categorie: Religie/video/Openbaring
Bijbel College Openbaring deel 1
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
De aarde is van oudsher het symbool van “moeder” . De eerste bouwwerken waren kunstmatige heuvels die de buik van de zwangere vrouw symboliseerden. De vrouw en de aarde werden gezien als beginsel van vruchtbaar-heid. Deze symboliek vinden we terug bij de megalietenbouwers en bij de bouwers van de dolmen. De dolmen symboliseren de baarmoeder. Deze kunstmatige heuvels, megalieten of dolmen werden gebouwd op plaatsen waar de thallurische energie het sterkst was, waar de aarde het meest genezend, dwz. het meest “moeder” was.
.
Getallen zijn symbolen waarmee we dagelijks geconfronteerd worden. In de oudheid was het getal de uitdruk-king van de kosmische wetmatigheid. De mens zag fenomenen zoals de zon, maan, sterren en seizoenen. Hij legde verbanden en drukte ze uit in getallen. De mens zag de wetmatigheid van de kosmos en interpreteerde dit niet wetenschappelijk maar sacraal.
Zo drukte elk bouwwerk deze kosmische wetmatigheid uit en dienden zij om deze kosmische wetmatigheid te versterken. De bouwwerken werden opgericht volgens strikte geometrische patronen. Op zichzelf zijn deze geometrische figuren symbolen. De Kabbalah, een belangrijk begrip in de joodse filosofie, is gebaseerd op getallensymboliek.
.
De cirkel is het symbool van oneindigheid, van perfectie en bijgevolg van God. Het is het natuurlijke symbool van zon en maan. Voor de primitieve mens waren de zon en maan gelijkwaardig. Visueel zijn ze ook even groot. De eerste woningen waren cirkelvormige tenten. De eerste dansen waren cirkeldansen, zij brachten de mens in trance en gaven een gevoel van heelheid.
De voorstelling van de steen der wijzen, de ridders van de ronde tafel, de slang in de vorm van een cirkel die in haar eigen staart bijt was bij de gnostici het symbool van de wijsheid en van de onsterfelijkheid. God wordt beschreven als een cirkel waar de omtrek nergens en het middelpunt overal is.
.
.
De driehoek is een oersymbool dat overeenkomt met de fysische vorm van het vrouwelijk geslachtsorgaan. De drie hoeken zijn de drie aspecten van de vrouw.
1. de vrouw als maagd (sacraal: als priesteres)
2. de vrouw als moeder (het leven gevend beginsel)
3. de vrouw als minnares (minnares van God, brengster van tederheid, de bezorgde en de verleidster)
Deze drie godinnen zijn één, de driehoek is dan ook het symbool van de drie-eenheid. Over het woord “maagd” zijn heel wat misvattingen. De orthodoxe opvatting over het woord maagd is zeker niet de oorspronkelijke bete-kenis zoals die door de evangelisten bedoeld werd. Het gaat niet over het biologisch feit maagd te zijn maar over de kwaliteit van het bewustzijn. Christus werd geboren uit een maagd waarmee men bedoelt dat Hij werd gebo-ren uit het onbevlekte bewustzijn. Het maagd zijn van O.L.Vrouw dienen we te interpreteren niet als een biolo-gisch feit maar in de zin van een vrouw van zuiver en onbevlekt bewustzijn. De driehoek is ook het symbool van God en van Satan. In de gnostiek, het dualisme, zijn God en Satan niet los van elkaar te koppelen.
.
.
Het punt is het perfecte symbool. Het is in de astrologie het symbool voor de zon. Een cirkel met in het middel-punt een punt is het symbool van de mens. De mens is het punt, de cirkel symboliseert de begrenzing van zijn wereld. In de slaap is het bewustzijn een punt, een lichtpunt.
.
De spiraal is het symbool van de spirituele groei. De spiraal drukt het cyclisch karakter uit van alles. Het menselijk bestaan is cyclisch, het komt steeds terug, maar niet zoals bij een cirkel, wel op een steeds hoger of lager niveau. De mens zoekt zijn weg in een spiraal.
.
.
De mandala (Sanskriet voor cirkel) is een cirkel in 64 delen opgedeeld en is het symbool van energie en kracht. De mandala drukt een hogere waarneming uit van een bepaald aspect van het universum. De mandala symboli-seert kracht en energie en is er een abstracte voorstelling van.
.
Het medicijnwiel (soort indiaanse mandala) is eveneens het symbool van kracht. Alles wat kracht geeft is cirkel-vormig. Een draaiende beweging van het rad geeft ons het beeld van een spiegel. Door de spiegel doorziet men het leven. Het is ook een verzameling van kruisen die in een cirkel gevat zijn.
.
Het hexagram, Davidster, Salomonszegel of zespuntige ster bestaat uit twee in elkaar geschoven driehoeken en wordt de laatste decennia helaas geassocieerd met de Jodenster uit het Derde Rijk. Een symbool dat afkeer, schuldgevoelens en haat oproept. Dit oeroude en wijdverbreide symbool dat we tot in de verre oudheid terug-vinden betekent echter heel wat anders.
Wanneer we het hexagram goed bekijken onderscheiden we twee in elkaar geschoven driehoeken. De driehoek met de punt naar onder symboliseert de vrouw en het vrouwelijke. De driehoek met de punt naar boven symbo-liseert de man en het mannelijke. De vrouwelijke driehoek staat voor water, de delta. De mannelijke driehoek voor het vuur en het vurige.
Waarom werd dit symbool dan voor de Joden gebruikt? De zeshoekige ster werd door koning Salomon, zoon van David, vandaar Davidster of Salomonszegel, gebruikt om God te symboliseren. Zoals we weten kent het Judaïsme geen afbeeldingen of voorstellingen van God. De ster symboliseert Jahwe en werd gedragen door de koningen van Juda (door de koninklijke messiassen, niet door de profetische of de priesterlijke).
.
De swastika (Sanskriet: “het is goed”) is het symbool van welzijn en geluk. Het symboliseert de wentelgang van de vier seizoenen van het ronddraaiend jaar en van oneindigheid. De swastika is bij de Boedhisten het symbool voor de zon. In het oude China staat het hakenkruis symbool voor de oriëntering naar de vier windstreken en wordt het gebruikt om het getal tienduizend (oneindig) aan te duiden.
De oorsprong van de kruisvorm (het Grieks kruis met de gelijke balken) kan een combinatie zijn van vertikale en horizontale balken (geest en materie) of van een orientatie-situatie N-O en Z-W. Het kan refereren naar de recht-opstaande mens met gespreide armen. In de Islam is het kruis het symbool van de universele mens.
Het kruis is ook het symbool van de antichaos, het symbool van de ordening en voor het evenwicht in de mens, in het leven, in de natuur en in de kosmos. Het kruis verdeelt een vlak in vier delen, wat visueel een sterke indruk maakt en vaak als schending van een oppervlak ervaren wordt. Het is dus niet verwonderlijk dat het kruis aan-dacht opeist.
Bij de Maya’s verwijst het kruis naar de kosmische indeling in vier windstreken met als vijfde deel het centrum: de mens zelf. Bij de oud-Egyptenaren gebruikte men het kruis in de hiërogliefen om vernietiging en wraak uit te drukken. Bij de Indianen van Noord-Amerika en Canada is het kruis een antropomorf oriëntatiebeeld (antro-pomorf is de menselijke godsvoorstelling).
De top van het kruis wijst naar de richting van de koude noorderwind, de linkerkruisarm of oostelijke symboliseert het hart en de liefde. De rechterarm is de richting van de vriendelijke westenwind, de plaats van de longen waar-van de adem uitgaat en de voet van het kruis symboliseert de brandende zuidenwind en is het symbool voor de vurige passie. In de symboliek van vele Afrikaanse stammen verwijst het kruis naar de kosmos, naar de sterren of naar hemellichamen.
.
Het Sint-Andrieskruis (gekanteld kruis of de x-vorm) is een oorspronkelijk runeteken dat de betekenis heeft van geven. Sinds de vroegste geschiedenis van de beschaving wordt het gekantelde kruis gebruikt om een snijpunt van wegen aan te geven. Het Andrieskruis heeft in tegenstelling tot het Griekse kruis een meer dynamisch en spiritueel actief karakter.
.
.
.

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.
.
Neem deze tekst goed door en visualiseer het tafereel ; vraag dan om een gunst
.
Ga op een zachte ondergrond liggen en ontspan je, let op je ademhaling en zet alle zorgen van de dag opzij. Neem daar je tijd voor.
.
Pasteltekening van John Astria
.
Ziehier de betekenis van de hele symboliek zoals de Meesteres van alle zielen deze openbaart:
.
.
.
De dadelpalm is een van de kenmerkende bomen van het Midden-Oosten, en werd in Bijbelse tijd veel gekweekt in Israël. In de Jordaan vallei groeiden dichte palmbossen, en Jericho werd bekend als “de palmstad” (Deuteronomium 34: 1-5 ; 2 Kronieken 28:15).
.
1 Daar, in de vlakte van Moab, klom Mozes toen de berg Nebo op. Dat is één van de bergen van de Pisga die tegenover Jericho liggen. Vanaf die berg liet de Heer hem het hele land zien, vanaf het gebied van Gilead tot aan het gebied van Dan, 2 het hele gebied van Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, het hele gebied van Juda tot aan de Grote Zee, 3 het Zuiderland en de vlakte in het dal van Jericho de Palmstad tot aan Zoar. 4 De Heer zei tegen hem: “Dit is het land dat Ik aan Abraham, Izaäk en Jakob heb beloofd toen Ik hen zwoer: ‘Ik zal dit land aan je familie ná jou geven.’ Ik heb het je nu laten zien. Maar je zal niet oversteken om er binnen te gaan.”
15En de mannen die hierboven genoemd zijn, begonnen de gevangenen te helpen. Ze gaven de mensen die niets meer aan hadden, kleren en schoenen uit de buit. Ze gaven iedereen eten en drinken en ze verzorgden hun wonden met olijf-olie. De mensen die te zwak waren om nog te lopen, zetten ze op ezels. Zo brachten ze hen naar Jericho in Juda, de Palmstad. Daarna gingen ze terug naar Samaria.
.
.
39 Dus vanaf de 15e dag van de zevende maand, als jullie de oogst van jullie land binnenhalen, moeten jullie zeven dagen lang voor Mij feestvieren. Op de eerste dag mogen jullie niet werken en op de achtste dag mogen jullie niet werken. 40 Op de eerste dag moeten jullie takken van de fruitbomen, palmbomen en wilgen afsnij-den. Van die takken bouwen jullie hutten. Jullie moeten zeven dagen lang voor Mij feest vieren. 41 Dus zeven dagen in het jaar vieren jullie dit feest voor Mij. Het is een eeuwige wet. Jullie moeten dit feest in de zevende maand vieren.
6 Wat is de liefde toch heerlijk. Het is het mooiste wat je verlangen kan. 7 Je bent zo slank en sierlijk als een dadelpalm. Je borsten zijn de dadeltrossen. 8 Ik dacht: ‘Ik wil in die dadelpalm klimmen en van de dadels eten.’ Je borsten zijn zo heerlijk als druiventrossen en je adem ruikt naar appeltjes.
.
Dat beeld werd door de psalmist ook op de rechtvaardigen toegepast (Psalm 92:13-15). Bij zijn komst in Jeru-zalem werd de Here Jezus door de scharen verwelkomd met palmtakken, en als Hij terugkomt, zullen de heiligen, de gelovigen uit alle plaatsen en tijden, Hem ook zo huldigen (Johannes 12:12-14 ; Openbaring 7: 9-10).
13 Als je leeft zoals God het wil, zal het goed met je gaan. Je zal groeien als een palmboom, hoog worden als een cederboom op de Libanon. 14 Je bent dan geplant op het voorplein van het heiligdom van onze God. 15 Zelfs als je oud bent geworden, zullen er nog vruchten aan je groeien. Je zal nog steeds fris en groen zijn.
.
12 De volgende dag hoorden de mensen die voor het Paasfeest waren gekomen, dat Jezus naar Jeruzalem kwam. 13 Ze trokken takken van de palmbomen, gingen Hem tegemoet en riepen: “Hosanna! (= ‘Red toch!’) Gods zegen op de Man die door de Heer is gestuurd!” En: “Leve de Koning van Israël!” 14 Jezus liet een jonge ezel halen en ging er op zitten.
9 Daarna zag ik een groep mensen die zó groot was dat niemand hen kon tellen. Het waren mensen van alle volken en stammen en landen en talen. Ze stonden voor de troon en voor het Lam. Ze hadden lange witte kleren aan en hielden palmtakken in hun handen. 10 En ze riepen luid: “Wij zijn gered dankzij onze God die op de troon zit, en dankzij het Lam!”
.
.
.
.
.
.
.
.
Voor een goed begrip van de Bijbel, in het bijzonder van de Bijbelse Geschiedenis, is het nodig om enigszins bekend te zijn met de Bijbelse Oudheidkunde.
.
De naam Israëlitische Oudheidkunde moet als te beperkt worden verworpen. Pas na de uitleiding uit Egypte treden de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob in de geschiedenis op als het volk Israël. Bij de Sinaï heeft God hen geformeerd tot een volk, en aangenomen tot Zijn volk, dat tot op Christus’ komst drager van Zijn bijzondere openbaring zijn zou. Aangezien echter de bijzondere openbaring niet eerst toen, maar al direct na de zondeval begonnen is, moet de Oudheidkunde ook van hen, die van Adam af met deze openbaring werden bedeeld, het leven en de leefvormen beschrijven, althans voor zover dit mogelijk is.
.
Wat de tijden vóór Mozes aangaat, staan ons niet veel gegevens ter beschikking. Aan het tijdperk van Adam tot Abraham worden in de Schrift slechts enkele bladzijden gewijd. Wel valt er meer te beschrijven over het tijdperk van Abraham tot Mozes, maar kan er zeker geen volledige beschrijving van de Oudheidkunde in dit tijdvak gege-ven worden. En het weinige, dat meegedeeld word, geeft wel enig inzicht in het godsdienstig leven, maar biedt heel weinig gegevens over het burgerlijk-maatschappelijk leven.
.
Wat de indeling van de voorhanden stof betreft, verdient het de voorkeur, om eerst het godsdienstig leven, en vervolgens het persoonlijk en huiselijk, het maatschappelijk en staatkundig leven te beschrijven. Als bezwaar wordt hiertegen ingebracht, dat het natuurlijke eerst is, daarna het geestelijke, en dat de bijzondere openbaring altijd begint met in het natuurlijk leven in te gaan. Dit bezwaar is niet helemaal ongegrond. Het kan niet worden ontkend, dat de goddelijke instellingen en gebruiken het natuurlijk leven veronderstellen en zich daarbij aansluiten.
Anderzijds mag echter niet worden voorbijgezien, dat juist op het terrein van de bijzondere openbaring heel het leven door de dienst van God wordt beheerst en gedragen. Het is, om een voorbeeld te noemen, de roeping van en de belofte aan Abraham, die de levensgang van de aartsvaders bepaalt. Met name bij Israël is het burgerlijk-maatschappelijk leven niet los te denken van het godsdienstige leven. Heel de nationale ontwikkeling van Israël hangt ten nauwste samen met zijn verkiezing en bestemming tot volk van God.
.
.
.
Terstond na de geschiedenis van de zondeval (Gen. 3 : 1) lezen we van het offer, door Kaïn en Abel gebracht (Gen. 4 : 1). In het algemeen heeft het offer ten doel, de gemeenschap met God te zoeken, door Hem een stoffelijke ga-ve aan te bieden. Vóór de val wijdde de mens zichzelf met al het zijne de Heere toe. Maar door de zonde werd de gemeenschap met God verbroken. Toen heeft God Zelf de gevallen mens opgezocht, hem de belofte geschonken van het vrouwenzaad, (Gen. 3 : 15).
Kaïn en Abel zijn de eersten, van wie wij lezen, dat zij hebben geofferd, kennelijk met het doel, Gods gemeen-schap te zoeken, een blijk van Zijn gunst te ontvangen, door Hem met welgevallen te worden aangezien. Een andere onderscheiding dan die tussen bloedige en onbloedige offers, (Gen. 4 : 3 en 4) werd blijkbaar nog niet gemaakt.
Uit het feit, dat er vóór Abraham alleen van brandoffers sprake is, niet van zonde- en schuldoffers, mag niet wor-den afgeleid, dat de behoefte aan verzoening niet werd gekend. Pas bij Noach lezen we van een altaar, (Gen. 8 : 20) waaruit echter niet volgt, dat er vóór de zondvloed niet op een altaar zou zijn geofferd. In de dagen van Seth, na de geboorte van Enos (Gen. 4 : 26) “begon men de Naam van de Heere aan te roepen”, d.w.z. er werd een begin gemaakt met de openbare godsdienstoefening. Op geregelde tijden kwam men samen tot gemeenschap-pelijke verering en offerande.
.
Van de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob, weten wij, dat zij op de plaats waar de Heere hun verscheen, of waar zij zich voor enige tijd dachten te vestigen, altaren bouwden, om God hun offers te brengen en daar in het gebed tot Hem te naderen, (Gen. 12 : 7 – 13 : 4 – 21 : 33 – 26 : 25). Deze altaren waren hoogten, gebouwd van ongehou-wen stenen of van graszoden, en stonden in de open lucht of onder de schaduw van een boom. Het offer werd gebracht door de huisvader. Een speciaal ingesteld priesterschap kent de patriarchale tijd niet.
.
Aan Abraham werd reeds als een blijvende instelling de besnijdenis bevolen. Op zijn 99 ste jaar sprak de Heere tot hem: Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde” (Gen. 17 : 10). Deze besnijdenis, die op de achtste dag moest plaatshebben, was dus een teken en een zegel van het verbond, dat tot inhoud had: “u te zijn tot een God en uw zaad na u” (Rom. 4 : 11). De wegsnijding van de voorhuid, dat in de regel door de huisvader met een stenen en later met een stalen mes gedaan werd, was een zegel van de wegneming van “de voorhuid des harten” en van “de besnijdenis des harten”, dat is van het zondige hart, de vleselijke natuur, waaruit de zonden voortkomen.
Ook ingeborene en gekochte slaven, alsook inwonende vreemdelingen, waren aan het bevel van de besnijdenis onderworpen (Gen. 17 : 12 en 13). Lang vóór Abraham werd al bij de Egyptenaren en andere volken uit de oud-heid de besnijdenis toegepast als een soort van gezondheidsmaatregel, en dan niet voor elke man uit het volk, maar alleen voor de priesters, terwijl van een besnijdenis van kinderen nooit sprake was. De moslims voltrekken ze, ook nu nog, pas op hun 13e jaar (Gen. 17 : 25).
Zoals God niet pas tijdens Noach de regenboog in het aanzijn riep, maar die voortaan stelde tot een teken van Zijn verbond, zo sloot Hij, toen Hij aan Abraham de besnijdenis gaf, Zich aan bij een reeds onder andere volken bestaand gebruik, maar bepaalde daarvoor wel een geheel nieuwe manier van bediening, en gaf daaraan ook een geheel nieuwe, geestelijke betekenis.
.
Bij de aartsvaders lezen we voor het eerst van het eed zweren. Toen God aan Abraham de belofte van het verbond gaf, zwoer Hij bij Zichzelf, dat Hij bij niemand die meerder was, had te zweren (Gen. 22 : 16 tot 26) en (Hebr. 6 : 13). Abraham liet zijn knecht zweren bij de Heere, de God des hemels en der aarde (Gen. 24 : 2 en 3). Jakob zwoer bij de vreze van zijn vader Izaäk: (Gen. 31 : 53) “dat is, bij God, Die zijn vader Izaäk met grote eerbied en godvruchtigheid diende”. Bij het zweren werd de hand opgeheven tot de hemel (Gen. 14 : 22) of gelegd onder de heup van hem, die de eed vroeg (Gen. 24 : 2 tot 9 – 47 : 29) (Gen. 21 : 23 – 24 : 31 – 25 : 33 – 26 : 31 – 47 : 31 – 50 : 25).
.
Ook de patriarchale zegening was een godsdienstige handeling. Hierbij traden de aartsvaders op als profeten, wat onder meer hieruit blijkt, dat zij de zegening niet gaven aan de kinderen, voor wie zij een zekere voorliefde had-den (Gen. 27 : 27 en 39 en 49 – 48 : 14). Abraham heeft Izaäk niet gezegend; dat Izaäk de erfgenaam van de be-lofte zou zijn, was boven alle twijfel verheven. De zegening van Izaäk moest echter het onderscheid tussen Jakob en Ezau, de zegening van Jakob het onderscheid tussen Juda en zijn andere zonen openbaren en in de historie vaststellen.
.
Hoewel de aartsvaders zich zelf vrij hielden van alle afgoderij, sloop deze nochtans hun tenten binnen. Rachel stal de terafim van haar vader (Gen. 31 : 19) en Jakob moest, vóór hij zijn gelofte te Bethel kon vervullen, de vreemde goden en de (waarschijnlijk als amuletten gedragen) oorsierselen van zijn huisgenoten wegdoen (Gen. 35 : 2).
Pasteltekening van John astria
.
Van het godsdienstig leven van de kinderen Israëls tijdens hun verblijf in Egypte wordt in de Schrift weinig mee-gedeeld. De godvruchtigen hebben stellig geleefd bij de beloften, aan de vaderen gedaan, en de hoop vastge-houden op het toekomstig bezit van Kanaän (Ex. 4 : 29 tot 31). Dat de sabbat in ere werd gehouden, kan als zeker worden aangenomen; uit het feit, dat er op de sabbat geen manna viel, blijkt dat hij door Israël vóór de wetge-ving al werd gevierd (Ex. 16 : 23 tot 30). In Egypte werden de afgoden door velen gediend (Lev.17 : 7) (Ez. 20 : 7 tot 9). In de latere geschiedenis komt telkens uit, hoezeer de zeden en gewoonten van de Egyptenaren invloed op de Israëlieten hebben uitgeoefend. Zeer waarschijnlijk heeft de herinnering aan de stierdienst in Egypte geleid tot het maken van het gouden kalf bij de Sinaï (Ex : 32).
.
.
Uit kracht van het verbond met Abraham waren de kinderen Israëls ten allen tijde een afgezonderd geslacht. Daarom noemt de Heere hen, in opdracht aan Mozes, “Mijn volk”(Ex. 3 : 7 en 10). Voor het eerst bij de Sinaï echter worden ze daadwerkelijk geformeerd tot een volk, en gaat de belofte in vervulling: “Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn”(Ex. 6 : 6). Uit kracht van de genadige betrekking, waarin God Zich tot Israël stelt, in onderscheiding van andere volken, geeft Hij het volk Zijn wetten en inzettingen, die alle rusten op de Wet, nl. de Wet van de tien geboden (Ex 20 en Deut 5).
God, Die heilig is, had Israël verkoren om een heilig volk te zijn en zich Hem geheel en al toe te wijden. Israël was dat, wanneer het in- en uitwendig, in geloof en levenswandel, zich gedroeg overeenkomstig de wetten, welke God bij de Sinaï gaf. Deze heiligheid, waartoe Israël geroepen was, sloot niet alleen de zedelijke heiligheid in, die in de wet van de tien geboden, maar ook de ceremoniële heiligheid, die in de schaduwachtige wetten wordt ge-vraagd. Deze laatste, die in Christus en Zijn gemeente hun vervulling verkrijgen, bevatten wat door God was bepaald omtrent:
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
Onze huidige tijd is er een van revolutionaire veranderingen waar geen enkele andere tijd mee te vergelijken en geconfronteerd is. Het is dan ook niet vreemd dat veel mensen zich vragen beginnen te stellen over de toekomst. Allerlei prognoses, hypothesen en fantasieën doen de ronde maar er niemand die weet waar het met de wereld naar toe gaat.
Als christenen hoeven wij niet in het onzekere te verkeren voor wat betreft onze toekomst en die van de wereld waarin wij leven. God heeft ons in zijn Woord duidelijk de contouren geschetst van zijn plan met deze wereld en wij kunnen daarvan kennis nemen middels de Bijbel. De Heer Jezus zegt dat wanneer de heilige Geest zal komen dat Deze ons zal inlichten over de toekomstige dingen (Joh.16:13).
‘En zo hebben wij het profetisch woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten’ (2Petr.1:19).
In de christelijke traditie wordt Bijbelse profetie nadrukkelijk onderscheiden van waarzeggerij, wichelarij, uitleggen van voortekenen, tovenarij, bezweringen en ondervragen van doden (spiritisme). Ongeveer een vierde van de Bijbel is profetie om te ontdekken dat God in controle is en bezig is zijn plan ten uitvoer te brengen.
.
.
Het begrip profetie in Bijbelse zin heeft een bredere betekenis dan alleen maar toekomstvoorspelling. Profeet zijn is spreken namens God tot mensen, zowel voorzeggend als voortzeggend. Zo’n ‘godsspraak door profetenmond’ kan troostend, vermanend of oordelend van aard zijn. De godsspraak kan ook geuit worden in de vorm van een lied (zoals bij Mozes, Mirjam, Hanna, Maria en in de Psalmen) en kan soms ook betrekking hebben op een gebeurtenis in de nabije of verre toekomst.
Veel oudtestamentische profetieën riepen op tot herstel of handhaving van de Wet, en kondigden oordelen aan wanneer het verbond met God verbroken werd. In Bijbelse tijden werden door middel van profetie mensen geroepen tot het koningschap (zoals Saul, David, Jehu) of tot gemeentelijke taken (zie bijvoorbeeld Hand.13:2).
Bijbelse profeten profeteerden volgens eigen zeggen niet uit zichzelf (vgl. Am.3:7; Jer.23:18). Apostel Petrus schreef hierover:
‘Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’ (2Petr.1:21).
De profeet Jeremia beschreef in zijn zielenstrijd dat de kracht van de Geest van God voor een goedwillende profeet nagenoeg onweerstaanbaar was (Jer.20:7-9).
Ook het tweede deel van de Bijbel, het Nieuwe Testament, is vol profetie. Zacharias en Elizabeth, Maria, Simeon en Anna profeteerden. Johannes de Doper en Jezus traden op als profeet. Zij deden dit op de grens van het oude en het nieuwe verbond (Luk.22:20).
Verder komen we mannen en vrouwen tegen die profeteren, bijvoorbeeld de profeten Agabus (Hand.11:27-10, 21:10-11), Judas en Silas (Hand.15:32), de vier dochters van Filippus (Hand.21:9) en anderen (Hand.11:27, 13:1). De christelijke gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en nieuw testamentische profeten (1Kor.12:28, Ef.4:11), waarvan Jezus zelf de hoeksteen is (Ef.2:20). In de Openbaring aan Johannes lezen we over Gods profeten (Op.10:8; 11:18; 18:20; 22:6,9).
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
Profetie is ons niet gegeven om te speculeren, maar om te motiveren’
.
Het doel van de profetie is niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar om ons praktisch geloofsleven een extra stimulans te geven tot een heilig leven. Met het oog op de wederkomst van de Heer Jezus schrijft de apostel Johannes:
‘En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1Joh.3:3) en
‘Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, nog meer gerechtigheid doen; en die heilig is, zich nog meer heiligen’ (Op.22:11).
Maar dat niet alleen. God heeft geweldige plannen met zijn schepping en wil ons daarover inlichten opdat ook wij ons daarin zouden verheugen :
‘Voorzeker, de Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten’ (Am.3:7).
In de Bijbel zien we hoe het plan van God, om zijn Christus in de wereld te brengen, zich geleidelijk ontwikkeld. Dat plan heeft zijn begin in het boek Genesis en vindt zijn uiteindelijke vervulling in het boek Openbaring. Dat maakt de Bijbel tot een heel bijzonder boek.
Omdat God zijn plan op Schrift heeft laten stellen, is die God ook verifieerbaar. We kunnen Hem niet alleen volgen maar ook ontdekken dat zijn beloften waar zijn. Veel profetieën hebben hun vervulling al gekregen bij de eerste komst van de Heer Jezus bij zijn geboorte, lijden en sterven. Veel profetieën zullen nog vervuld worden bij zijn wederkomst. Laten we maar eens als voorbeeld Handelingen 2 nemen waar we een gedeeltelijke profetie zien van Joël wanneer hij spreekt over de uitstorting van Gods Geest in de laatste dagen (Hand.2:17-21).
Lukas – de schrijver van het boek Handelingen – zegt dat er eenzelfde manifestatie van Gods Geest zal zijn voor-dat de grote en doorluchtige dag des Heren komt.
Het doel van profetie is de openbaring van de Heer Jezus:
‘Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie’ (Op.19:10).
Het plan van God vindt zijn hoogtepunt in de verhoging van Christus:
‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader’ (Fil.2:9-11).
.
.
De Heer Jezus zegt in Johannes 15:15 :
‘Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord, bekend gemaakt heb’.
Gelukkig heeft God zijn plan niet voor ons verborgen gehouden. Paulus zegt dat:
‘Hij ons de verborgenheid van zijn wil bekend heeft gemaakt, naar zijn welbehagen, dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één hoofd samen te brengen in Christus’ (Ef.1:9-10).
De leer omtrent ‘de laatste dingen’ de eschatologie is wat in onze tijd de meeste aandacht trekt, maar we moeten niet vergeten dat dit slechts een onderdeel uit maakt van de profetie. Er zijn een aantal redenen te noemen waarom in onze tijd een vernieuwde aandacht voor de toekomstige dingen is, en dat niet slechts bij christenen.
De jaren zestig zette veel mensen aan het nadenken over de vraag waar het met onze’planeet aarde naar toe ging. Er zijn verschillende krachten die onze wereld veranderen:
Als christenen kunnen we naast deze zaken verder denken aan het ontstaan in van het volk Israël in 1948. Maar ook het ontstaan van de Europese Unie waarin velen de wedergeboorte van het antieke Romeinse Rijk in menen te herkennen. De vraag is, hoe het mogelijk is dat Europa na haar ondergang in 476 in de vijftiende eeuw een wedergeboorte (renaissance) heeft gekend en zo’n dominerende invloed heeft gehad over de rest van de wereld. Of het Westen nog eens ten onder zou kunnen gaan en weer opstaan is een boeiende vraag voor christenen.
Pasteltekening van John Astria
.
Van de volkeren wordt gezegd dat zij :
‘de gedachten des Heren niet kennen en zijn raadslag niet verstaan’ (Mi.4:12).
Welk mens kan ons zeggen wat de toekomst zal brengen? De mens die niet eens weet, hoe morgen zijn leven zal zijn? (Jak.4:14).
Voor betrouwbare informatie betreffende het plan van God en de toekomstige dingen zijn wij geheel en al aangewezen op Gods openbaring daarvan in de Bijbel en door de verlichting van zijn Geest:
‘Vraagt Mij naar de toekomstige dingen’ zegt de Here God (Jes.45:11).
God is immers die God die:
‘van de beginne de afloop verkondigt en vanouds wat nog niet geschied is’ (Jes.46:10).
Al Gods plannen waren nog niet geopenbaard in het Oude Testament, dat blijkt wel uit de woorden van de Heer Jezus die heeft gezegd:
‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest’ (Mat.13:34).
Wanneer de Heer Jezus de komst van de heilige Geest aankondigt wordt daarvan gezegd dat:
‘Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd’ (Joh.14:26).
Maar niet alleen dat, ook zou de Geest ons in de hele waarheid leiden en de toekomstige dingen zou Hij ons verkondigen (Joh.16:13, 14). Met andere woorden we krijgen door de Geest inzicht in de leer van het Bijbelse geloof en leven vermeld in de diverse brieven. Ook in de leer omtrent de laatste dingen, de eschatologie, vermeld in het Oude en Nieuwe Testament.
De apostel Paulus heeft het voorrecht gekend enkele van die geheimenissen, of verborgenheden te duiden. Die geheimenissen waren :
We dienen ons dus afhankelijk van Gods Geest en Woord op te stellen in het onderzoek van Gods plan. Het Woord dient gezag te hebben over ons leven en denken. Om niet te ontsporen in allerlei speculaties is het noodzakelijk dicht bij het licht van Gods Woord te blijven. Veel zaken zullen duidelijk worden als de tijd daarvoor aangebroken is:
‘Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is’ (1Joh.3:2).
Pasteltekening van John Astria
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht.
Uw schoonheid moet niet gelegen zijn in uiterlijkheden, zoals kunstig gevlochten haar, gouden sieraden of elegante kleding, maar in wat verborgen ligt in uw hart, in een zacht en stil gemoed. Dat is een onvergankelijk sieraad dat God kostbaar acht.
Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld.
Onderwerp u dus nederig aan Gods hoge gezag, dan zal hij u op de bestemde tijd een eervolle plaats geven.
Wie van u kan wijs en verstandig genoemd worden? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid.
En wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen.
Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’
Wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.
Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen.
Vrouwen, erken het gezag van uw man, zoals past bij uw verbondenheid met de Heer. Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet bitter tegen haar.
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde.
Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’
Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen.
Ik, Nebukadnessar, roem, verhef en verheerlijk nu de koning van de hemel. Al zijn daden zijn juist en zijn paden recht. Wie hoogmoedig zijn, kan hij vernederen.
Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen.
Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.
Want er staat geschreven: ‘Zo waar ik leef – zegt de Heer -, voor mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’
Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen.
Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.
.
.
.
.
.
Bomen komen veelvuldig in de Bijbel voor en de ceders van de Libanon nemen daarin een voorname plaats in. Niet minder dan 72 keer wordt er in het Oude Testament van deze statige coniferen melding gemaakt. De ceder groeit langzaam en wordt zeer hoog, tot wel 40 meter. Hij is inheems in de landen rondom de Middellandse Zee, maar wordt overal in de wereld als sierboom geplant.
Een ceder is ook makkelijk te herkennen aan zijn dikke, rechte stam en zijn enorme kroon van horizontale takken. Cederhout is zacht, aromatisch en duurzaam. Het wordt in de wijde omgeving als bouwmateriaal gebruikt en verwerkt.
In de Bijbel lezen wij voor het eerst over ceders in verband met de reinigingsrituelen van de Israëlieten: de reiniging van een melaatse (Leviticus 14) en in het voorbereiden van het reinigingswater (Numeri 19). De combinatie met hysop, een zeer algemene plant, doet vermoeden dat hier wordt bedoeld dat iedereen, rijk of arm, reiniging nodig heeft (zie 1 Koningen 4:33).
.
Leviticus 14
.
1 De Heer zei tegen Mozes: 2 “Als iemand genezen is van een besmettelijke huidziekte en hij wil weer rein verklaard worden, dan moet hij naar de priester gaan. 3 De priester moet naar hem toe gaan, buiten het tentenkamp. Als hij ziet dat de besmettelijke huidziekte genezen is en helemaal verdwenen, zal de priester hem zeggen dat hij weer gezond is. 4 De priester moet de man twee levende, reine vogels laten brengen, voor een offer. Verder ook cederhout, rode wol en een bosje van de hysop-plant. 5 De ene vogel moet worden geslacht boven een pot van gebakken klei waar vers bronwater in zit. 6 Daarna moet de priester de levende vogel nemen, met het cederhout, de rode wol en het bosje hysop. Hij moet die alle drie, samen met de levende vogel, indopen in het bloed van de vogel die boven het verse bronwater is geslacht. 7 Dan moet hij de man die van de besmettelijke huidziekte gereinigd moet worden, zeven keer met dat bloed besprenkelen. Daarna zal de man rein zijn. De levende vogel moet hij vrij laten wegvliegen. 8 En de man die gereinigd moet worden, moet zijn kleren wassen, zijn haar en baard afscheren en zich in water wassen. Dan zal hij rein zijn. Daarna mag hij weer in het tentenkamp komen. Maar hij moet nog zeven dagen buiten zijn tent blijven. 9 Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren: zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Hij moet zijn kleren wassen en zich helemaal in water wassen. Dan zal hij rein zijn.
.
Numeri 19 : 1-7
1 De Heer zei tegen Mozes en Aäron: 2 “Dit is de wet die Ik geef: Laat de Israëlieten een gezonde, roodbruine koe naar de priester Eleazar brengen. Het dier mag nog nooit een juk gedragen hebben. 3 Eleazar moet het dier buiten het tentenkamp laten slachten en daar zelf bij zijn. 4 Daarna moet Eleazar zijn vinger in het bloed dopen en zeven keer bloed sprenkelen in de richting van de tent van ontmoeting. 5 Daarna moet een priester de hele koe verbranden tot er alleen nog as van over is: de huid, het vlees, het bloed, de darmen en de mest moeten worden verbrand. Eleazar moet daar bij zijn. 6 Hij moet cederhout, een bosje van de hysop-plant en wat rode wol op de brandende koe gooien. 7 Daarna moet hij zijn kleren wassen en zich helemaal in water wassen. Pas daarna mag hij het tentenkamp weer in komen. Maar hij is tot de avond onrein.
.
1 Koningen 4 : 33
.
33 Over alles wist hij wel een wijze spreuk: over de bomen, van de grote cederboom op de Libanon tot en met de kleine hysop-plant die op de muren groeit, over het vee, de vogels, de kruipende dieren en de vissen.
Cederhout was toen zeer gewild voor bouwwerken; het werd gebruikt voor de paleizen van de koningen David en Salomo, en voor de tempel, die Salomo voor de Heer bouwde. Dit was mogelijk omdat Hiram, de koning van Tyrus, bevriend was met Israël (1 Koningen 5:1-12).
.
.
1 koningen 5 : 1-12
1 Koning Hiram van Tyrus hoorde dat Salomo de nieuwe koning was. Hij stuurde dienaren naar hem toe om hem te feliciteren. Want Hiram was altijd goed bevriend geweest met David. 2 Daarna stuurde Salomo hem een boodschap: 3 “U weet wel dat mijn vader David geen tempel voor zijn Heer God kon bouwen, omdat hij aldoor oorlog voerde. Uiteindelijk heeft de Heer al Davids vijanden overwonnen. 4 Nu heeft mijn Heer God mij aan alle kanten vrede gegeven. Er is geen enkele vijand en geen enkel gevaar. 5 Nu zou ik voor mijn Heer God een tempel willen bouwen. Want de Heer heeft tegen mijn vader David gezegd: ‘Jouw zoon die Ik na jou koning zal maken, zal een tempel voor Mij bouwen.’ 6 Wilt u alstublieft uw dienaren opdracht geven om voor mij op de Libanon cederbomen te kappen. Mijn dienaren zullen hen helpen. Ik zal uw dienaren betalen wat u wil. Want niemand heeft zoveel verstand van het kappen van bomen als de Sidoniërs.”
7 Toen Hiram deze boodschap van Salomo kreeg, was hij erg blij. Hij zei: “Prijs de Heer! Hij heeft David een wijze zoon gegeven om over dit grote volk te regeren!” 8 En hij liet tegen Salomo zeggen: “Ik heb uw boodschap ontvangen. Ik zal alles doen wat u wenst wat betreft het cederhout en het cipressenhout. 9 Mijn dienaren zullen het van de Libanon naar de zee brengen en er daar vlotten van maken. Laat mij weten waar ik die vlotten naar toe moet laten brengen. Daar zal ik de vlotten weer uit elkaar laten halen, zodat u het hout kan ophalen. Als betaling levert u het eten voor mijn paleis.” 10Zo leverde Hiram aan Salomo zoveel cederhout en cipressenhout als Salomo wenste. 11 En Salomo betaalde Hiram hiervoor elk jaar 20.000 kor (5 miljoen liter) tarwe en 20 kor (500 liter) olijf-olie voor zijn paleis.12 De Heer deed wat Hij had beloofd en maakte Salomo heel erg wijs. En er was vrede tussen Hiram en Salomo. Ze sloten een verbond met elkaar.
.
.
Hier hebben wij een voorbeeld van een goede samenwerking tussen Israëlieten en niet-Israëlieten. Later, na de ballingschap, haalden de teruggekeerde Israëlieten ook cederhout van de Libanon om de verwoeste tempel te herbouwen (Ezra 3:7).
Ezra 3 : 7
7 Voor de herbouw van de tempel huurden ze steenhouwers en timmermannen. Ze betaalden hen met geld. Uit Sidon en Tyrus bestelden ze cederhout van bomen van de Libanon. De boomstammen werden naar zee gebracht en dreven van daar naar Jafo. Ze betaalden voor het hout met voedsel, drank en olijf-olie. Voor dit alles hadden ze de toestemming van koning Kores.
Wij komen ceders ook tegen als beeld van iets anders. In positieve zin, als beschrijving van welvaart (Numeri 24:5-6), van de rechtvaardigen (Psalm 92:13), of van de bruidegom in het boek Hooglied (5:15). Daartegenover gebruiken de profeten ceders ook als beeld van menselijke trots tegenover God (Jesaja 2:12-13), of van één van de grootmachten uit die tijd (Ezechiël 31:3).
.
Numeri 24 : 5-6
.
5 Wat zijn jullie tenten gezegend, volk van Jakob,
en de plaatsen waar jullie wonen ook, volk van Israël!
6 Jullie dorpen en steden zullen de dalen vullen.
Ze zullen zo mooi zijn als tuinen langs een rivier.
De Heer heeft ze geplant,
zoals sandelbomen en cederbomen die langs het water staan.
Pslam 92 : 13
13 Als je leeft zoals God het wil, zal het goed met je gaan.
Je zal groeien als een palmboom,
hoog worden als een cederboom op de Libanon.
Hooglied 5 : 15
15 Zijn benen zijn als pilaren van wit marmer
die op voetstukken van zuiver goud staan.
Hij is zo groot en sterk als een grote cederboom van de Libanon.
jesaja 2 : 12-18
12 Op de dag van de Heer zal iedereen die trots en eigenwijs is, moeten buigen voor de Heer van de hemelse legers. 13 Alles zal moeten buigen: ook de trotse en hoge cederbomen van de Libanon, de eikenbomen van Basan, 14 de trotse bergen en de hoge heuvels, 15 de hoge torens en de sterke muren, 16 de schepen van Tarsis en de prachtige versieringen. 17 Alles waar de mensen trots op zijn, zal moeten buigen. En alle trotse mensen zullen moeten buigen. Op die dag zullen ze toegeven dat God de hoogste Heer is. 18 Er zal geen enkele afgod overblijven.
Ezechiel 31:3
3 U bent te vergelijken met Assur. Assur was een cederboom op de Libanon. Hij had prachtige takken, veel bla-deren en een hoge stam. Zijn top kwam tot aan de wolken.
.
In een veelzeggende gelijkenis wordt het beeld op de laatste koning van Juda toegepast, nu maar als een twijg die door de koning van Babel werd geplukt (Ezechiël 17:1-4). Toch zal God die situatie keren, zodat Zijn volk niet meer zal worden geplunderd maar als een prachtige ceder in het land Israël gedijen (Ezechiël 17: 22-24).
Ezechiël 17:1-4
1 De Heer zei tegen mij: 2 “Mensenzoon, geef het volk Israël een raadsel op. Vertel hun het volgende verhaal: 3 De Heer zegt: De grote adelaar vloog naar de berg Libanon. Hij had machtige vleugels, prachtig gekleurde veren en een sterke vleugelslag. Hij vloog naar de Libanon en rukte daar de top van een cederboom af. 4 Hij brak het hoogste topje af en bracht dat naar een land waar veel handel is. Daar plantte hij het in een drukke handelsstad.
.
Ezechiël 17 : 22-24
22 Dit zegt de Heer: Dan zal Ik Zelf uit de top van de hoge cederboom een jong takje afplukken. Dat zal Ik planten op een hoge berg. 23 Ik zal het op de hoogste berg van Israël planten. Er zullen takken en vruchten aan groeien. Het zal een prachtige cederboom worden. Er zullen allerlei soorten vogels in de schaduw tussen zijn takken wonen. 24 Alle bomen zullen beseffen dat Ik, de Heer, de hoge cederboom heb omgekapt, de kleine boom heb laten verdrogen en de kleine tak tot een machtige boom heb gemaakt. Ik, de Heer, zal doen wat Ik heb gezegd.”
.
.
.
.
.
Gegroet mijn broeders en mijn zusters. Wees gegroet en ontvang mijn zegening. Lang geleden, zeer lang geleden zijn er Hemelse Woorden aan de mensheid aangereikt. Hemelse Woorden die de mensheid zouden helpen om vrede en liefde in hun leven te brengen. Om als één mensheid te kunnen samenleven ondanks de verschillen die er bestonden en nog bestaan.
Tien Gulden Waarheden, gulden regels als het ware, zijn de mensheid vanuit hogere trilling aangereikt. Niet om de mensheid aan banden te leggen, niet om vrijheden in te perken of om straffen te kunnen uitdelen, maar wel om het leven in een samenleving te vereenvoudigen. Om het leven in een groep te bevorderen. Deze gulden regels werden rechtstreeks vanuit hogere sferen aangereikt aan de toenmalige incarnatie van mijn ziel, genaamd Mozes.
In die tijd van verzoeking en in die tijd van chaos was het nodig om bepaalde leefregels aangeboden te krijgen om misverstanden te voorkomen. In de loop der tijden is er misbruik en inbreuk gepleegd op deze hemelse aanreiking. Aan machtsmisbruik heeft men zich schuldig gemaakt.
Zovele aanreikingen met de voeten getreden. Vanuit menselijk machtsgevoel heeft men deze gulden aanwijzingen misbruikt om de mensheid angstig te maken en van haar vrijheid te beroven. Onbewust en opzettelijk zijn verkeerde interpretaties de wereld ingestuurd en nu, zo veel tijd later, zijn vele van deze hemelse aanreikingen uit het bewustzijn van de mensen verdwenen.
Vergeten, als het ware of niet meer aanvaard omwille van de vele misbruiken en het verdriet dat ermee gepaard is gegaan. Jaren, eeuwen, tijdperken zijn vergaan en toch blijven deze gulden aanwijzingen hemels in het bestaan van de mensheid. Deze Tienvoudige Hulpmiddelen zijn vervangen door duizenden en duizenden wetten, waarvan men de oorsprong en de gevolgen niet meer kent.
De hoofden en de handen die deze duizenden wetten hebben bedacht en geschreven kennen zelf hun wetten niet meer, noch de gevolgen. Al deze duizenden en duizenden wetten en wetboeken kunnen allen vervangen worden door Tien Hemelse Aanreikingen in een samenleving, in een mensenleven, op wereldniveau en in een familie.
Wanneer deze gulden leefwijzen begrepen en gerespecteerd worden is al het andere overbodig. Bij de eerste aanreiking van deze Hemelse Woorden was het bewustzijn van de mensheid nog niet rijp om de ware betekenis en de impact van deze gulden regels te begrijpen. In plaats van ze als zegening en aanwijzing te zien, noemde mensen ze De Tien Geboden.
Maar zij die Gods wil waarlijk kennen, weten dat God niets gebied, maar dat alle kinderen van de wereld in vrijheid leven. Een vrijheid die in de hoogste trilling gerespecteerd wordt. Maar op vraag van het mondiale zielenbelang zijn er gulden aanreikingen en aanwijzingen gegeven om de mensheid terzijde te staan om een vrede volle samenleving te kunnen opbouwen.
Nu, in deze tijd aan het begin van Aquarius is het bewustzijn van de mensheid klaar om de waarheid door deze Hemelse Woorden heen te zien! Om te aanvaarden en om te begrijpen, om de ware impact hiervan op wereldniveau te kunnen inschatten. Wanneer deze gulden aanwijzingen door de mensheid begrepen en aanvaard worden, wanneer men ernaar tracht te leven, zijn andere wetten, regels die men zelf niet meer kent, overbodig.
.
.
Wanneer men hiernaar leeft, zal de toekomst van de wereld van morgen er totaal anders uitzien. De wereld is op dit moment enorm gematerialiseerd, het liefhebben van de materie viert hoogtij. De waardigheid en het succes van een mens wordt dikwijls gemeten naar deze materiële rijkdom. Dit brengt vele negatieve verschuivingen met zich mee. De druk op de evoluerende ziel is enorm verhoogd en wordt soms zelfs te groot.
Het ego van de mens is op jacht. Als een jager beweegt hij zich door het leven op jacht naar materiële prooi. Vele jaren en vele lessen later, wanneer de prooi gevangen is, of ook niet, komt men tot het besef dat deze prooi niet de voldoening schenkt die men dacht hierin te vinden. Het leven leeft haar leven. Het leven houdt zich in evenwicht ongeacht de keuze van het ego.
Maar door materialisatie op wereldlijk niveau kunnen zich verschuivingen in dit evenwicht voordoen en hoogmoed zowel als laagmoed vieren hoogtij. Een nieuwe bacterie is als het ware geboren, een bacterie die in de oude tijden is ontstaan, maar die nu in deze wereld hoogtij viert. De bacterie wordt onder de menselijke noemer vertaald als afgunst, jaloezie, het begeren wat een ander heeft.
Mijn broeders, mijn zusters, als u zich toch één moment boven de menselijke trilling kon verheffen om te zien wat dit alles teweegbrengt in uw wereld op mondiaal niveau of in uw persoonlijk leven, zou u begrijpen waarom de hoogste trilling zoveel eeuwen geleden deze aanwijzing aan de mensheid heeft aangereikt.
Wanneer u in uw straat rond kijkt ziet het menselijke ego dat het gras aan de andere kant van de straat groener is. Men blijft zich blind staren op het groenere gras van de ander. Maar doordat men zich in de laagte blind staart, ziet men in de ziel niet welk een schoonheid zich in eigen tuin ontvouwt. Door het altijd kijken in de tuin van de ander, ziet men de bloemen voor de eigen deur niet staan.
De krachtige boom die haar vruchten schenkt, loopt men voorbij omdat men de illusie heeft dat de boom aan de andere kant van de straat groter is of meer vruchten zou dragen. Open toch uw ogen en zie de zegeningen en de schoonheid die in uw eigen leven worden aangereikt. Staart u zich niet blind op het succes of de rijkdom van een ander, want u heeft geen besef van de zielenweg van een ander.
U heeft dikwijls nauwelijks besef van uw eigen zielenweg. Maar weet dat alles wat het leven biedt een reden heeft. Dat iedere ziel en ieder menselijk ego zelf hiervoor verantwoordelijkheid draagt. Wanneer uzelf de nodige inspanningen doet in uw eigen leven, zult u zien dat het universum zich alles aan u openbaart en u alles aanreikt wat u nodig heeft. Alles wat meer is, is overbodig en alles wat overbodig is, rust als een last op uw schouders.
Het leven neemt en het leven geeft. Maar het leven kan alleen schenken, wanneer uw handen geopend zijn om te aanvaarden; vanuit liefde en niet vanuit hebzucht. Mijn geliefde broeders, mijn geliefde zusters. Besef goed, dat de hebzucht van het ego veel onevenwichtigheid veroorzaakt in het leven van de mensheid als geheel en als individu.
Deze hebzucht, deze afgunst heeft verschuivingen veroorzaakt, waardoor natuurlijke rijkdommen en gematerialiseerde rijkdommen niet in alle rechtvaardigheid verdeeld zijn. Hoed uzelf voor deze hebzucht; hoed uzelf voor deze afgunst. Want dat wat u in uw leven uitstraalt, zal naar u terugkeren. Neem uw eigen verantwoordelijkheid. Het universum is een onuitputtelijke rijkdom waaruit één ieder mag nemen wat hij nodig heeft.
Wees u bewust van de trilling die u uitstraalt naar een ander toe wanneer uw leven vervult is van het begeren van andermans zaken of zijn. Wees u bewust van de negatieve trilling die u hierbij uitstraalt, wees u bewust, dat u zo de trilling van de mensheid in een negatieve spiraal helpt komen. Voor hen, die overladen worden met deze negatieve trilling van afgunst en hebzucht, blijf in stilte, blijf in liefde.
Reageer niet op deze trilling en ga er zeker niet in mee. Verhef uzelf en reik de ander de hand om hem of haar te helpen. Om hem of haar te helpen inzien waarom het Universum zo deelt.
Mijn broeders, mijn zusters. Al wat is mag in dienstbaarheid zijn om het leven te verrijken en het leven te vergemakkelijken, maar besef goed dat uw weg van zielengeluk zich niet in het materiële bevindt. Het materiële is een afspiegeling van wat in de geest bestaat, maar het is een gefilterde afspiegeling en wanneer u de ware rijkdom in uw leven wenst te verwelkomen, begeer dan niet de materiële rijkdom van uw naaste buur.
Maar verlang, verlang werkelijk naar de onuitputtelijke bron van het Universum. Daar waar de ware rijkdom, evenwaardig en evenredig verdeeld wordt, daar waar het ware geluk te vinden is.
Mijn broeders, mijn zusters. Blijf verder zonder oordeel. Ga in stilte en kijk in uw eigen hart, wat in u aanwezig is. Laat los, wat losgelaten mag worden en weet dat wanneer u al de banden, oude patronen heeft losgemaakt, het Universum in uw levensbehoefte voorziet. Weet, dat één ieder vanuit de liefde in hun hart, met open handen de gelukzaligheid van het Universum mag ontvangen in het leven.
Kijk in uzelf waarom u vindt dat het gras aan de overkant van de straat groener is dan bij u. Vind de antwoorden op deze vragen in uzelf en besef goed dat de oplossing, de waarheid in uw handen rust.
Mijn broeder, mijn zusters. Begeer niet wat een ander toebehoort in geest of in materie. Maak geen balans voor de ander waar hij staat in het leven als mens of als ziel. Zoek en vind uw eigen zielenweg. Zoek en vind uw eigen zielengeluk en u zult een antwoord hebben op al uw vragen en onuitputtelijk zal de bron van het Universum u verrijken. Vanuit de hoogste trilling reik ik u deze gulden aanwijzing aan. Tezamen met mijn groet en mijn zegening.
Daar ik BEN uw aller Broeder El Morya
.
.
.