot Christus.
De elfde is nr. 30: Het mysterie van de Kerk na Pinksteren.
De twaalfde is nr. 32: Het einde der tijden en de wederkomst van Christus.
De dertiende is nr. 33: Het Laatste Oordeel
.
Pasteltekening van John Astria
Gods liefde voor ons, Zijn schepselen die van Hem vervreemd zijn, wordt levendig voorgesteld in het offer dat Hij voor ons bracht.
Jezus Christus is Gods unieke en eeuwige Zoon.
Hij is de Alfa en Omega, de grote “IK BEN”, de “Heer van de hemelse machten” door wie alle dingen werden geschapen en in wie alle dingen bestaan.
Jezus, die aan het hoofd staat van alle dingen, vernederde Zich op een manier die het menselijke verstand niet kan bevatten.
Hij kwam naar onze vervloekte wereld en nam actief deel aan ons erbarmelijke bestaan.
Zelfs al bestaan wij uit vlees en bloed, toch deelde Hij ook dit met ons.
Hij werd een mens en Hij mengde zich onder ons.
Hij deelde in het leed dat wij over onszelf hadden afgeroepen door Zijn Heilige wetten af te wijzen.
En alsof dat nog niet genoeg zou zijn om ons te overtuigen van Zijn liefde en zorg voor ons, gaf Jezus Zijn eigen leven aan het kruis.
Dat was de grootste liefdesdaad die de wereld ooit heeft gekend! Zo nam Hij onze zonden weg, ze werden met Hem aan het kruis geslagen. Dus werd Degene die geen zonde kende Zelf de zonde voor ons en proefde Degene die ons allen het leven gaf Zelf de dood in plaats van de mensen die hiertoe veroordeeld waren.
“Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden” (Johannes 3:16-17).
Jezus Christus hield zo veel van de wereld dat Hij er alles voor opgaf; Zijn rechten en voorrechten als de unieke eeuwige Zoon van God, en zelfs Zijn eigen leven! Als je de liefde van God wil zien, kijk dan op naar het kruis.
“En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven. Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden” (1 Johannes 4:9-10).
“Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer” (Romeinen 6:23).
Gods liefde is aan ons geopenbaard. Nu staat Hij voor de deur en klopt aan. Het is de verantwoordelijkheid van elk mens om op zoek te gaan naar een persoonlijke relatie met God, of om Hem ronduit af te wijzen. De enige barrière tussen ons en Gods liefde is onze vrije wil, en Jezus Christus is de deur.
“Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij'” (Johannes 14:6).
Verlossing is een gratis geschenk dat gekocht en betaald is met het bloed van Christus. Er bestaat geen andere manier.
“Verwerp Gods genade niet; als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn!” (Galaten 2:21).
Je kunt Gods vergeving niet verdienen met je eigen goede werken. Hoe kunnen goede daden die je altijd al had moeten doen ooit je ontelbare fouten ongedaan maken? God is geen gek.
“Ook al was je je kleren met zeep, en met een overvloed aan loog, je schandvlek blijf ik zien – spreekt God, de Heer” (Jeremia 2:22).
Een man viel ooit op zijn knieën voor Christus en smeekte: “Als u wilt, kunt u mij rein maken.” Jezus had medelijden en antwoordde: “Ik wil het, word rein” (Marcus 1:40-41). Wij kunnen ook op onze knieën vallen en Gods enige voorziening voor onze zonden erkennen. Ook wij kunnen dit antwoord krijgen: “Ik wil het, word rein.”
Christus was bereid om Gods rechtvaardige toorn op Zich te nemen, zodat wij dat niet meer hoeven te doen; ieder die Zijn dood aan het kruis aanvaardt als betaling voor zijn zonden zal verzoend worden met de God die we zo zeer hebben gekrenkt.
“Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden” (2 Korintiërs 5:18-19, 21).
.
.
.
.
Dat er met de mens een verhouding tussen geest, ziel en lichaam samenhangt, wordt wel genoemd, maar niet verder uitgewerkt.
Zie artikel ” de geestelijke wereld “.
.
.
.
De eigenschappen van de geestelijke vermogens worden opgesomd in de tekst bij het visioen Scivias Boek II,2:
Er is namelijk sprake van: licht en warmte (vuur), dat doordringend en doordringbaar is (zelfvormend en vormbaar) wat de eigenschappen van de geestelijke vermogens zijn:
.
| licht en warmte | vermogens | voortbrengselen |
| vormbaar licht zelfvormend licht vormbare warmte zelfvormende warmte |
waarnemen denken voelen willen |
ervaringsbeelden denkbeelden gemoedstoestand krachtstoestand |
.Dan wordt de betekenis van de Heilige Drievuldigheid besproken:
.
Het allerhelderste licht is ‘zonder smet van bedrog’ (is de waarheid) en duidt de Vader aan.
(Vader – waarheid: denken)
Het allerzoetste rode vuur is ‘zonder smet van sterfelijkheid’ (is de levenskracht) en ‘zonder smet van duisternis’ (is het bewustzijn) en duidt de Heilige Geest aan.
(Heilige Geest – bewuste kracht: waarnemen, willen)
De mensengestalte is ‘zonder smet van verharding’ (is de zachtmoedigheid) en duidt de Zoon aan, uit de Vader geboren.
(Zoon – zachtmoedigheid: voelen)
De Vader en de Heilige Geest worden kenbaar gemaakt door de Zoon.
.
| Vader Heilige Geest Zoon |
waarheid bewustzijn en kracht zachtmoedigheid |
denken waarnemen en willen voelen |
.
In het Liber Divinorum Operum bij visioen 1
.
.
“Ik ben de rationalitas (‘berekenen’, denken), die de wind van het klinkende woord bevat, de woorden van de redelijkheid waardoor elk schepsel is gemaakt. Maar ik ben ook officialis (‘dienstvaardigheid’, voelen). Want de levende dingen branden dankzij mij. Ik ben dienaar en toeverlaat.
En ik ben het equalis leven (‘equalis’: a. ‘van het paard’: willen; b. ‘van de ruiter’: waarnemen) in eeuwigheid, dat niet ontstaan is en niet zal eindigen. En datzelfde leven is de zich bewegende en werkende God, en toch is dit leven één in deze drie krachten (de geestelijke vermogens).”
.
| rationalis equalis officialis |
denken waarnemen en willen voelen |
.
Het Liber Divinorum Operum, visioen 4
.
Het vierde visioen van het Liber Divinorum Operum is geheel gewijd aan het bezielde schepsel, de mens. Het visioenbeeld geeft in metaforen te kennen, hoe de ziel (geest) in het lichaam werkt. De ziel heeft twee krachten, waardoor zij zowel het werk als de rust van haar ijverig streven met gelijke sterkte beheerst. Met de ene (kracht) stijgt zij omhoog, waar zij God ervaart.
Met de andere (kracht) neemt zij het gehele lichaam waarin zij bestaat, in bezit om daarin te werken.
Want het is de ziel tot vreugde om in het lichaam werkzaam te zijn. Daartoe is het immers door God gemaakt. En door dat werk van het lichaam snelt de ziel (geest) naar haar vervolmaking.
Het menselijke lichaam is als het ware een afspiegeling van de geschapen wereld als geheel, het universum. In haar visioen zag Hildegard de mensengestalte staande in het midden van de cirkels der elementen. Zoals de armen en benen het lichaam van de mens in evenwicht houden temidden van alle natuurkrachten, zo houdt de ziel het innerlijk van de mens in evenwicht.
Maar zoals het lichaam gemaakt is om te bewegen, zo staat ook de ziel niet stil. Zij is voortdurend in beweging, net zoals de winden in het uitspansel, die het wereldgebouw in evenwicht houden. De ziel vliegt in de mens met vier vleugels (bewegen: willen), namelijk met het waarnemingsvermogen(sensualitas), met het verstand (intellectus, denken) en met de kennis van het goede en het kwade (scientia boni en scientia mali, voelen).
Zo werkt de ziel met de zintuiglijke waarneming volgens de smaak van het vlees; door het verstand onderscheidt zij waarlijk haar werken, of die God of de mensen welgevallig zijn. Door de twee vleugels der kennis, namelijk van het goede en kwade, voltooit de mens elk werk in de ziel, waardoor de innerlijke verscheidenheid ervan getoetst wordt: welke werken door de geest verlossing door God verlangen, welke door het vlees het eerbetoon eigenlijk van de mensen begeren.
.
.
.
.
In de drie visioenen die in Scivias Boek I ( miniaturen T5,T6 en T7) staan beschreven, wordt aan Hildegard de kringloop van de menselijke geest getoond. Deze begint in de algeest (het vierkant dat zich naar alle zijden uitstrekt), van waaruit de menselijke geest (de vurige bol) door zijn moeder heen in een lichaam op aarde wordt geboren.
Daar moet de geest zich staande zien te houden in de druk die van de tijd als stroom van gebeurtenissen uitgaat. Als de mens erin slaagt bij zichzelf te komen en zich geestelijk te ontwikkelen, bereikt hij het doel: zelfverwerkelijking. Bij het overlijden wordt hij opgevangen door geesten met wie hij nu overeenstemt door zijn ontwikkeling; door hen wordt hij naar zijn eigen wereld gevoerd. Is dat een lichte wereld, dan kan hij in het paradijs weer met God worden herenigd.
.
Sivias T5 : geboorte uit de hemel en de levensweg op aarde
.
.
“En nadien zag ik een bijzonder grote en heldere schittering die leek op te vlammen (een kracht), met vele ogen (is alziend, m.a.w. een bewuste kracht), en die vier hoeken had die naar de vier uithoeken van de wereld (alomtegenwoordig) gekeerd waren (m.a.w. de vierhoek is de algeest): in die schittering, die het geheim van de hoogste schepper aanduidde, werd me een heel groot geheim onthuld. En daar binnenin die schittering verscheen ook een andere schittering, gelijkend op die van de ochtendgloed en die de helderheid van een purperen schittering bevatte (en vele, vurige bollen: de wereld van de menselijke geesten in de algeest).”
(De ‘ochtendgloed’ of ‘morgenrood’ is een beeld van Jezus. Het hoofdje dat in de baan te zien is, is de geest van Jezus, de heilige geest, die als volmaakte geest naar de aarde afdaalt.)
“En zo zag ik … een vrouw (op aarde) die in haar buik … de volledige gestalte van een mens droeg. En zie, door een geheim raadsbesluit van de hoogste schepper begon deze gestalte hevige, levengevende bewegingen te maken en wel zo dat een vurige bol (bol van licht en warmte, een menselijke geest uit de geestelijke wereld), die niet de vorm van een menselijk lichaam had, (door de verbinding afdaalde en) het hart van deze gestalte in bezit nam en diens hersenen bedekte, en zich in al zijn ledematen verspreidde (de indaling van de geest in het lichaam).
En daarna kwam diezelfde mensengestalte, die aldus tot leven werd gewekt, uit de schoot van deze vrouw en dit in overeenstemming met de bewegingen welke die bol (de geest) in diezelfde mensengestalte veroorzaakte; en in overeenstemming met die bewegingen veranderde die mensengestalte ook van kleur.
En ik zag dat de vele wervelwinden (zintuiglijke ervaringen) die deze bol binnendrongen – de bol welke nog altijd in dat lichaam bleef – hem naar de aarde deden afbuigen (de onbewuste vereenzelviging); maar deze bol, die weer op krachten was gekomen, richtte zich moedig op en weerstond krachtig die wervelwinden en zei, al klagend: Waar ben ik, ik die verdwaald ben? In de schaduw van de dood.” (de zelfbewustwording).
En zie, ik zag op aarde mensen die in hun kannen melk droegen en daar kazen van maakten (verwerking van ervaringen tot persoonlijkheidstrekken: de ‘kazen’ zijn ‘witte bollen’: de geest); één deel ervan was vet en dik, en daaruit werden sterke kazen (krachtige geest) gemaakt; het andere deel was licht en dun, en daaruit werden zwakke kazen gestremd (zwakke geest); en een deel was vermengd met vies slijm, het was besmet en daaruit werden bittere kazen gemaakt (kwaadaardige geest).”
“En jij nu mens, die dit ziet, sta er ook bij stil, want ‘de vele wervelwinden die deze bol binnendringen – de bol die nog altijd in dat lichaam blijft – doen hem naar de aarde afbuigen’ (maakt de geestesgesteldheid zintuiglijk: de onbewuste vereenzelviging): dit betekent dat de menselijke ziel, wanneer de mens nog in zijn lichaam leeft, door vele onzichtbare verleidingen wordt geboeid, die haar door het genot van de zintuigen vaak doen afbuigen naar de zonden van de aardse genietingen.”
.
De rechter helft van de miniatuur, die uit vijf afbeeldingen bestaat, toont de levensweg van de mens. De onderste drie laten de beproevingen zien die de mens op aarde heeft te verduren om zich staande te houden tegenover allerlei verleidingen.
De vierde afbeelding toont de mens die tot bezinning is gekomen en besluit zich weer tot God te richten. De bovenste toont de mens die de geestelijke vermogens (de vleugels) tot ontwikkeling heeft gebracht en zich daardoor niet meer laat afleiden van de rechte weg. Zijn lichaam is een tempel Gods geworden.
.
Scivias T6 : de beproefde, zich tot God richtende mens bij zijn gang over de aarde
.
.
“Maar met herstelde krachten richt ze zich moedig op en verzet zich er krachtig tegen’: dat is omdat de gelovige en beproefde mens, ook al heeft hij gezondigd, vaak dankzij de gave Gods tot inkeer kan komen en zijn zonden verlaten (zelfbewustwording en zelfverwerkelijking); en omdat hij, door zijn hoop in God te stellen, de misleidende verlokkingen van zich af kan zetten, op voorwaarde dat hij zijn schepper trouw blijft zoeken – net zoals de gelovige mens, die hierboven aan het woord is, in haar klacht over haar beproeving heeft aangetoond.”
Dit visioen toont de mens die op aarde aan verleidingen blootstaat, maar die zich vastberaden tot God wendt (de opgeheven handen beduiden een biddende houding).
.
Scivias T7 : overlijden en terugkeer naar huis
.
.
“Wat nu het volgende betreft, ‘dat een andere bol (geest) zich losmaakte uit de omtrekken van zijn eigen vorm en haar eigen knopen losmaakte’: dat is omdat die ziel de lichamelijke leden van haar woonplaats (het lichaam) achter zich laat en ook de verbinding tussen deze ledematen verlaat, op het ogenblik dat de ontbinding van deze woonplaats is aangebroken; en ‘dat zij zich ervan losmaakte en haar woonplaats aan ontbinding overliet’: dat is omdat zij, wanneer zij zich uit haar lichaam verwijdert, de plek van haar woonplaats laat instorten, wat haar vrees inboezemt, omdat zij het naderende oordeel van de opperste rechter tegemoet moet zien, omdat zij dan de waarde van haar werken zal inzien, op basis van het rechtvaardige oordeel van God.
En hierom ook is het dat, ‘wanneer de ziel aldus ontbonden is, dat zowel lichtgevende als duistere geesten naderbij treden, die de bol (menselijke geest) vergezeld hadden zolang zij zich nog in die woonplaats bevond’: omdat op het moment van die ontbinding, wanneer de menselijke ziel zijn woonplaats verlaat, engelachtige geesten, zowel goede als slechte, in overeenstemming met de rechtvaardige en juiste beschikking van God, aanwezig zijn; en ‘ze wachten op de losmaking, zodat ze haar, zodra zij volledig ontbonden is, met zich kunnen meevoeren’:
zij wachten immers eveneens op het oordeel van de rechtvaardige rechter over deze ziel op het ogenblik van de scheiding van de ziel van haar lichaam, zodat ze haar, gescheiden van haar lichaam, naar de plek kunnen voeren waar zij zal worden geoordeeld door de opperste rechter volgens de verdiensten van haar eigen werken, net zoals het u, o mens, hierboven waarheidsgetrouw werd getoond.”
(namelijk naar de duistere gebieden, de middelste afbeelding op de miniatuur, of naar de lichte gebieden, de bovenste afbeelding).
.
Scivias T25 : de vrije keuze van de mens
.
.
Een lieflijke, vergulde vrouwenfiguur staat hier omgeven door zes engelen, terwijl rechts van haar zes welwillende gelovigen naderen en links drie personen zich vijandig gedragen. Deze mensen komen vanuit het noordrijk van de duivel en het ongeloof de Stad Gods binnen door de poort die zich bevindt tussen de toren van Gods raadsbesluiten en de zuil van Gods Woord. Hier gebeurt eigenlijk iets heel belangrijks in de geschiedenis van de Verlossing.
Hildegard geeft deze Godskracht of deugd, de naam van Scientia Dei dat is het ‘Weten van God’ of de ‘Godskennis’. Maar dit begrip van kennen wordt in dubbele zin gebruikt. Op de eerste plaats het kennen of het weten van God, wie aan Zijn uitnodiging gehoor geeft en geloof schenkt aan de openbaring. Op de tweede plaats betekent dit het weten van de mens over God. Het antwoord van de mens, die uit vrije wil geloof schenkt aan de openbaring van het Woord Gods.
Hier komt de scheiding der geesten: zij die goed willen, ontvangen als bij het bruiloftsmaal het feestkleed, maar zij die zonder kleed binnendringen, worden teruggedreven. Het is waar dat de Heer de armen van de straat, de ongelukkigen door zijn dienaars liet ophalen, opdat zijn feestzaal vol zou raken. Van ieder wordt echter verwacht dat hij komt in een feestkleed. De uitnodiging is een genadegeschenk, maar men moet er wel gevolg aan willen geven.
Nog een ander belangrijk aspect van de roeping tot het koninkrijk Gods komt hier naar voren: Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren om deel te nemen aan de uitvoering van Gods plannen. God heeft enkelen uitverkoren om zijn medewerkers te worden in de verwerkelijking van het grote bouwplan. Als God in zijn goddelijke ijver om de ongelovigen te bekeren, samen met de gelovigen gaat beginnen de drie gemetselde muren op te trekken, dan heeft Hij bijzondere medewerkers nodig. Aanvankelijk roept hij het joodse volk en oefent het door strenge discipline (de ‘Wetten van Mozes’).
.
.
In het gedachtengoed van Hildegard staat de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens in het middelpunt; het gaat op de weg door dit bestaan om de ontwikkeling van de deugden door een juiste keuze te maken tussen goed en kwaad, met het doel de hemel te bereiken.
Heel Scivias en Liber Divinorum Operum zijn doordrongen van de raad zich altijd in gebed tot God te richten.
.
.
.
.
In de hele Joodse Schrift lezen we dat “de vrees voor God het begin is van begrip,wijsheid en kennis.” De vrees, vertaald als het ontzag voor God, is zelfs een hoofdthema in het gehele Oude Testament:
“Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer; een dwaas veracht de wijsheid en weigert elk onderricht” (Spreuken 1:7).
“Het begin van wijsheid is ontzag voor de Heer, wie leeft naar Zijn wet, getuigt van goed inzicht” (Psalm 111:10).
“Wijsheid begint met ontzag voor de Heer, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige” (Spreuken 9:10).
“Wat Hij heeft besloten, voert Hij uit, en Hij heeft nog veel meer plannen. Daarom maakt Zijn aanwezigheid mij zo beducht; wanneer ik Hem beschouw, dan sidder ik. God heeft mijn hart verzwakt, de Ontzagwekkende heeft mij verlamd” (Job 23:13-16).
“Hebben jullie geen ontzag voor Mij? – spreekt de Heer. Beven jullie niet voor mij?” (Jeremia 5:22).
“Onderwerp u, toon de Heer uw ontzag, breng Hem bevend uw hulde” (Psalm 2:11).
“Het ontzag voor de Heer is zuiver, houdt stand, voor altijd” (Psalm 19:10).
“Laat heel de aarde vrezen voor de Heer, en wie de wereld bewonen Hem duchten” (Psalm 33:8).
“Kom, kinderen, luister naar mij, ik leer je ontzag voor de Heer” (Psalm 34:12).
“Wijs mij Uw weg, Heer, laat mij wandelen op het pad van Uw waarheid, vervul mijn hart met ontzag voor Uw naam” (Psalm 86:11).
“Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef Zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens” (Prediker 12:13).
In deze teksten over Godvrezendheid is het woord ontzag afgeleid van Hebreeuwse woorden zoals yirah, yare en pachad , dat eigenlijk angst, schrik of er- tegenop zien betekent. Hoewel veel christelijke leraren de vrees voor God wat milder zullen overbrengen en in plaats daarvan woorden als respect, eerbied of eer zullen gebruiken, is de Hebreeuwse taal er vrij duidelijk over.
Het goede nieuws is dat de vrees voor God pas het begin is van begrip. Het grote nieuws is dat de Liefde van God, door Jezus Christus weerspiegeld in het Nieuwe Testament, de macht heeft om deze angst te verwerpen en ons te bevrijden!
“De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden” (1 Johannes 4:18).
“Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben. Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden” (1 Johannes 4:7-12).
“Maar God bewees ons Zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren” (Romeinen 5:8).
“Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden” ( Johannes 15:12-13).
Hoe kunnen wij dat zo grote nieuws over Jezus Christus begrijpen als we niet eerst de vrees voor God bevatten? Kunnen wij zonder totaal ontzag voor een volmaakte Schepper werkelijk naar waarde beseffen wat Jezus Christus, de Zoon van God, voor ons deed op het kruis van Golgotha?
Pas als we het hele verhaal begrijpen en accepteren, kunnen we ons leven leiden met een bijzondere waardering voor twee waarheden die naast elkaar bestaan: de “vrees voor God” en de “Liefde van God.”
“.. wie de Heer vreest, zeggen: ‘Eeuwig duurt Zijn trouw’” (Psalm 118:4).
“Vreugde vindt de Heer in wie Hem eren en in wie hopen op Zijn liefde en trouw” (Psalm 147:11).
“Luid riep hij: ‘Heb ontzag voor God en geef Hem eer, want nu is de tijd gekomen dat Hij Zijn oordeel zal vellen. Aanbid Hem die hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeft’” (Openbaring 14:7).
In tegenstelling tot onszelf opereert God niet op een lineaire tijdbalk. Hij is alziend en almachtig. Hij weet wat er was, wat er is, en wat nog zal komen. En dat allemaal op hetzelfde moment! Het is voor het menselijke verstand moeilijk te bevatten. En toch heeft de Heer, om ons te helpen, ons profetie gegeven om ons te bemoedigen en ons een glimp te geven van Zijn plannen, Zijn oordelen en Zijn zegens.
In Openbaring 1:3 zegt Hij: “Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich hou-den aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij.”
Maar profetische verzen zijn door de hele Bijbel heen te vinden. Gods eerste profetische verkondiging vinden we in Genesis 3:15, wanneer Hij Satan aanspreekt over zijn verleiding van Eva. Sommige profetieën voorspellen de opkomst en ondergang van koninkrijken.
Een groot aantal van de profetieën in het Oude Testament wordt Messiaanse profetie genoemd; deze profetieën hebben betrekking op de komende Messias. Deze Schriftteksten zijn een overtuigende bevestiging van de nauw-keurigheid van de Bijbelse profetieën. Hier volg slechts een greep uit de honderden profetieën:
De vier Evangeliën in het Nieuwe Testament staan vol vervullingen van deze Messiaanse Profetieën door Jezus Christus. Zij voorspelden niet alleen (met 100% nauwkeurigheid) Zijn eerste komst om voor onze zonden te beta-len, maar verhalen ook over Zijn tweede komst (de “wederkomst“) om als Koning der Koningen te heersen (Openbaring 19:11-16).
Veel mensen denken dat profetieën mysterieus en onwerkelijk zijn. Om te begrijpen wat profetie precies inhoudt en voor ons vandaag de dag betekent, moeten we ons bewust zijn van het werkelijke bereik van de profetieën en de bedoeling van God. Profetie verbindt het verleden, het heden en de toekomst van de mensheid en geeft ons zo een balans van Gods complete en eeuwige doel.
WAT DENK JIJ?
Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: “Jezus is de Heer”, dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.